Hoofdstuk 42

"Begeert de Heer misschien brood of kandelaren, of runderen en stieren, of de een of andere  offerande? 

Neen, dat heeft geen waarde, maar Hij begeert een rein hart, voor alles toetst Hij het hart des mensen."


Nadat Henoch zijn kinderen verteld heeft over hetgeen hij in de zeven hemelen heeft waargenomen, vermaant hij hen met wijze woorden. 

Woorden die uit de Bijbel reeds bekend waren. 

Het hoogste van alle gaven of offeranden is echter de Heer een rein hart op te dragen, niets heeft waarde wanneer het hart onrein is. 

Zonder aanzien des persoons zal de Heer zijn gerechtigheid op aarde zenden en Hij zal oordelen naar de beweegredenen des harten. 

Het is opvallend dat Henoch zulk een sterke nadruk legt op de gevoelens van het hart. Het hart dat in de hedendaagse zo jachtige tijd, maar al te dikwijls wordt veronachtzaamd. 

De grootste misvatting der mensheid is te menen dat het hoofd het hart zal kunnen leiden, waardoor de huidige maatschappij ge-grondvest werd in de kennis van het verstand en niet in de beweegredenen van het hart. 

Zodra het hart zijn kracht wordt ontnomen, zal de mens falen op een geestelijke weg. Een ziek hart, verontreinigd door bitterheid, haat en ziekelijke emoties, zal niet in staat zijn de ziel de boodschap van Manas over te dragen. 

De intelligentie is de brug tussen de ziel en de mens en zij zetelt in het hart. Men kan vele dingen aanleren, men kan door oefeningen zichzelf in een keurslijf van wetten dwingen, maar het hart blijft vrij. Het hart kiest zijn eigen weg en dit hart is bepalend voor het oordeel Gods. 

Men kan zichzelf bedriegen, men kan vrome woorden spreken, men kan geldelijke offers brengen, indien het hart niet achter deze uitingen dringt, zal alles voor niets zijn geweest. 

Daarom is de geestelijke weg geen weg van dwang. 

De mens verkiest dwang boven vrijheid, zo hij beangst is voor de eigen zwakheid. Doch Gode bedriegt hij niet, zijn zwakte is ken-baar in zijn werken, de werken die zijn hart wenst te verrichten. 

Niemand kan door een wet bedwongen worden, zo zijn hart deze wet wenst te ontlopen. Er zijn in het menselijke organisme wachters geplaatst die hem waarschuwen wanneer hij tegen zijn hunkering des harten in handelt. 

Er volgen dan ziekten. 

De mens, die een ziel bezit die de terugweg wil betreden, is gehouden deze weg te ontsluiten via het hart. Is het hart daarop niet gericht, dan zal de ziel nooit de smalle weg bewandelen. 

De geest wordt gedragen door hart en ziel en pas later komt het verstand deze beide tegemoet. 

De weg der ziel is niet verstandig in het oog der mensen. Verstandig is slechts hij die doet hetgeen goed is voor de uiterlijke mens. 

Daarom moet allereerst het hart levend zijn voor de ziel, opdat van daaruit het verstand begeesterd zal worden en de mens zijn verstand zal openen voor de geest en zo zal zijn rede anders zijn dan van zijn medemensen en zijn gedachten zullen hoogten beklimmen die zijn medemensen niet waarnemen. 

"Er zal geen onderscheid des persoons zijn", zo zegt Henoch. 

God oordeelt naar het hart en de harten der mensen zijn te verdelen in goddeloze en godzoekende harten. 

Respecteer de medemens, oordeel niet naar zijn uiterlijke gaven, noch naar zijn mogelijke kwaliteiten, maar zoek zijn hart en ontdek of dit de ziel tot dienaar geworden is.

"Dat nu, mijne kinderen, wil niet zeggen: 

Onze vader is bij God en staat voor Hem voor ons, hij zal ons vrijmaken (vrijstellen) van zonden. 

Er is aldaar geen helper voor geen enkel mens die gezondigd heeft."  

Door deze woorden ontkent Henoch elke bemiddelende functie van een meester of één of andere heilige. 

Alles wat gebeurd is, gebeuren zal, ja zelfs voordat het gebeurd is, ligt vast, en zo is de mens een gevangene en zal hij voltrekken hetgeen reeds lang in de atomen ligt bewaard. 

Hij kan niet loochenen hetgeen onzichtbaar voor mensenogen, maar zichtbaar voor het oog Gods opgetekend staat en zo zal zijn leven ijdel zijn en schijnheilig, indien hij deze waarheid ontkent. 

De gehele schepping is één onmetelijke gevangenis, waarbinnen de mensen wegen bewandelen, die zijzelf uitgestippeld hebben, maar waarbij de ziel de enig vrije is, en ieder hart dat de gevangenis wil verlaten volgen zal. 

Het tehuis van der ziel wacht reeds in de hemelen, voor iedere ziel is een plaats beschikbaar, zo zegt Henoch. 

Christus zegt: In het Huis mijns Vaders zijn vele woningen.

Deze woningen zijn de atomaire krachtvelden waarbinnen de ziel eens leefde.

Men kan zeggen: het geestelijk tehuis, de geest der ziel, wacht hem. 

In de Pistis Sophia wordt gesproken over de Gezel die achter is gebleven toen de Pistis Sophia afdaalde. 

De Pistis blijft achter, de Sophia daalt in; de Pistis is de kennis des geestes, de Sophia is de wijsheid der ziel.

"In het huis mijns Vaders zijn vele woningen." 

Er zijn vele Pistis-velden achtergebleven en zij wachten totdat hun Sophia gereed is om op te stijgen tot haar Tehuis. 

Zoals Henoch duidelijk schrijft: alles is opgetekend in zijn boeken, de boeken der verborgen en zichtbare natuur en niemand ontkomt aan de woorden van zijn hand, noch kan men deze boeken verdelgen, want zij berusten op het woord dat God tot Henoch gesproken heeft, de woorden of de trillingen die in-daalden in de verborgen en de zichtbare schepping en die gelezen kunnen worden door de Man Gods. 

"Bewaar mijn boeken, mijne kinderen, een eert hen."

Het gaat hier niet om stenen tafelen, noch om rollen perkament, het gaat om de levende aanwezigheid van de waarheid binnen de natuur.

"Zij, die boos zijn in hun hart, zullen deze "boeken" niet er-kennen en het juk dat God hen heeft opgelegd willen af-werpen." 

Henoch doelt hier op het "juk" der gevangenschap. 

Niemand zal in opstand moeten komen tegen dat rad van geboorte en dood, tegen de optekeningen binnen de natuur, tegen die voortdurende vormgeving uit de oude atomen, want dit "juk" is een opdracht Gods en slechts de bozen van hart zoeken uitwegen.  

Uitwegen kunnen alle methoden zijn waardoor de mens schijn-baar ontkomt aan de consequenties van zijn stoffelijke existentie, zoals bv. persoonlijkheidssplitsing. 

De mens wil ontsnappen aan de gevolgen van zijn indaling in de stof, en in zijn hart beraamt hij wegen om zichzelf en God te bedriegen. 

Maar de gerechtigheid Gods ligt eveneens binnen de natuur besloten en zo zal ieder mens ontvangen hetgeen hij heeft gezaaid en deze wet der gerechtigheid bestrijkt niet één enkel leven, maar het bestrijkt levens en generaties. 

Uit het geslacht van Henoch, zo leest men, werd één man behoed voor de vloed, Noach, en hij zal een nieuw geslacht stichten, maar van hen zullen er velen onverzadigbaar zijn.  

Het woord "onverzadigbaar" is duidelijk van toepassing op de mensheid van ná de zondvloed. Deze is veel meer op "hebben" gericht dan op "zijn", en de begeerte speelt een leidende rol in het gehele leven. Begeerte maakte de schepping tot een vuilnisbelt en verdoemde velen tot honger en ontberingen. 

Waarlijk, deze tijd is de era van de onverzadigbaren en deze heb-ben de leiding in handen. 

Doch er kan niets geschieden zonder dat de Heer het wil, want al hetgeen geschieden gaat, ligt vast en zelfs zij - de reinen van hart - behoeven niets te vrezen, al is hun leven zwaar en worden zij gehoond. Want de Schepper heeft alles geordend, zelfs voordat het kind in de moederschoot ingaat. 

Is het begrijpelijk dat op zulke woorden de wet van karma kon op-bloeien?

Maar karma is een begrensd begrip, karma is de wet van deze natuur en die wet kan doorbroken worden door de reinheid des harten. 

Een reinheid, een maagdelijkheid waarin Manas, de intelligentie, duidelijk weerklank vindt en zo zal de ziel langs de wetten van deze natuur, omhoog kunnen klimmen tot aan de zevende Hemel en van daaruit de afgrond oversteken naar de achtste Hemel, daar waar Gods schepping, Gods volmaakte sfeer, begint. 

De mens peinst steeds over de geheimenissen van deze natuur, hij spant zijn brein in om de ordening van deze natuur te begrijpen, maar hij zou zich op deze wijze niet behoeven in te spannen indien hij rein werd van hart, maagdelijk werd, de Materia Mater in zijn hart toeliet en zo komt men opnieuw bij die diepzinnige kaart van de Tarot: de Beslissing. 

De mens neemt zijn Maagd, de maagdelijkheid van den beginne tot zich en wordt zo een reine van hart. 

Deze reinheid moet men daarom opvatten als een zondeloosheid; de natuur is zondeloos, een rein mens is zondeloos. 

Iemand, die nooit boze gedachten koestert, zich nimmer tegen de beslissingen Gods keert, altijd zijn geweten en zijn intuïtie raadpleegt, zulk een mens belijdt zijn Maagd. 

Zulk een mens oordeelt zijn naaste niet naar zijn tijdelijke kwaliteiten, want ieder bezit zijn eigen gaven, zegt Henoch, maar de hoogste gave van alles is een rein hart. 

Een rein hart bezit men niet van den beginne, vanaf de geboorte, maar men moet het opnieuw verkrijgen. 

Door de poort des harten komt Manas de mens tegemoet. 

Dan verkrijgt deze: het geloof des harten, d.w.z. een Johanneïsch geloof en dat is het geloof van deze tijd, van de Aquarius-era. 

Het geloof des harten brengt de mens de werken des geestes. 

Er is hier geen sprake van de exaltatie des harten, maar van het geloof des harten, dat zich baseert op de intelligentie, de Manas. 

Het denken des harten moet tot ontwaken komen, want dit kan zijn Maagd belijden, en niemand zal in staat zijn deze maagdelijkheid, deze reinheid te herkennen, zo hij niet uit het denken des harten leeft. 

Men kan in de apocriefe uitspraken lezen hoe Petrus Johannes aanvalt bij het aanzitten van de Heilige Dis en dan zegt Jezus: "Zie niet op hem, maar volg Mij!" 

De Petrus-hiërarchie, zij die hun geloof op stenen bouwen, doet niets anders dan Johannes, het intuïtieve geloof des harten, aanvallen. Want dit geloof blijft vrij, en volgt de intuïtie en laat zich niet begrenzen door voorgeschreven menselijke wetten. 

Henoch spreekt eveneens over wetten, maar dit zijn vanzelf-sprekende geboden: 

zijn naaste respecteren - 

Gode dagelijks eren - 

de hulpbehoevenden terzijde staan. 

Dit zijn regels, die ieder rechtgeaard mens in acht zal houden. 

Wie zou God, waaruit de ziel is uitgegaan, niet willen eren? 

Slechts zij, die zielloos geworden zijn, zullen dit niet vermogen, zoals Henoch dit aanschouwde in de vijfde Hemel, want hun monden kunnen de klank Gods niet meer vertolken. 

Dit zijn de Gregoroï - men kent hun afbeelding - de reuzen met één oog in het voorhoofd, zij die nederdaalden en hun kennis misbruikten om de aarde-mensheid te misleiden. 

Deze Gregoroï zijn halfgoden, maar zij zijn boosaardig, zoals iedere ziel die misbruik maakt van zijn innerlijke kracht een reus kan zijn in het oog van de mensheid, maar een verdoemde zal zijn in het oog des Heren, omdat zijn mond God niet meer op de intuïtieve wijze lofzingt. 

Men kan zeggen, dat de tijd van heden een tijd van Gregoroï geworden is, zij zijn onverzadigbaar en zij zijn door hun begeerte "reuzen" geworden, maar zij zijn niet in staat reinen van hart te zijn, omdat zij geen gevolg geven aan de opdracht Gods: "Eert Mij!" 

Of aan de woorden van Christus: "Zie niet naar hem, maar volg Mij!" 

Deze woorden laten aan duidelijkheid niets te wensen over. 

Christus volgen, God eren, zijn universele, onuitwisbare op-drachten, die nimmer verduisterd of doorbroken kunnen worden door enige andere opdracht. 

Christus volgen onder leiding van Manas, de intuïtie, de intelligentie des harten, God eren door een rein hart. 

Niets is zwaarder dan een reine van hart te worden, want wie doorschouwt de spelonken des harten? 

Zij, die geleerd hebben met de leugen te leven - en dat is ieder mens - zullen radicaal om moeten keren en zo zal die ingrijpende verandering plaatsvinden, waarbij het lood zuiver goud wordt. 

Men noemde de Katharen "les Purs", de Reinen, en tot op de dag van vandaag is het bezit van reinheid de enige werkelijke schat die de mens van dienste kan zijn tot bevrijding van zijn ziel. 

In reinheid ligt alles besloten: de waarheid en de wijsheid, de liefde en de gerechtigheid, en de vrees, die de onreinen kwelt blijft afwezig. 

Welaan dan, de weg ligt voor u, pelgrim, bewandel deze, zo uw hart dit ingeeft!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene