Hoofdstuk 43

"En Henoch sprak tot Methusalem: 

"Hoort, mijn kind, vanaf het moment dat de Heer mij gezalfd heeft met de zalf Zijner Heerlijkheid, waren er geen spijzen meer in mij en was aardse zoetigheid niet gedachtig aan mijn ziel, noch het verlangen naar de een of andere sterveling."


Meestal lijkt het of degenen die zich interesseren voor een spirituele weg te fanatiek in hun doel opgaan om enige interesse te tonen voor aardse aangelegenheden.  

Het kan echter ook zo zijn dat een innerlijke verandering deze mens de ogen heeft geopend en dat hij overal op de wereld smart ziet en bemerkt hoe smart de wortel is van het aardse bestaan. 

Wanneer men geboeid is door een doel vervagen alle andere beelden, zo is het eveneens met de inwijding van Henoch, die tot stand gekomen is door de "zalf of de olie des Heren".

De "olie des Heren" opent de poort van de pinealis, waardoor de mens beelden gaat zien die niet van deze aarde zijn. 

Olie verbindt de ziel met de geest Gods, deze olie is een etherische samenstelling, waardoor men het gevoel ondergaat of men op-genomen wordt in een golf van heerlijkheid. 

De aardse zintuigen verliezen hun begeerte en daardoor wordt men schijnbaar ongeïnteresseerd in aardse dingen. 

Het is echter slechts een stadium van neutraliteit ten opzichte van de tijdelijke verschijningen. 

Men beweegt zich tussen de uiterlijke vormen, omdat men dit noodzakelijkerwijze moet, maar men is niet meer aan hen ge-bonden. 

De werkelijkheid der uiterlijke zintuigen is doorbroken door een andere werkelijkheid, die van de oorspronkelijke zeven werkelijkheden. 

Hier heeft die onvernietigbare verandering in de mens plaats-gevonden, waarover de ouden mijmerden, die het doel is van iedere religieuze methode, iedere yoga. 

Doch het begin van het Boek Henoch zegt ons duidelijk dat er geen sprake kan zijn van enige oefening: 

"...... Henoch slaapt en weende in zijn slaap en werd overspoeld door een groot leed......"

Wanneer de mens de smarten der wereld ervaart en daarom wenen kan, hoewel tegelijkertijd een onaardse vreugde hem overheerst, geschieden er wonderbaarlijke dingen in hem. 

Smart ervaren terwille van zijn naasten behoeft niets te maken hebben met emotionaliteit, maar men kan de gevangenschap en de duisternis gevoelen zodra men leeft door middel van de innerlijke zintuigen. 

Niets is stimulerender voor een omwending dan smart. 

Men kan dat overal zien, een zeer smartelijke ervaring grijpt de mens zodanig aan dat hij zich veranderen kan. 

Vreugde stijft hem in zijn houding, smart kan hem innerlijk opbreken. 

Smart is ook de aanleiding tot de visioenen van Henoch. 

Hij wordt opgenomen in de aeon van het leed en ervaart de onmetelijke smart, die generaties lang de mensheid zal teisteren, want, volgens Henoch, alles staat opgetekend voordat het is. 

Leed is de bestuurder van het wiel van geboorte en dood, smart is zijn metgezel. 

Alle vreugden eindigen wederom in de smart en brengen een nieuwe geboorte voort. 

In smart zullen de vrouwen hun geestelijke kinderen baren en zullen de mannen hun geestelijk brood verdienen. 

Na de indaling in de stof maakte de ziel kennis met de smart en daaruit zou de dauw der tranen voorkomen. 

Een dauw, die, zoals de morgendauw, een innerlijke geboorte naderbij kan brengen. 

De dichters hebben de tranen bezongen, de mystici hebben de tranen geloofd, zij zijn het zoute water des harten, dat het kan reinigen van alle kwaad. 

Indien de mens de balsem Gods ontvangen heeft en het leed der mensheid heeft ervaren, zullen zijn laatste tranen vergoten zijn, omdat hij dan zal gaan arbeiden met een ziele-activiteit die de naaste wil helpen, de ziel te verlossen. 

Uit deze smartelijke ervaring en deze wijding ontstaat datgene wat men roeping noemt. 

Roeping kan men aantreffen in allerlei stadia, maar zij komt altijd voort uit een bewogenheid des harten. 

Er zijn heden nog weinigen die zich geroepen gevoelen, zo zeggen velen bitter, en zij zien met afschuw de slavernij aan geld en goed. 

De roeping wordt niet meer geboren, omdat het hart van de mens verwaarloosd werd, het is verhard, bitter, gebroken dan wel levenloos. 

Het hart en de ziel vormen tezamen een scheppend paar, de onderlinge verhouding bepaald de aard van de roeping. 

"Wie zondigt tegen de ziel der dieren, zondigt tegen zijn eigen ziel. Wie schade toebrengt aan de ziel van een mens, brengt schade toe aan zijn eigen ziel."

Deze bladzijden uit het Henochboek kunnen enige bevreemding wekken, omdat zij telkens in tegenspraak lijken te zijn met zijn vorige uitspraken.

Henoch spreekt hier over het reine offer, over de slechtheid om dieren te mishandelen, en tenslotte zegt hij: "alles wat u tot spijs gegeven is bindt het aan de vier voeten", dat is genezing en geneest de ziel. 

Dit lijkt een dwaze uitspraak voor zulk een groot man, vooral daar hij daarnaast ieder mens waarschuwt geen dier kwaad te doen, opdat de zielen van deze dieren de mens niet zullen richten in de grote Aeon. 

Een opvallend mengsel van vóór-christelijke gebruiken en piëteit tegenover de zielen der dieren is hier tot stand gekomen, waar-schijnlijk door de vele vertalingen. 

Naar aanleiding van enkele regels zou men dieren mogen doden en offeren, en op basis van andere woorden zou men hen moeten respecteren, liefdevol behandelen en vooral goed voor hun ziel zijn, opdat zij zich niet zullen beklagen. 

Het is meer voorgekomen dat twee vertalingen elkaar tegen-spreken en zo zouden wij ons willen bepalen bij de woorden:

"Noch de ziel van een dier, noch de ziel van een mens mag kwaad worden aangedaan, opdat men zijn eigen ziel niet schade." 

Men denkt hierbij aan strenge wet van de Essenen en Katharen om de priester uit de gemeenschap te stoten wanneer hij een onwaardige tot het altaar toeliet. 

Schade berokkenen aan de ziel kan tevens inhouden, deze ziel verbinden met een kracht die hem rechten kan. 

Een priester of een voorganger kan de mens op magische wijze aan een belofte binden, waardoor de discipel gedwongen wordt zich te laten confronteren met trillingen, die hij wellicht in het geheel niet wenst, of die hem volkomen vreemd zijn. 

Vanzelfsprekend is het uitgangspunt, de reinheid, dan wel de onreinheid des harten, maar het strenge verbod om zielen schade te berokkenen is vooral van toepassing op spirituele aangelegenheden. 

Er zijn momenteel miljoenen zielen die schade werden berokkend door middel van schijnbare adepten en daarom is de wet der Ouden, waarbij degene die een onwaardige verbindt met de geest, zelf als onwaardige uitgestoten wordt, principieel en wijzen waardig. 

Henoch spreekt duidelijk over de "moord aan de ziel", niet over de moord van een mens, en deze zielenmoord komt voort uit de misdadige, gevallen intelligentie der Lichtzonen, want bij zulk een moord moeten luciferische krachten aangewend worden en deze zijn slechts op te roepen door luciferische Zonen des Lichts. 

Niets is misdadiger dan zielenmoord, een daad die men en masse kan uitvoeren en die oncontroleerbaar is voor degenen die geen ziel bezitten. 

Handel in zielen is een verworden activiteit en is altijd een ken-merk van een eindfase. 

De bestuurders van onze hiërarchieke religieuze instellingen weten heel goed, dat de ziel van een mens beslissend is voor de laatste fase. 

Niets is waardevoller dan de ziel. 

Uit de woorden van Henoch is dit duidelijk te herkennen. 

Hij, die de ziel van de mens kan regeren, hij is de luciferische grootmacht en zal een luciferisch rijk in stand houden. 

De onwetendheid der mensen levert hem genadeloos aan zulk een luciferische heerschappij uit. 

Daarom is onwetendheid een vloek, zoals God tot Henoch zei. 

De reinen van hart ontvangen een kennis, die de duisternis van hun harten en hun verstand zal wegrukken, doch niemand zal deze kennis kunnen beërven, dan zij die gebroken hebben met iedere luciferische impuls. 

Het laat geen twijfel dat Henoch de Dag des Oordeels ziet als een Dag van Gerechtigheid. 

Zij, die zonder licht zijn, zullen in de boze huizen binnengaan en er is voor hen geen terugkeer, doch uit de goede huizen is rust en wederkeer. 

De "grote Aeon" zal een ommekeer teweegbrengen, maar zij die hun ziel levend hebben bewaard, zij zullen opnieuw de mogelijkheid ontvangen tot herschepping, slechts de bozen zullen de Vrede van Bethlehem en de doorgang tot de hoogten niet meer ontvangen. 

Terugkeer in de stof kan voor velen een pijnlijke ervaring worden, maar zij is noodzakelijk zolang de ziel nog niet voldoende lichtkracht bezit om zich blijvend voor het aangezicht des Heren staande te kunnen houden. 

Deze terugkeer op aarde is het "juk" dat de Heer zijn gevallen Zonen opgelegd heeft, en zij zullen dit moeten dragen in zachtmoedigheid en geduld, zo zegt Henoch. 

Waarom zou men zich dan verheugen op een niet-terugkomen? 

Wie zal de ziel oordelen? 

Hij, die zich verheugd op een niet-terugkeren in de stof, hij telt slechts zijn eigen belangen, hij oordeelt zonder daartoe geadeld te zijn. 

Want hij, die een rein hart bezit en een intuïtieve ziel, hij verheugt zich niet in een mogelijke eigen vreugde, maar hij deelt de smart des mensen zonder daardoor verontrust te worden. 

Alle wijzen ervoeren smart, slechts de egocentrische pelgrim wenst de vreugde voor zichzelf. 

Hij, die de drinkbeker niet tot de laatste druppel heeft geledigd, of het juk niet tot aan het laatste moment heeft voortgedragen, hij zal de vreugde der ziel niet smaken. 

Alles wat de mens als smart ziet en wat hij als vreugde ervaart, het is noch de smart noch de vreugde der wijzen. 

Pas wanneer uw ogen verleerd hebben tranen te vergieten is uw ziel wakende, zegt de "Stem der Stilte". 

En dit is van toepassing op menselijk leed, ego-leed, niet op die oneindige smart van de wijze, die het leed der mensheid schouwt. 

Tranen vergieten om de eigen smartelijke ego-ervaringen is als het ontledigen van het hart, er zal een zwakte optreden die de mens vermoeid doet neerzitten langs de weg, waar hij zijn leed bewondert. 

Hij, die het leed kent dat zielen wondt, hij wondt zijn naasten niet, hij treedt een verandering binnen en werkt aan de reiniging van zijn hart. 

Woorden alleen volbrengen de verandering niet, zo meent Henoch, maar woorden en handelingen moeten eenzelfde doel dienen, zo niet, dan wendt de Heer zijn aangezicht van hem en zijn handen zullen de juiste daad niet vinden. 

Zo echter zijn handelingen schoon zijn, terwijl zijn hart mort, is het resultaat hetzelfde. 

Niemand kan de Heer, zijn God, bedriegen en daarom is het beter om te keren en opnieuw te beginnen, dan vol te houden op een weg die geen resultaat kan boeken. 

Zij, die hun discipelen, hun medezielen, de zaligheid beloven, hoewel handen en harten falen, zij berokkenen de ziel schade, want hun beloften zijn ijdel. 

De zaligheid in de Grote Aeon is slechts te beërven door de pelgrim die rein van hart zijn daden tot een getuigenis Gods maakt, en deze mens is niet te verontrusten door de woorden van hen, die hem bespotten en hem waarschuwend toeroepen: "God zal u straffen." 

Want hij, die oprecht de waarheid dient die hij onderkent, is reiner dan hij die zelve niets schouwt en de waarheid van zijn naasten dient, die hem ijdel voorkomt. 

Hij die waarlijk zich beijvert om de gelofte aan zijn Schepper te houden en niettemin de volmaking van zijn ziel nog niet zou volbrengen, hij vindt welgevallen in het oog des Heren, maar hij die zich afkeert van de weg der Goden en zich tot allerlei andere bezigheden wendt, hij zal geen boete kunnen doen. 

Hard is hier het oordeel, want de inzet is waardevol, en hij die speelt met de gelofte aan zijn Heer en zijn ziel verjaagt door zijn daden, hij zal niet door berouw de vrede wedervinden. 

Niets is onvergeeflijker dan ontrouw te worden aan de opdracht van den beginne en dus "het juk af te werpen", want waarlijk, hij loochent zijn Schepper. 

En hij die loochent, zal hij ooit nog trouw kunnen zijn in zware stonden? 

Petrus loochende zijn Heer, tot driemaal toe. 

Op Petrus is de religie der verstening gebouwd, een verstening waaruit een geweldige godloochening voortgekomen is, die het zwaard tot verdediger van de Liefde maakte, zoals Petrus eens Jezus met het zwaard verdedigde. 

Hij, die loochent, hij is bevreesd en daar waar de vrees zijn scepter zwaait, daar is de ziel verre. 

Ga daarom voort op de weg van uw God en vreest niet, want de kleine kracht Davids is onoverwinlijk. 

De Diepe Vrede van Bethlehem legge de beschermende mantel Gods over u!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene