Hoofdstuk 45

"De grote Aeon der rechtvaardigen begint en zij zullen eeuwig zijn.

En voortaan zal er onder hen zijn noch verdriet, noch leed, noch ongeduld, noch nood, noch gewelddadigheid, noch nacht, noch duisternis, maar het grote Licht zal voortdurend  daar zijn, en een grote onverwoestbare muur en het grote en onvergankelijke paradijs, want al het vergankelijke zal voorbijgaan, maar het onvergankelijke zal komen en het zal een onderdak zijn in een eeuwige woning. 

Daarom, mijn kinderen, aanbidt de ware God en niet de domme afgoden, maar aanbidt zijn stempel (afdruk).

Aanbidt geen menselijke schepping, noch een schepsel Gods die de scheppingen des Heren verlaten hebben, omdat geen enkele daad voor het aangezicht des Heren verborgen blijft. 

Zalig zijn de rechtvaardigen die het oordeel des Heren ontkomen zullen, omdat zij zevenvoudig meer lichten zullen dan de zon, omdat in deze Aeon (de Aeon der smarten) een zevental van alles is afgescheiden (afgezonderd)." 


Wel, hier hebben we een beschrijving van dat lichtland waarover zovelen spreken, het lichtland waar het eeuwige licht schijnt, waar slechts vrede en vreugde zijn. 

"Het paradijs", zo zei Henoch in zijn boek, "ligt tussen het wezenlijke en het onwezenlijke."

En hier, in de Grote Aeon, is het paradijs onvergankelijk ge-worden, waarmede gezegd wordt dat het gezuiverd werd van alle onvergankelijkheid en opgetrokken in de Grote Aeon. 

In die tijd is al het vergankelijke voorbijgegaan, het wezenlijke en het onwezenlijke zijn van elkander gescheiden geworden, er is dan dus slechts nog één werkelijkheid. 

Dit geldt voor geheel de schepping; dat wat stoffelijk is houdt op te bestaan en dat wat eeuwig is wordt teruggevoerd in de Grote Aeon, de Aeon des Lichts. 

Aardse mensen verbeelden zich dat het lichtland een gebied is waar voortdurend zonneschijn zal zijn en de daar aanwezige zielen niets behoeden te doen dan luieren, want er staat geschreven: "er zullen geen moeiten zijn en geen nood, geen leed en geen ongeduld."

Indien wij de Grote Aeon met objectieve ogen bezien dan lijkt hij een oord van intense verveling. 

Er is niets dan licht, waar doorheen niets kan heenbreken.  

Deze opvatting hangt echter samen met onze menselijke denk-beelden: licht betekent voor ons zonnegloed. 

Maar licht is in werkelijkheid het alomtegenwoordige "zijn". 

De aanwezigheid van dit "zijn" heft het begrip van hebzucht op, waarmede leed, moeiten, nood en ongeduld samengaan. 

In de Grote Aeon is de ziel teruggekomen in haar waarlijke "zijn", en dat wil niet zeggen dat zij overgedragen wordt aan een dolce far niente, want het licht vraagt wederdienst, licht is uitstraling, maar deze komt voort uit een bron. 

Om te bestaan in de Grote Aeon moet de ziel een lichtbron bezitten om mede te kunnen vibreren met het licht. 

Zou dit niet het geval zijn, dan zou zij zijn als een dode materie, een "zwart gat", louter absorptie, en zij zou gedoemd zijn onder te gaan, te sterven. 

In de Grote Aeon is alles echter onvergankelijk, dus de ziel is een onderdeel geworden van de lichtkracht en vibreert in eenzelfde ritme.  

Dit is geen zalig niets doen, maar dat betekent innerlijk voort-durend actief zijn, zoals een zon, een voortdurend geven en opgeladen worden. 

Dat is iets geheel anders dan de z.g. lichtland-globetrotters ver-onderstellen: men wordt niet in zaligheid opgenomen in een verblindend licht en dan wederom neergelaten in de duisternis. 

Noch kan men in alle rust ter neder zitten en de warmte en de koestering des lichts over zich heen laten gaan, in der eeuwigheid! 

Het licht is het oerelement en het goddelijke Licht is het enige scheppende element in het Al en daarom is het zo levend uit en in zichzelf. 

De mens heeft voor alle voortbrenging twee elementen nodig, maar God, het licht, is eenheid, twee in één. 

Zoals de ziel in de Grote Aeon wederom twee-in-één is geworden en dus nimmer passief kan zijn. 

De hier op aarde ploeterende mens, altijd voortgejaagd door het "hebben", denkt zich slechts in dat er een moment zal komen, dat hij "rust en vrede" zal vinden, d.w.z. niet meer behoeft te werken en te zwoegen. 

Dus verstaat hij onder opname in het Licht: passiviteit. 

Passiviteit wenst ook de mens die de meester zoekt en zich aan zijn macht wil overgeven. 

Henoch waarschuwt daartegen:

"Niemand kan u een voorspraak zijn, bewerk uw eigen zaligheid."

Zou er ooit sprake zijn geweest van passiviteit als zijnde een goddelijke eis, dan was de ziel nimmer vrijwillig de chaos ingedaald. 

De aanwezigheid van de wil betekent: activiteit. 

Overgave van de menselijke wil aan de goddelijke wil betekent een activiteitsverandering, overgaande in een goddelijke scheppings-vitaliteit. 

"God ziet alles", zo zegt Henoch tot zijn kinderen, "want Hij is alomtegenwoordig." 

In deze alomtegenwoordigheid kunt gij Hem aanbidden, want datgene dat zijn merkteken draagt, verdient alle aanbidding. 

"Maar aanbidt noch een schepping des mensen, noch een schepping Gods die zijn Schepper heeft verlaten."

Ziedaar de liefdewet en de wet der gelijkheid. 

Aanbidding is zijn liefde overdragen; iemand zijn liefde betuigen betekent altijd iemand zijn diensten, een offer, zijn leven willen aanbieden. 

Hebt uw naasten lief! 

Uw naasten, waarop het merkteken Gods rust. 

En dat merkteken Gods wordt nooit aangebracht door enig mensenkind, maar altijd door de Schepper zelf. 

De Grote Aeon tekent zijn kinderen door hen een lichtend voorhoofd te schenken. 

Er staat nooit geschreven: zij ontvangen een derde oog in het voorhoofd, maar zij ontvangen het teken des Heren aan hun voorhoofd. 

Het "teken des Heren" is de trilling uit de grote Aeon, die woning gevonden heeft in de schepping Gods, en die van het voorhoofd naar buiten straalt, nadat zij opgeklommen is vanuit het hart en ingedaald is in de kruin en tenslotte zichzelve kruisigt in de daartoe bestemde hersencaverne, waarna zij onbedwingbaar uit-straalt. 

Ieder mens bezit een voorhoofduitstraling, zoals zijn handen, zijn voeten en vele plaatsen van zijn lichaam geconcentreerde ether-kracht uitzenden. 

De uitstralende kleur bepaalt de levensinstelling en de verhevenheid van de mens. 

Daar de Grote Aeon ontheven is aan alle tijd, aan alle lagere trillingen, bezit het goddelijke licht geen kleur, noch enige vorm en de klank bereikt niet de aardse zintuigen. 

Alle kleuren zijn een vermenging van indalende, kosmische trillingen en opstijgende aardse trillingen. 

Meent daarom niet dat er één kleur bestaat die hoger of heiliger zou zijn dan de anderen; zijn niet alle zeven gemeenten een onderdeel van één goddelijk lichaam? 

Wat zou het hoofd menen meer te zijn dan het hart, als het zonder het hart zijn eigen toon niet kan uitzenden? 

Wanneer de zeven kleuren met elkander strijden, zoals dat in de onvolkomen natuur opmerkelijk is, zo houdt deze strijd in de Grote Aeon op en smelten al de kleuren samen in het goddelijke witte, neutrale, licht, maar dat wil niet zeggen dat daarom de werkzaamheid afwezig zou  zijn. 

De mens kent niets anders dan de strijd als werkzaamheid, maar er bestaat ook zoiets als een bouwen zonder tegenstand, een stralen zonder weerstand te ontmoeten, een leven schenken zonder pijnen te moeten lijden. 

"Als gij dan in de grote Aeon zult zijn, zult gij zevenmaal lichtender zijn dan de zon, daar in deze Aeon een zevental van alles aanwezig is......"

"Zevenmaal lichtender dan de zon.....", onkenbaar voor de mens, omdat deze leeft in de Aeon die slechts een zevende van alle licht ontvangt. 

Uit dit zevende deel is alles geschapen: licht en duisternis, pijn en zoetigheid, en zelfs het paradijs en al het andere.....

Zelfs wanneer wij in staat zullen zijn de zeven innerlijke kleuren te verenigen, komen wij pas aan in het land der zevenheid en van daaruit komen wij in dat land Gods, de achtste dag, tot hem tot schepping diende. 

Het land waarin God rust, waarin Hij één is met zijn scheppingsbron en niet uit zichzelve treedt. 

De zevenheid is ons tussenstation, waarbinnen wij strijden en lijden, vreugde beleven en droefenis kennen en waarmede wij het paradijs tussen het wezenlijke en het onwezenlijke binnen kunnen gaan. 

Zeven treden heeft onze trap, zeven werkelijkheden bezitten wij, zeven dagen der week kennen wij en zeven kleuren heeft de regenboog, maar zij allen vormen de doorgang, de doorgang naar die volkomen klank, die een samensmelting betekent van de zeven klinkers. 

Zeven klinkers wekken onze zeven chakra's, zeven klinkers roepen onze planeten een waarschuwing toe, maar deze klinkers zijn niet dezelfde als die van het onze bekende alfabet: zij zijn onuitspreekbaar via de aardse zintuigen. 

Zeven trillingen moet de ziel uitzenden: 

een trilling van de bekkenovergave - 

een trilling van de leverovergave - 

een trilling van de zonnevlechtovergave  - 

een trilling van de hartovergave - 

een trilling van de keelovergave - 

een trilling van de hersenovergave - 

een trilling van de kruinovergave.

Deze belangrijke heiligdommen moeten zich rond het "altaar der ziel" scharen en dat wil zeggen, dat hun eigen kleur, hun stoffelijke geluid, opgegaan is in het "Woe-Wei", het doorzichtige wit van de goddelijke klank. 

"Doodt uw begeerten", zegt de Boeddha. 

Dacht u werkelijk dat deze woorden uitsluitend op de sensuele begeerten sloegen? 

De aardse mens is één en al begeerte, d.w.z. zuigkracht, heb-zucht; hij drinkt in, maar hij straalt niet uit. 

De aardeplaneet drinkt de zonnekracht in en brengt daardoor vrucht voort, mede door de inwerking der andere planeten. 

Maar zij is niet uit zichzelf actief. Zij is passief. 

De aardse mens is passief in zichzelf en dat is zijn onderscheid met de goddelijke mens. Alle activiteit van de stoffelijke mens is gericht op het voeden van de passiviteit, zij is nooit gericht op een innerlijke autonome werking. 

Zoals wij zeiden: op aarde is de voortbrenging afhankelijk van een samenspel. Ook de ziel vindt haar weg terug door het samenspel van de ziel met de geest. De geest die achterbleef in het Pleroma en de ziel die indaalde in de stof. 

Door deze wisselwerking ontstaat het paradijs, dat zowel wezen-lijk  als onwezenlijk is, vergankelijk en onvergankelijk. 

Maar de Grote Aeon maakt een einde aan deze samenwerking, omdat het wezenlijke en vergankelijke ophouden te bestaan. 

In deze Grote Aeon zijn geen broederschappen en geen meesters, geen kerken en geen hiërarchieën, geen adepten en geen onwetenden. Dus zij is niet gelijk aan de voorstelling die men zich van de hemel heeft gemaakt. 

De Grote Aeon is het ontmoetingscentrum van de geest-zielen, van de Pistis Sophia's, die zijn wedergekeerd. 

Deze geest-zielen hebben geen naam, noch een kleur, zij dragen geen enkel menselijk stempel, maar zij zijn één met het licht. 

Hun gewaad bestaat uit atomaire lichtkracht en hun intelligentie eveneens. Zij zijn niet te vergelijken met enig menselijk wezen. 

Daarom is het opstijgen tot de hoogste hemel, zoals er van He-noch gezegd wordt, een onbekendheid bij allen die uit de ver-menging van goed en kwaad leven. 

"En God legde een duisternis op aarde en bedekte de mannen die bij Henoch waren. 

En de engelen ijlden naderbij en namen Henoch op in de hoogste hemel, waar de Heer hem opnam en hem in eeuwigheid plaatste voor Zijn Aangezicht. "

Er is altijd een "duisternis op aarde" wanneer een ziel zich gereed maakt om tot de hoogste hemel op te varen. Ook bij Christus was dit het geval. 

Deze "duisternis" is niet de duisternis die wij als "nacht" kennen, maar zodra het hoogste licht zijn Zoon in zich opneemt, is de zon verbleekt, omdat hij, zoals Henoch zegt, slechts een onderdeel van de zevenheid is. 

Wij zijn een uiterst verzwakte weergave van het goddelijke en de verwijdering van het natuurlijke maakt de schepping wel zuiver, maar daarom niet lichtender en krachtiger. 

Wij zijn als een kaarsvlam ten opzichte van een atoomlicht. 

Zodra de ziel tot hoogste hemelen opstijgt, valt "al het aardse" verblind ter aarde. 

Henoch wordt door de lichttrillingen Gods "opgeheven", uit zijn lichamelijke omhulsel getild en dit kan er uitzien als een "vlucht in de ruimten" voor de primitieve stoffelijke mens. 

In werkelijkheid is deze "hemelvaart" een gedaanteverwisseling voor het oog der aanwezigen. 

Zij is een transfiguratie, een omzetting van lood in goud, en daar de aardse zintuigen slechts aardse metalen kunnen waarnemen, ontdekken zij nooit het lichtende goud des geestes. 

In zijn aanwezigheid vallen zij "ter aarde", omdat hun zeven werkelijkheden te onzuiver zijn om de kracht van dit goud te kunnen ondergaan. 

Zuivere zielekracht, een rein hart en een geïnspireerde intelligentie vormen tezamen een werktuig dat dit goud wel zou kunnen waarnemen. 

Dan spreekt de mens niet meer over "schone geesten en stralende gelaten" die hij waarneemt, maar hij zwijgt, omdat zijn woorden niet bij machte zullen zijn om zijn waarnemingen te kunnen vertolken. 

Hij keert terug tot zijn huis en hij bezint zich in zijn hart en beraadt in zijn verstand en hij sterkt zichzelve door hetgeen hij geleerd heeft en waargenomen heeft. 

Waarom zou hij hierover spreken? 

Wie zou hem verstaan? 

Zij, die één zijn in het "goud des geestes", zij hebben geen aardse klanken van node om elkander te begrijpen, want hun herkenning ligt in de Grote Aeon. 

En daar zijn aardse klanken, kleuren en vormen voorbijgegaan en hebben plaatsgemaakt voor één klank, één kleur, één vorm. 

Een vorm die ondoordringbaar is, die uit zichzelf straalt en in zichzelf schept, die geen enkele aardse vorm benadert, omdat haar grenzen niet te onderkennen zijn voor menselijke ogen. 

Zijn grens is die "onvernietigbare muur", waarover Henoch spreekt, een onvernietigbare muur, die ook de ziel om zichzelf kan optrekken, omdat zij zichzelf bedient van het materiaal uit de Grote Aeon. 

Onvernietigbaar, eeuwig en voortdurend lichtend zijn de zielen die elkander kennen vanuit de Grote Aeon en zo zij elkander op aarde reeds ontmoeten, zal hun verbintenis door deze kentekenen bezegeld worden. 

Lere daaruit en zoek de activiteit die uit God is, Pelgrim.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene