Hoofdstuk 40

"..... en in het gebeente legde ik het geduld."


Het geduld is één van de zwaarste opgaven voor de mens.

Geduld heeft direct te maken met het "dulden", het ondergaan van teisteringen, afwachten totdat de zware periode is voorbijgegaan. 

Geduld is een teken van verdraagzaamheid. 

In een jachtige, zenuwslopende tijd als de huidige, brengt de mens het geduld niet meer op om met zijn medemensen mee te leven, om veel tijd te besteden aan inspanningen, arbeid, schoonheid. 

Het geduld heeft hij verloren, omdat hij volkomen uit zijn evenwicht is gestoten. 

Zijn zeven werkelijkheden hebben hun eigenschap verloren, waardoor mede het geduld niet meer aanwezig is. 

Het geduld is de bodem waarin het spirituele streven, het zoeken, verankerd ligt. 

Zonder geduld bereikt de spirituele mens niets. 

Zonder geduld met zichzelf en met anderen maakt hij nimmer een arbeid af, noch spiritueel, noch materieel. 

Zware opdrachten, zoals die op een smal spiritueel Pad voor-komen, zullen door een ongeduldig mens nimmer verwerkelijkt kunnen worden.

Geduld is noch laksheid, noch luiheid, noch slaafsheid, het is een vorm van opperste acceptatie. 

Geduld kan slechts ten volle uitgedragen worden wanneer het inzicht aanwezig is. 

Zonder inzicht wordt geduld onderdanigheid, of een slaafse gehoorzaamheid, die uiterlijk op geduld lijkt, maar die niets anders is dan gebrek aan individualiteit en initiatief. 

Geduld houdt rekening met eeuwen en eeuwigheid, het ongeduld rekent met een begrensde tijd. 

Het ego wil slagen, zijn werk afmaken, omdat het niet door de beperktheid kan heenzien. 

Geduld en doorzetting gaan hand in hand, zij zijn beide vruchten van een boom der wijsheid en zij kunnen niet zonder elkander bestaan. 

Geduld is niet fanatiek, zij is lijdzaam, verdragend, afwachtend, hopend.

"In het gebeente van de mens ligt het geduld." 

Het gebeente staat onder de regering van Saturnus. Saturnus is de geduldige waker, hij weet dat zijn taak een einde neemt, zodra de ziel de heerschappij in het menselijke wezen overneemt. 

Het geduld is tevens hard, op het geduld stuiten alle aanvallen af en de bestrijder worden de wapens ontnomen. 

Geduld leidt de mens langs een omweg, zo de kortste weg af-gesloten zou zijn, maar het geeft nooit zijn pogingen op. 

De geduldige kandidaat kan de slagen van het leven incasseren, zonder de strijd op te geven en zonder in paniek te geraken. 

Het geduld van zijn gebeente vormt de rust van zijn andere werkelijkheden. 

De rust van het gebeente dat staande blijft, dat wakende is, waarin het merg zijn levensnoodzakelijke functie verricht, is het toevluchtsoord voor de activiteit der andere werkelijkheden. 

Alle werkelijkheden kunnen vermoeid geraken, behalve het ge-duld in het gebeente, want het moet wakende blijven. 

Een ongeduldig mens doorschouwt de gebeurtenissen nooit, zijn denken is te veel in beslag genomen door allerlei indrukken, zijn blik is te vluchtig, zijn bloed is te warm, te opgehitst, zijn gehoor is nooit eenpuntig geconcentreerd en zijn zenuwen zijn te ge-spannen, de ziel heeft zelfs geen kans gekregen om de reuk der goden te extraheren. 

Daar waar het geduld afwezig is daar krijgt een spirituele ontplooiing geen schijn van kans. 

Wanneer de spirituele mens zich geduldig bij de gebeurtenissen zou bepalen, zullen hem dingen opvallen die hem nooit eerder gefrappeerd hebben. 

Geduld is een vorm van moed en een wijze methode tot opbouw. 

Met geduld is nooit vernietiging annex, hoogstens een herstel. 

Hij, die het sterkst is in het uitoefenen van geduld, die is een groot mens, zegt Boeddha. 

Zonder geduld is de mens als een lamp zonder olie, en juist hij die aan een gnostieke weg, een pad van individuele omzetting is begonnen moet weten dat dit geduld de voorwaarde is tot welslagen. 

Men moet de spirituele hunkering gevoelen tot in merg en been, het geduld moet een partner zijn op deze weg tot de hoogten. 

Anders lijken de dalen afgrijselijk diep en de hoogten onneembaar. 

Slechts de geduldige mens doet iedere dag een stap voorwaarts en glimlacht om degenen die hem voorbijrennen vol uitgelaten vreugde, vol overmoedigheid de bergkam opsnellende, want er komt een ogenblik dat zij uitgeput terneder zitten en hun energie, hun moed en hun vreugde bijster zijn geraakt, tranen vergietende om de tegenstanden die zij hebben ontmoet. 

Dan komt de geduldige mens naderbij, stap voor stap, zijn blik onafgebroken op de einde gericht en hij bezit zelfs nog genoeg moed en kracht om de vermoeiden te bemoedigen, omdat hij de tegenstanden geduldig doorleefd heeft, en de moeite nam de problemen op te lossen, nooit een knoop doorsnijdende, daar waar zij losgemaakt kon worden. 

In zijn geduldig verdragen heeft hij veel vernomen, veel door-schouwd, hij zag de waarheid verbleken tot leugen en de leugen bleek waarheid te bevatten en nog gaat hij voort, want het geduld in zijn gebeente was krachtig, hard als een rots, onverzettelijk en vol van de merg der wijsheid. 

De moderne tijd, die het geduld ontkent, die de mens voortjaagt van de ene gedachte naar de andere, die hem de rust niet gunt om tot zichzelf te komen, mist de rotsvaste, spirituele diepte, van vroegere tijden, waarin de tijd - het uur - ondergeschikt was aan de geest. 

Er is een moment voor werken, maar tevens een moment voor overleggen. 

Alles heeft zijn tijd van node, zeven werkelijkheden moeten hun leven hervinden en daarvan is het geduld de basis. 

Men bereikt spiritueel niets zonder deze basis en daarom klaagt de hedendaagse mens zo dikwijls dat hij niet tot een doel komt. 

Hij mist de diepten van het geduld, dat wakende aan de poort der zeven werkelijkheden staat en waaruit zij allen hun activiteit putten. 

Zoals Jezus zeide: "Gij vraagt mij naar het Einde, hoewel gij het Begin nog niet kent!" 

Het ongeduld accepteert de onvolkomenheid van het ego niet, noch wenst het de offeranden te brengen die de omzetting vraagt: het wil resultaat zien, en wel direct. 

Daarom is wijsheid de vrucht van het geduld. 

De onwijze mens bespot de geduldige mens, want de hoogmoed wijst iedere vorm van verdraagzaamheid af. 

Er is een lijden, een offeren dat de adeldom der wijsheid toont, en waarbij slaafsheid volkomen afwezig is. 

Zodra het vlees doordrongen wordt van de klank der opstanding en het bloed de smaak onvergetelijk bezit en de ziel de reuk der offerande reeds bespeurt en de zenuwen trillen door de bezieling des geestes en het oog de uiterlijkheid doorziet en het denken de heerlijkheid ervaart, ligt het geduld in het gebeente als een trouwe, wijze wachter. 

Afwezigheid van geduld is mede te wijten aan gebrek aan weten. 

De mens die weet waar zijn doel ligt, die de betrekkelijkheid van de tijd doorschouwt en die zich een eeuwigheidswezen gevoelt, bezit als automatische toevoeging het geduld. 

Wanneer men aangeraakt wordt door de spiritualiteit valt de haastige spoed van de mens af, gevoelt hij zich niet opgejaagd meer, gevoelt hij plotseling de kracht terugkeren om de beproevingen te verdragen, het geduld overkoepelt hem, omdat hij een blik wierp in de grootsheid der eeuwigheid. 

Hoe lang heeft God, de Geest, reeds geduld met de mens? 

Zijn bouwwerk der eeuwigheid rust op het geduld der eeuwigheid. 

Het is als een enorm vat waarbinnen het raderwerk der schepping zich voltrekt, en de mensheid zondigt, de wetten der Schepper dikwijls negerend, stommiteiten plegende, die onvergeeflijk zouden zijn, indien daar niet dat geduld der eeuwigheid was, die slechts het doel dient. 

Het gebeente draagt, iedere keer opnieuw, een mens, een ego; gedachten, willen, gevoelen woeden in zijn bouwwerk, en het gebeente hoort het aan, gevoelt het, draagt het en keert weder voor de bouw van een volgend menselijk wezen. 

Er is geen einde aan het geduld van het gebeente. 

Het bloed neemt zijn weg, het merg bouwt zijn cellen, er wordt gebeden, gevloekt, geworsteld en gelachen, maar het gebeente blijft zichzelf, het duldt dit alles. 

Saturnus, de waker, wijkt niet, hij hoort de smeekbeden aan, de vervloekingen, de leugens en de preken, maar hij wijkt niet,  hij wacht totdat het juiste ogenblik is gekomen. 

Het gebeente is de laagste werkelijkheid binnen het menselijke stelsel, hoewel het het hoogste is, want zonder zijn geduld is het begin reeds tot mislukken gedoemd. 

Het geduld wordt de metgezel van de ikloze mens, waarin de razernij van de verwachting is uitgewoed. 

Weest geduldig. Leer de moeilijke werken kennen en ervaar dat zij gemakkelijk worden door het geduld. 

Luister met geduld! 

Bezie alles met geduld! 

Verdraag met geduld! 

Onderzoek met geduld! 

Oordeel nooit zonder het geduld te raadplegen! 

Ieder probleem, met geduld beschouwd, zal blijken een poort tot oplossing te bezitten. 

Zit neder en hecht het bouwwerk in de afwachting van het geduld en zie hoe de knoppen der lotus zich ontvouwen en hoe zij zich naar het Licht keren. 

Wacht tot het zaad ontkiemt, bezie het jonge plantje, observeer de jonge loot, bewonder de sterke volwassen boom, zie de bloesem ontluiken en verneem hoe de vruchten groeien. 

Zo is ook het levenspad  van de pelgrim getekend door de zeven stadia van de zeven werkelijkheden Gods. 

Graaf de wortels in, in de aarde van het geduld en keer de blik naar binnen en zie het Leven zich in de mens zich voltrekken. 

Hij léért luisteren - 

hij léért proeven en smaken - 

hij léért zien - 

hij léért gevoelen -

en tenslotte zal de godengeur zich van hem gaan afscheiden en de ziel zal haar bemerken. 

De boom geurt wanneer hij bloesem draagt, de voorbode van de vrucht. 

De mens geurt wanneer hij bloeit, zodra de roos of de lotus zich ontvouwt in zijn hart, waarbij de ziel haar geuren indrinkt. 

Slechts zij, die bloesem dragen en vrucht voortbrengen, geuren en daarvoor is het geduld nodig van het zaad, dat wéét dat het een boom gaat worden. 

Zo de mens waarlijk zou wéten dat zijn zaad de Levensboom en zijn vruchten bevat, zou hij geduld betonen, het geduld dat de beletselen niet telt en dat het onbegrip niet aanrekent, want zijn olie geeft de voeding voor de zevenvoudige lamp, die brandende moet blijven, wil de weg tot de hoogten duidelijk afgetekend zijn in de nacht der onwetendheid. 

Het geduld bewaakt de smarten, de droefheden en de fouten niet, het bewaakt de poort tot de zeven Lichten. 

Het geduld is de eerste en de laatste, men begint met hem en hij is de laatste die zich offert. 

In de apotheose op de berg der versterving vloeien de zeven lichten ineen, en er behoeft geen olie van het geduld meer te zijn, want de Geest van het Vuur heeft deze taak overgenomen. 

Het gebeente, waarbinnen het geduld woont, bezit de graal waarin de heilige olie wordt bewaard, waarvan de geur de ziel verkwikt en waarmede de ingewijde wordt gebalsemd. 

Onderschat en verneder daarom de minste onder de zeven werkelijkheden in de pelgrim niet, want waarlijk hij, die de minste genoemd wordt, is tevens de hoogste.

Het geduld blijve aanwezig opdat de lamp brandende zal blijven, ook in de donkerste nacht! 

Want men kent de ure niet!

Slechts het geduld zal wakende zijn in de kennis!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene