Hoofdstuk 39

"Het gevoel ligt in de zenuwen".


Daar waar spanningen heersen, daar vindt de geest geen toegang.

Spanning vernietigt de spiritualiteit. 

Spanning is nooit een spirituele trilling en ontstaat altijd uit de botsing tussen persoonlijkheden of verschil van mening der persoonlijkheden. 

Zou de geest of de ziel in allen aanwezig zijn, dan bestaat er geen spanning. 

De Geest is één, zij omvat allen die ìn haar wonen. 

De ziel als levend onderdeel van de grote universele Geest zoekt de eenheid.  Niet de dominering door de wil, maar de éénheid van eenzelfde vibratie. 

De onspirituele mens krakeelt over uiterlijke dingen, in de innerlijke dingen vinden zielen elkander, en gaan zij op in de éénheid. 

Eenheid komt nooit van buitenaf, maar altijd van binnenuit, zij is het resultaat van gelijkwaardige zielen. 

Zulk een eenheid gaat niet verloren, al vallen alle uiterlijke wetten weg, zij blijft bestaan. 

Het zenuwgestel verdraagt moeilijk de verdeeldheid, zij is afhankelijk bij haar arbeid van de harmonie der eenheid. 

Een gevoelig, fijnbesnaard zenuwgestel verdraagt eveneens geen dwangmatigheid, dat roept spanning in de desbetreffende mens op. 

Het zenuwgestel zoekt voor de mens de sfeer waar hij thuishoort, zoals dit vooral het geval is bij de zenuwknoop der zonnevlecht. 

Daarom is een ziekte in het zenuwgestel een teken dat de mens tegen zijn aard, of zijn levensstaat handelt. 

Men kan boven zijn levensstaat leven, maar ook onder zijn levensstaat. 

Een goed werkend zenuwgestel brengt dan onrust in deze mens, een ontevredenheid is daarvan het gevolg. 

"Hij gevoelt zich daar niet thuis", zegt men dan. 

Dit heeft niets te maken met het hart, maar wel met de zenuwen, die zulk een mens onrustig maken. 

Men kan zich in een bepaalde sfeer niet ongelukkig gevoelen, omdat men er, qua levensstaat niet thuis hoort. 

Dit is in zowel goede als kwade betekenis waar. 

Wanneer men zich in een bepaalde religieuze sfeer niet thuis gevoelt dan behoort men er niet. 

Of men is eraan ontstegen, of men gevoelt zich geforceerd en wordt dwangmatig boven zijn eigen levensniveau uitgejaagd. 

Een dominerende Meester bewerkt dit bij grote groepen, hij heft de groep boven zijn eigen niveau uit, maar laat hij de groep los dan valt deze uit elkaar. 

Elk individu zoekt instinctmatig de eigen levenssfeer weer op.

Er is dus nooit sprake van een wezenlijke vooruitgang geweest. 

De mens begint weer opnieuw daar waar hij innerlijk is blijven stilstaan. 

Het gevoel der zenuwen dat de mens is ingeschapen, is een innerlijke gave, geen uiterlijk etiket. 

Henoch zegt immers: "en hij gaf hen zeven werkelijkheden."

Zinnen die werkelijk ZIJN! 

Zij behoren bij het werkelijke wezen, de Lichtzoon, de ziel. 

Alles aan ons is onwerkelijk, behalve de zeven gaven, en de innerlijke organen die bij het zielewezen behoren. 

De klank die de mens voortbrengt b.v. via het woord, zou, indien het goed was, voort moeten komen uit het vlees, uit de dienaar die zich aan de ziel ondergeschikt heeft gemaakt. 

De klank die "het gehoor in het vlees" opneemt, zou voortgebracht moeten worden via het keel-chakra. 

Wanneer de mens tot en met doordrongen is van de Klank Gods kan er immers niets anders meer uit hem voortkomen? 

Denkt u zich eens in: een mens die niet meer onbenulligheden verkondigt, die geen scherpe woorden meer rondstrooit, die zijn medemensen niet meer aanvalt, beroddelt en die pas spreekt wanneer hij waarlijk iets te zeggen heeft. 

Iedere klank die de mens uitspreekt zou moeten getuigen van een innerlijke harmonie en zou hij daartegen zondigen, dan zou zijn zenuwgestel dit als een gesel moeten ervaren. 

De zenuwen van de mens accepteren TE veel, omdat zij reeds gedegenereerd zijn. 

Een gevoelig mens (niet emotioneel) ervaart smart en pijn bij het lijden van het levende wezen naast hem. 

Een gevoelig zenuwgestel onderkent het lijden direct, voordat dit uitgesproken wordt. 

Alle zonde tegen Het Leven betekent lijden voor de ziel. 

De enorme smart ten gevolge van de gewelddadige dood van miljoenen schepsels, dieren, mensen en zelfs planten, grijpt het zenuwgestel der mensheid aan, zonder dat zij zich dit wellicht bewust is. 

Omringd door trillingen, levende uit en met trillingen, wordt de mens tevens geslachtofferd door de trillingen van dood en lijden. 

Alle gewelddadigheid verbreekt een trillingsveld, hoewel deze trillingen nog levenskracht bezitten en zij dus niet waarlijk uitgefibreerd zijn. 

Dit brengt spanningen, roept smart op. 

De veelvuldige confrontatie met gewelddadigheid, via televisie, radio, film, tijdschriften en kranten, brengt een explosie van dis-harmonie met zich mede. 

De mensheid wordt overweldigd - letterlijk - door de verbrokenheid, door de geforceerde dood. 

De mens raakt eraan gewend zich te omringen met "een einde", hoewel hij zelfs "het begin" nog niet kent. 

Daar waar het geweld, als levensbeëindiging optreedt, daar is God nooit, want het schepsel wordt belet de vrucht uit het Leven voort te brengen. 

De kans wordt hem ontnomen voordat hij zelfs maar tot inzicht is gekomen, of zelfs maar met de gedachte heeft gespeeld. 

Een "gevoelig" zenuwstelsel ondergaat zulk een roof des levens en lijdt daaronder. 

De oorzaak van ziekten moet altijd gezocht worden in het lijden of het afremmen van de zeven werkelijkheden. 

Zonder deze zeven werkelijkheden bestaat de mens niet, hij vege-teert slechts. Een spiritueel mens gevoelt zich niet gezond indien hij in deze werkelijkheden wordt aangegrepen. 

Hij behoeft zich daarvan nog niet bewust te zijn, maar, zo hij waarlijk wakend spiritueel is, slaat hij daarop acht. 

Wanneer hij wordt gedwongen in een decadente sfeer te leven, zich daarin een tehuis te stichten, gevoelt hij zich ziek worden. 

Het kost hem enorme inspanning om zich blijvend af te sluiten voor disharmonie, ontaarding, het keiharde materialisme waarin hij genoodzaakt is enige uren door te brengen. 

Hij heeft daarna een sfeer van spiritualiteit en harmonie nodig om zich weer te herstellen. 

De menselijke zenuwen, als middelend zintuig, moeten hun harmonie terugvinden en zondigt de mens tegen zulk een noodzaak, dan wordt zijn zenuwgestel onherroepelijk ziek. 

Men zal misschien zeggen: een spiritueel mens verheft zich boven de disharmonie. 

Ja! 

Maar ieder mens is gedwongen in deze maatschappij te leven, hij wordt genoodzaakt aan die maatschappij deel te nemen, op wat voor manier dan ook. 

Daarmede doet hij zijn zeven werkelijkheden geweld aan. 

Een spiritueel mens is nooit een gespleten mens, hij is ego en ziel. 

Twee in één. Een zuiver ego en een zuivere ziel, en via dit ego drukt hij zich in de stof uit. Hij moet zich verlagen om de wereld rondom hem tegemoet te komen. 

Denk er aan:  wij zeggen niet dat deze mens te hoogmoedig is om de wereld of de medemens te ontmoeten. 

Maar al te vaak blijkt helaas dat degene die zegt smart te lijden door een verlaging en een leven met de stof, in werkelijkheid de stof wederom aanbidt zodra zijn Meester hem loslaat. 

Ook Christus doorschreed - alle opzichten - de stof. 

De mens moet door de stof heen om de Geest te hervinden. 

Hij moet Saturnus - het lood, de minste onder allen, omzetten om het geestesgoud te verkrijgen. 

Maar er staat nergens geschreven, noch bewezen dat de mens de stof moet verheffen of aanbidden. 

De maatschappij, de stof, de wereld schrijven de ziel geen wetten voor, maar de ziel schenkt een innerlijke wet aan de stof, zodra deze stof de reinheid, als natuurlijke dochter der Godsnatuur, heeft bereikt. 

De spirituele mens moet denken, handelen, reageren vanuit zijn innerlijk en nooit van buitenaf, door opgelegde wetten. 

Hij bezit principes van binnenuit. Deze principes verraadt hij nooit, indien zij zijn individuele bezit zijn. 

Werden zij hem aangepraat, voorgeschreven, dan komt het ogenblik van de verloochening. 

Petrus verloochende zijn Heer, omdat hij deze Heer innerlijk nog niet bezat. 

Gelijk de kerk zijn Heer loochent door allerlei uiterlijke, dogmatische en kleinzielige wetten, omdat zij de innerlijke Heer der Heren niet kent. 

Wat de mens in het bloed bezit, als de smaak des Geestes, als de reuk der opstanding, als de klank des levens, als het lichtende zicht, en als de fijnbesnaarde gevoeligheid der edele Lichtzonen kan hem nooit ontnomen worden. 

Ook al zou men hem pijnigen en doden. 

Als hij de onomstotelijke waarheid en werkelijkheid hiervan inziet, dan kunnen alle uiterlijke vormen vallen, de tijd kan voorbijgaan, oorlogen kunnen woeden, hij is en blijft degene die hij innerlijk is. 

Hebben de Katharen dit niet bewezen? 

Althans degenen onder hen die daartoe geadeld waren? 

Zij zochten een omweg wanneer de directe weg voor hen af-gesloten werd, maar zij gingen door, onvermoeid, de weg bewandelende die voor hen geopend werd. 

God, de Geest, is onvernietigbaar, daar waar men Hem aantast, bedek, daar keert Hij in een andere gestalte weer terug. 

De waarheid, het licht, is ingedaald met het ontstaan van de wereld en in iedere periode keert het herboren terug, opdat de betreffende mensheidsgolf het zal aangrijpen. 

God heeft geen etiket, maar Hij heeft slechts een innerlijke waarde. 

God is niet rooms, of protestant, of rozekruiser, of kathaar, of mohammedaan, of onverschillig wie! God is universeel, verenigende, eenheid brengende en scheppende. 

God is in zielen. 

God was en is en zal zijn, gelijk de ziel was en is en zal zijn. 

Daar waar deze ziel zich bevindt, daar moet God zijn. 

Indien deze ziel zich in de mens bevindt, dan moet God in hem zijn, onverschillig hoe hij zich noemt of wie hij in dit leven is. 

Hij getuigt door middel van zijn zeven werkelijkheden van zijn innerlijke God, hij draagt daarmede zijn zijnstoestand uit. 

Zijn verdraagzaamheid, zijn gevoeligheid, zijn inzicht, zijn verfijnde gehoor, zijn edele smaak bewijzen hem. 

Ieder mens die één van de zeven werkelijkheden verontreinigt, verontreinigt de God, die hij zegt te dienen. 

Juist de dienst aan deze zeven werkelijkheden is het bewandelen van het smalle pad. 

De weg voor zulk een mens is waarlijk smal en hij kan daarvan niet afwijken, zo hij niet in de afgrond vallen wil. 

Een smal pad wil echter nooit zeggen een fanatiek, dogmatisch, schijnheilig pad.

De weg is smal omdat de verfijnde zeven innerlijke werkelijk-heden tegen zovele dingen in opstand komen. 

Zoals de maag tegen bepaalde voedingsmiddelen in opstand komt, zo komen de zeven werkelijkheden tegen andere feiten in opstand, feiten die men met zijn uiterlijke zintuigen wellicht niet waar-neemt, maar die zij wel waarnemen. 

De intuïtie van de mens waarschuwt hem, zijn geweten ver-oordeelt hem als hij daartegen zondigt. 

Intuïtie en geweten zijn duidelijke spreekbuizen voor deze zeven werkelijkheden. 

En hoe verder de mens op het pad komt, des te gestrenger worden intuïtie en geweten, omdat de zeven werkelijkheden gevoeliger, edeler, of verfijnder worden. 

Het is een wisselwerking! 

Intuïtie en geweten dragen hun kennis via de zeven werkelijk-heden uit en de zeven werkelijkheden geven hun aversie of hun aantasting door. 

Tijdens hun gezamenlijke arbeid kan de ziel groeien, zo zij in harmonie samenwerken. 

Men moet hen als één lichaam beschouwen, een etherisch lichaam met de ziel als motor. 

Een gezond, evenwichtig zenuwgestel kwijt zich van zijn middelende taak en de mens ondervindt daar voordeel van. 

Doorlopende harde geluiden brengen doofheid, zegt de weten-schap. 

Wel, doorlopende spanningen door disharmonie, geweld, grofheid, brengen zenuwziekten, immuniteit voor de spiritualiteit. 

De omgeving van de mens beïnvloedt hem, ook al is hij zich daarvan niet bewust, er zijn zovele trillingen die in hem door-dringen, en die hun afbrekende arbeid in hem doen. 

Daarom is ieder spiritueel mens principieel tegen iedere inbreuk op zijn geestelijke vrijheid,  onverschillig vanuit welke hoek zulk een aantasting komt. 

En hij is principieel tegen alle vorm van geweld, of van vergiftiging, van verslaving en domheidsmacht. 

De zeven werkelijkheden moeten zich vrij kunnen ontplooien en daarvoor kiest de spirituele mens vrijwillig de daarmede harmoniërende omstandigheden uit. 

Want ieder mens is vrij om te kiezen, gevoelt hij dwang, dan is het zijn taak om deze te ontzenuwen. 

Voor alles geldt: waartoe dient mijn leven? 

Als enig antwoord kan de spirituele mens zeggen:

Mijn leven is in dienst van de Geest! 

Dat de mens dit bewijze is zijn enige hoop!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene