Hoofdstuk 46

"Henoch werd geboren op de zesde dag van de maand Pamovus en leefde 365 jaar. 

Hij werd echter opgenomen in de hemel op de zesde dag van de maand Nisan en hij bleef 60 dagen in de hemel, beschrijvende alle betekenissen van alle schepselen die de Heer geschapen had.

Hij verbleef 30 dagen op de aarde, pratende met zijn zonen, en werd weer opgenomen in de hemel in dezelfde maand Pamovus, op dezelfde zesde dag op welke hij ook geboren werd en op hetzelfde uur. 

Zoals ieder mens de gelijke natuur van dit tegenwoordige leven heeft, zo ook de conceptie en de geboorte en het afscheid uit dit leven. 

In het uur waarop hij ontvangen werd, in die hij ook geboren werd, in hetzelfde uur gaat hij ook weer naar huis."


De geboorte en de dood van de mens houdt gelijke tred met de natuur, zij zijn ingeschapen, ingecalculeerd in de wet van deze natuur. 

Niemand kan dus zijn leven "verlengen", zoals de medische wetenschap dit zo graag zou willen, maar als een zonde genoemd wordt in het Scheikundig Huwelijk van Christiaan Roosencruys. 

De geboorte en de tijdsduur van het leven hebben hun eigen tijd-stip en zij liggen vast. 

Niets wordt aan het toeval overgelaten. 

Er bestaat geen toeval! 

Inderdaad kunnen wij dit uit de woorden van Henoch opmaken. 

Ieder gaat heen en wordt geboren op dezelfde dag en in hetzelfde uur. 

Bij deze berekening schijnt bij Henoch de eerste dag en de zesde dag een speciale betekenis te hebben gehad. 

Hij werd geboren op de zesde dag van de maand Pamovus en hij werd opgenomen op de eerste dag van de eerste maand. 

Hij verbleef 60 dagen in de hemel en kwam wederom 30 dagen op aarde en werd voor eeuwig in de hemel opgenomen in de maand Pamovus op de zesde dag en in zijn geboorte-uur. 

Ziedaar de belangrijke symboliek. 

Vanaf de eerste dag van de eerste maand duurde de opdracht van Henoch 90 dagen, waarna hij wederom op de zesde dag op-genomen werd. 

Hij werd 365 jaren oud. 

Bezien wij het leven van Henoch dan beslaat het een afgebakende tijdsrekening. 

Zijn aardse leven kent het getal van de dagen van het jaar; zijn opdracht in de hemel kent 60 dagen: de tijd waarin hij aarde en hemel verbond; zijn taak op aarde kende 30 dagen: wijsheid brengende via stof, ziel en geest. 

Tenslotte gaat hij ten hemel in het geboorte-uur en op de zesde dag.

Zoals Jezus gekruisigde werd op de zesde dag. 

De geboorte der ziel ligt echter in het eerste uur van de eerste maand, een begin als een onbeschreven blad, de geboorte van een ziel die geen microcosmische erfenis heeft af te werken, maar die "mens is uitgezonderd de zonde". 

Het getal 1 is de verwerkelijking van de verbintenis hemel en aarde, door middel van een indaling in de stof. Het getal zes is de verbintenis van hemel en aarde, door middel van een reiniging van de stof, het worden tot de zespuntige ster van wijsheid. 

Na dit moment heeft Henoch de verwerkelijking van de wijsheid achter zich, tijdens 60 dagen in de hemel en wederom 30 dagen op aarde, tezamen 90 dagen van opdracht. 

Wij geven een summier overzicht van deze getallen uit het leven van Henoch, om enigszins aan te tonen dat men niet al te licht moet veronderstellen dat Henoch slechts een oude aartsvader werd, maar dat zijn leven, zoals het leven van Jezus, gebaseerd is op kosmisch vastgestelde tijdstippen. 

Iedere Lichtzoon, die leeft volgens de principes van zijn Schepper kan zijn eigen levenstijd vaststellen. 

Hij heeft deze tijdsberekening ontvangen terwille van zijn eigen levensboekhouding, zo staat er. 

In de oude tijden besefte de gevallen ziel waarom hij op aarde was, wat hij volbrengen moest en hoeveel tijd hem daartoe ter beschikking stond. 

Vanuit dit standpunt maakt Henoch zijn aantekeningen. 

De huidige mens is te veel van dit principe afgeweken om nog een goed inzicht te hebben in de bedoelingen van schepping en natuur, van tijd en lot. 

Wanneer wij de Bijbel lezen, dan komen wij herhaalde malen deze zelfde gedachte tegen: alles is in de Hand Gods, leven en dood, geboorte en tijd. 

Het is een idee dat de moderne mens enigszins gaat tegenstaan, omdat deze onverbiddelijke wet door de religieuze hiërarchieën tot een dreigement is geworden. Een vervloeking waaraan de angstige mens nooit meer kan ontkomen. 

Zo werd dat hiërarchieke pantser geschapen, waarbinnen de geestelijke leiders hun  volgelingen gevangen houden en waaruit het individu zo moeilijk kan ontkomen. 

Bezien vanuit de wet die Henoch beschrijft, speelt geen enkele religieus-wereldse hiërarchie een belangrijke rol in het scheppingsplan, noch in het uitreddingsplan. 

Henoch spreekt zijn zonen persoonlijk aan, en hij waarschuwt hen de Ene God te dienen, geen middelaar te aanvaarden, een rein hart te bewaren, zich in hun hart te bezinnen en het verstand als raadsman te nemen. 

Tenslotte zullen zij hun uren en dagen nauwkeurig moeten registreren, zodat zij zullen weten wat er goed en wat er kwaad in hun leven is geweest. 

De hedendaagse mens spreekt van een dagelijkse bezinning, een geliefde bezigheid bij vele leringen. 

Zich bezinnen op wat kwaad en goed was en tenslotte de kwade handelingen trachten te herstellen. 

Deze levensinstelling is geboren op basis van het tijdslimiet: aan het einde van onze dagen staat daar de weegschaal en wij kunnen te licht worden bevonden. 

Om dit te kunnen voorkomen moet de mens zijn uren bewust doorleven en vooral zijn hart rein houden. 

"Maak van uw hart geen moordkuil", staat er in de Bijbel. 

Het is dus waarlijk niet zo, dat men er maar op los kan leven, "omdat één leven er niets toe doet", en "omdat de mens niets te maken heeft met het lot der ziel". 

Elke seconde en elke minuut zijn kostbaar, omdat "het uur der geboorte en het tijdstip van de ontvangenis bepalend zijn voor het heengaan."

Het is van het grootste belang hoe een kind wordt ontvangen, hoe het wordt geboren, omdat deze beide gebeurtenissen bepalend kunnen worden voor zijn bestaan. 

Het heengaan tot de hemelen en het overgaan tot een zieleleven. 

De zielen, die op wedergeboorte wachten houden binding met sfeer van deze aarde, om de trillingsconcentratie te kiezen waar-mede zij polariteit bezitten en deze te benutten voor een weder-geboorte. 

Uit zulk een trillingssom wordt dan het aardse leven opgebouwd. 

Henoch lijkt hier enigszins een astrologische gedachtengang te volgen; het uur van de ontvangenis en de geboorte is belangrijk voor het eindresultaat. 

Wanneer men echter als reine ziel wordt geboren en er geen erfelijke belasting op de mens rust, gaat men zich bewegen binnen de sfeer van het "primum mobile" de allereerste beweging, de oorzaak van alle beweging. 

Zulk een ziel is boven de wet van oorzaak en gevolg uitgetild, om-dat hij zichzelf op de oermanier "in beweging" zet. 

Henoch's gehele taak omvatte 90 dagen. 

Negentig dagen, die hem uittilden boven de gewone levensgang, en zo kon het gebeuren dat hij dezelfde duisternis doormaakte als Jezus: duisternis op het uur van zijn heengaan, op de zesde dag, in het uur van zijn geboorte, zijn geboorte als geest-ziel. 

De natuurgeboren mens moet zich losmaken van de wet van deze natuur, in zover dat hij de natuurlijke bepalingen dienstbaar maakt aan zijn "wedergeboorte" in het eerste uur en in de eerste maand. 

Op dat moment zal hij "wenende zijn met zijn ogen vanwege het leed der mensheid". Dat is de geboorte "in de ziel". 

Daarop begint in zulk een mens de negentig dagen van zijn op-dracht: allereerst de vereniging tussen hemel en aarde, onder de instraling van het hexagram, de zespuntige ster, waarbij de aardemens de begrenzing van de kosmos wordt getoond en hij kennis maakt met de aanwezigheid van de "primum mobile", de eerste oorzaak: God, het licht. 

In zijn toestand van deze zesde stonde is hij nog niet in staat zich staande te houden "voor het aangezicht des Heren", zoals Henoch beschrijft in zijn hemelreis, want "aarde is nog in hem" en aarde kan de lichtkracht van de "primum mobile" niet verdragen. 

In het zesde uur is de mens bezig met de reiniging van deze aarde onder instraling van het hemelse licht, om daarna met mede-voering van deze hemelse wijsheid, in de volgende dertig dagen de aarde daaraan ondergeschikt te maken. 

Op de derde dag zei God: "Er zij Licht!" 

Henoch brengt licht op aarde, de mens die de "keuze" van de zesde Tarotkaart heeft volbracht, brengt eveneens licht op aarde. 

Hij wordt voor zijn medemensen een gezondene, zoals Osiris op zijn zonnewagen een gezondene is, die het stofleven door innerlijke kracht medevoert tot aan de hemelpoort. 

Tot aan de hemelpoort voert ook Henoch zijn zonen door middel van zijn woorden en berichten, maar daarna valt duisternis over deze zonen. 

Het aardse oog kan niet zien wat zich achter deze duisternis afspeelt. Zoals de massa aan de voet van het kruis niet zag wat er werkelijk geschiedde. 

Want zij, die onwetend en onhemels zijn, zien het Licht van de "primum mobile" niet, zij bezitten er geen zintuigen voor. 

Ieder mens kan zich aan tijd en ruimte onttrekken, gelijk de "gerechten" zich aan het oordeel Gods onttrekken, mits de ziel "geboren werd in het eerste uur, op de eerste dag van de eerste maand"; vanaf dit ogenblik houdt de tijd op te bestaan en neemt de Grote Aeon in een mensenleven een aanvang. Daarop zal hij de volheid van zijn leven voltooien, 365 jaar, d.w.z. de volheid van een natuurlijke omwending. 

Niemand zal deze mens het leven kunnen bekorten, want hij staat onder de bescherming van  het Licht. 

Het licht dat zijn leven draagt vanaf het geboorte-uur tot zijn opgang in de eeuwigheid van de "primum mobile".

Dan kan hij in eeuwigheid voor het aangezicht des Heren staan, zoals Henoch zegt. 


Misschien is het voorafgaande een weinig ingewikkeld voor onze oren, maar de basisregel is eenvoudig: 

zichzelf corrigeren en bezinning houden; 

het hart reinigen en herboren worden als mens; 

een nieuw leven beginnen als natuurlijke volheid;

hemel en aarde in zichzelf verbinden; 

de tijdelijke individuele natuur op laten gaan in de hemelse natuur; 

dat is het einde van de individuele tijdelijke aeon en de aanvang van de individuele Grote Aeon. 

Zo vaart de ziel "ten hemel", na allereerst geboren te zijn is de zesde fase. 

Dan ziet men de natuur met geheel andere ogen en daarom zegt Henoch: "Ik verlang niet meer naar aardse zoetigheid." 

Zodra het aardse in de mens gereinigd is door het hemelse, voldoet dit aardse nauwgezet aan de wet des Heren, doch de drift is heengegaan, de natuurdrift van de aardse geboorten en door-braak, zoals de lente dit laat zien. 

De aarde in deze zielemens loopt dan naar het einde van zijn 365 dagen, zijn voltooiing, en het lied van de hemelse heerlijkheid eist de aandacht van deze mens op. 

Hij heeft zijn "boeken geschreven", deze neergelegd in zijn natuur en vervolgens overgedragen aan de hem omringende natuur en zo is hij gereed gekomen met zijn arbeid. 

Het juk is voor hem een lichtend juk geworden, zoals het kruis van Christus een lichtend kruis is, en er is in hem noch leed, noch droefenis, want deze zijn onkenbaar in de grote Aeon.  

De aardse ogen van deze mens storten geen tranen meer terwille van zichzelf, zij vullen zich slechts nog eenmaal met de dauw des harten "op de dag van zijn hemelreis", want de dauw is het begin van iedere geboorte in de natuur, maar ook in de geest. 

Het "zoute water" is de prima materia, waarin de "primum mobile" zijn beweging vindt. 

Smart is in de natuur een ingrijpende ervaring, wanneer zij onder-gaan wordt als een ziele-beroering geeft zij de aanstoot tot een beslissende omwending in de geest. 

Zulk een innerlijke omwenteling voert de mens op een weg die geen "terug" meer kent, want hij, die deze ziele-smart heeft gekend, hij is niet langer een aarzelend, of een "zondig" mens, hij is degene die de reinheid des harten toont in heel zijn leven, in woorden en daden, in denken en gevoelen. 

Hij is de mens die Isis op zich toe ziet komen en die hem van verre de sleutel tot de Hoogste Hemelen reikt. 

In hem is geen onreine materia meer, en het teken dat van zijn voorhoofd licht, draagt niet de kleuren van deze aarde. 

Zulk een pelgrim is herkenbaar voor hen, die "ogen hebben om te zien en oren om te horen", en zij zullen elkander wedervinden in de Grote Aeon, die zich over hen spreidt als een werkelijkheid, die door hen niet ontkend kan worden, want hun ogen hebben gezien, hun harten hebben gesproken, en hun oren hebben gehoord hetgeen in de zeven hemelen aanwezig is, en hetgeen in de "primum mobile" verborgen ligt. 

Zij zullen niet meer worden misleid door de "zoetigheid dezer aarde", want daar waar de aarde-in-hen ophoudt te bestaan, daar laat zij haar eisen niet meer gelden. 

Moge het zo worden voor allen, die waarlijk herkennen kunnen.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene