Hoofdstuk 37

De reuk zetelt in de ziel en de smaak zetelt in het bloed, zo vertelt Henoch ons. 

Twee merkwaardige constateringen die - oppervlakkig bezien - niets uitstaande schijnen te hebben met de werkelijkheid.

De reuk en de smaak zijn nauw met elkander verbonden, zij schijnen in vroeger tijden één geheel te zijn geweest, gezien het "orgaan van Jacobson" binnen het reukorganisme, dat bij de hedendaagse mens niet meer werkzaam is, doch dat eens het ver-bindingskanaal moet zijn geweest tussen reuk en smaak. 

Ziel en bloed waren eens één geheel. 

De ziel bevindt zich in het bloed zeggen bepaalde leringen. 

Het bloed is een wonderbaar sap, het bezit het glutine, zegt Paracelsus. 

Men spreekt over de bloedsziel, een essentie van erfelijkheidsfactoren die éénzelfde persoon bezitten kunnen. 

Ademhaling, bloed en ziel vormen levensnoodzakelijkheden die afhankelijk van elkander schijnen te zijn. 

Het bloed wordt belevendigd door de ademhaling, de ziel echter ook; een - door allerlei erfelijkheden - gedegenereerd bloed, belemmert de ziel. 

"Het zit hem in het bloed" zegt men, als iemand iets doet dat hij niet laten kan, of als hij kwalijke kenmerken vertoont. 

"Het bloed kruipt waar het niet gaan kan", is ook een zegswijze, waarbij tot uiting komt dat het bloed een onontkoombare en dwingende factor is in een mensenleven. 

In het bloed bevindt zich de materie tot nieuwe levensvorming, waaronder het "glutine" een belangrijke plaats inneemt. 

Zonder de werking van het bloed is geen nieuw leven mogelijk. 

Het bloed moet medewerken aan het leven der ziel; indien het tegenwerkt komt er uit de ziel geen levenskiem voort. 

Bloed en ziel zijn niet van elkander te scheiden, hoewel men dit graag zou willen. 

Zoals de ziel afhankelijk is van de adeldom van een gezond, vol-waardig ego, zo is zij tevens afhankelijk van de adeldom van het bloed. 

De uiterlijke adeldom komt voort uit het "blauwe bloed", een samenvoeging van allerlei erfelijke factoren, maar ziele-adeldom heeft ook te maken met het bloed, met de spirituele erfenis in het bloed. 

De Levieten vormden een geslacht van priesters, omdat zij meen-den dat iedere Leviet de geestelijke erfenis van zijn voorvader overnam. 

Helaas behoeft dat geenszins altijd op te gaan, want de smaak zetelt in het bloed, de smaak die een zeer individuele tekening bezit. 

Zoals het fundament der natuur in vier elementen is te onder-scheiden, zo kent men ook vier smaakgewaarwordingen: zoet - bitter - zuur en zout. 

Het bloed is in staat vier pijlers binnen haar gewaarwording te onderkennen, en dan is er tenslotte die etherische, ongrijpbare vijfde gewaarwording: de smaakloosheid - de neutraliteit. 

Het bloed werd gevormd uit de dauw, zegt Henoch. 

De dauw is het onontbeerlijke hemelse levenssap der natuur. 

Het is helder als kristal en heeft nagenoeg geen smaak, het is onaards. Indien het bloed de geur van de ziel kan proeven, bewijst het ontheven te zijn aan de aardse indrukken. 

Een bloed dat rein is als de dauw wordt voor de mens het hemelse levenssap dat zijn smaak verandert. 

Hij verenigt zich dan niet meer met één der vier normale gewaarwordingen: bitter, zoet, zout of zuur, maar hij wordt neutraal in zijn smaak.

"Over de smaak valt niet te twisten", neen, zij is een zeer persoonlijke, en soms zelfs een zielenkwestie. 

Zij is even persoonlijk als de geur. 

De innerlijke weerstand die men soms ondergaat bij kleuren, klanken en vormen, bij voedingsmiddelen, ontstaat doordat het bloed zich verzet tegen de gewaarwordingen en al deze indrukken komen tot de mens via het zenuwstelsel. 

Het gevoelige zenuwgestel is de verbindende schakel binnen zijn zintuigen, en het verfijnt de smaak, de reuk, het gehoor, het geduld, de schoonheidsgewaarwording, het gezichtsvermogen van de mens. 

Het etherische en het stoffelijke voertuig van de mens zijn met elkander verbonden door het zenuwgestel en dit instrueert zijn zintuigen en omgekeerd. 

Ziekten en aandoeningen van het zenuwgestel veranderen de gewaarwording binnen de zintuigen. 

Soms wordt het bittere zoet, of de voorkeur voor kleuren verandert, muziekgewaarwordingen worden veranderd, heel het organisme heeft te lijden onder de onvolkomenheid van het zenuwstelsel. 

Het bloed bepaalt de smaak van de mens; het bepaalt ook zijn type en het bepaalt de vorderingen van een ziele-ontwaken. 

Maar voor alles is er het gehoor in het vlees, want in den beginne was het Woord, de trilling. 

Het vlees is echter doortrokken van het bloed, het bloed is overal in het lichaam en het brengt de smaak aan de zintuigen over. 

Al de zeven hoofdzonden, die zich eveneens uitdrukken in de persoonlijke smaak, bevinden zich in het bloed. 

Het bloed is de drager van het karakter en het is niet tegen te houden, wanneer het kruipt waar het niet gaan kan of waar de ziel niet wil dat het gaan zou, want zo is het eigenlijk. 

Een gevecht tegen het bloed is even zinloos als een gevecht van ego tegen ego. 

De ziel kan niet vechten tegen het bloed, zij kan slechts afwachten. Men kan zijn smaak niet veranderen, dan slechts door een tijdelijke dwang. 

Maar er zijn levenservaringen die de menselijke smaak ver-anderen, zonder dat hij dit direct beseft. 

De smaak van de mens verandert met de jaren en met de omstandigheden. Onder invloed van depressies, droefheid, of vreugde verandert zijn smaak tijdelijk. 

Het bloed is onderhevig aan veranderingen door de inademing, door de reuk der ziel, en door het zicht der ogen, en door het gehoor van het vlees. 

Hoe men het ook beziet, de zeven werkelijkheden van Henoch kunnen nooit van elkander worden gescheiden, zij vormen één bouwwerk, waarbinnen ego èn ziel een wisselvallig leven leiden. 

Kleuren kan men proeven, kan men gevoelen en kan men horen. Woorden en gedachtebeelden hebben voor velen een bepaalde kleur, waardoor hun anti- of sympathie naar specifieke beelden uitgaat. 

Opvoeding, levenswijze, adviezen kunnen de smaak in het bloed niet veranderen; slechts de bewust doorleefde ervaringen hebben die macht. 

Alles wat het organisme via de zeven werkelijkheden binnen-dringt, heeft invloed op het bloed. 

Zoals de één zich opent voor een bloem, opent de ander zich voor een klank. Het is een bloedskwestie die niet door redeneringen is weg te praten. 

De één gevoelt zich aangetrokken tot helle kleuren, de ander houdt meer van pasteltinten, de derde omringt zich gaarne met ge-mêleerde ondefinieerbare tinten. 

De persoonlijke smaak bouwt de sfeer om het individu heen, een sfeer waarin een ander zich mogelijk niet op zijn gemak kan gevoelen. 

De smaak die in onze tong zetelt is slechts een uitloper van de in het totale bloed aanwezige smaak. 

Dit bloed vertelt hem of hij van zuur dan wel van zoet, van bitter dan wel van zout houdt. 

Iemand, die niet zozeer van zoet houdt, heeft ook een tegenzin tegen "zoete kleuren". 

Kleuren kunnen bitterheid dan wel zoetigheid suggereren, zij lijken zout dan wel zuur. 

In de natuur is het zo geregeld dat de mens de smaakgewaarwordingen: zoet, zuur, bitter en zout in evenredige vermenging in de kleuren tegenkomt. 

De kleur groen b.v. is nooit afstotend, omdat het geen bitterheid verwekt, noch walgelijke zoetheid, noch de scherpe giftigheid van zuren of de harde uitdaging van het zout. 

Velen kunnen bittere ervaringen goed verdragen, doch zij zijn niet bestand tegen de "zoetheid" van een prettige ervaring. 

Sommigen worden nooit "zuur" door zure ervaringen, hoewel zij de pittigheid van de hardheid niet kunnen doorstaan. 

"Heb je het ooit zo zout gegeten?" zegt de mens. En hij bedoelt daarmede dat die gebeurtenis eigenlijk onverteerbaar is voor het ego. 

"De druiven zijn zuur", "dat is een bittere ervaring", "het leven is zoet" en "dat is mij te zout", zijn alle uitdrukkingen die te maken hebben met de smaak van het bloed. 

Wanneer men zijn persoonlijkheid wil veranderen, moet men terdege rekening houden met deze "smaak in het bloed", want de wil kan veel bewerkstelligen, maar hij kan de ingeboren gaven van de zeven werkelijkheden niet teniet doen. 

De onderlinge verhouding van de zeven werkelijkheden typeert ieder ego. 

Daarom zijn er zoveel mensen als er "zinnen" zijn. Daarom hoort ieder iets anders in een bepaald woord en beschouwt ieder op zijn eigen wijze een kleur, en vormt daarnaar een zeer eigen mening. 

De mens is als schepsel een zevenvoudig individuum, maar dat wil niet zeggen dat hij de hoge adeldom van dit oorspronkelijke individuum heeft bewaard. 

Naar zijn eigen "smaak" vermengt hij de bloemensoorten, fokt hij diersoorten, maakt hij van de oorspronkelijke natuur een chaos.

Hij legt zijn individuele bloedskenmerk op ieder scheppingsonderdeel en dwingt zo zijn medemensen mooi of waardevol te vinden hetgeen hij persoonlijk mooi of waardevol vindt. 

De mens zegt wel eens: Wij zijn hier van Godswege geplaatst. 

Dat klopt sinds onheuglijke tijden niet meer. 

Men is nooit in deze chaotische, de naar de eigen smaak van de gevallen Lichtzonen ingerichte wereld, geplaatst, maar de mens zelf heeft zich daarmede omringd. 

Deze huidige wereld is niet meer de oorspronkelijke harmonische natuur, afgesteld op de zeven oorspronkelijke werkelijkheden van het menselijke individu dat de ziel als kern bezat. 

Tegennatuurlijke producten worden dikwijls door velen mooi ge-vonden, en de enkele fijnbesnaarde mens verliest langzamerhand zijn gevoel voor de eerste schoonheid der schepping. 

De mens raakt dikwijls verzadigd, hij zoekt vertier in tegen-natuurlijke experimenten, omdat deze natuur, deze hem om-ringende wereld, hem overweldigen en hem van zijn "zinnen" beroven. 

Heel de hem omringende omgeving is vol van persoonlijke, onvolmaakte scheppingen, voortgebracht door zeer aan zichzelf gebonden scheppers. 

In al deze dingen is God niet meer, dan wel slechts als een verre reflectie. 

God wordt doorlopend door de mens gecorrigeerd, omdat deze betere en schonere dingen wil voortbrengen. 

Het bloed oordeelt deze dingen naar zijn eigen smaak en vindt ìn dit alles God niet. 

De levende ziel gevoelt zich bedrogen door deze menselijke scheppingen en verbindt zich dus niet met de smaak in het bloed. 

Het ego blijft dan alleen achter in het oordelen en proeven en het wordt vermoeid. 

Het ego kent vermoeienissen, de ziel niet, omdat zij met de eeuwigheid rekent. 

De momentele uittocht van de mens naar de rustige natuur, komt voort uit de oververzadiging van de zintuigen:

het vlees is moede geworden van het nutteloos luisteren en het wordt ziek;

het zenuwgestel gevoelt zich gepijnigd door de grove zaken die het moet doorgeven;

het bloed wordt giftig door de afstotende scheppingen die het wordt voorgehouden;

de ziel heeft zich toegesloten, omdat de adem giftige miasmen tot haar brengt;

het gebeente gevoelt zich verzwakt door het najagen van ijdele doelen;

het denken baadt zich in onzaligheid, inplaats van in heerlijkheid;

en de ogen zouden zich het liefste toesluiten voor de lichtloze gewaarwordingen.

De zeven werkelijkheden van de door God geschapen mens bestaan reeds lang niet meer en daardoor is deze mens niet meer degene die hij was, een schepsel dat de Geest Gods in zich om-droeg. 

Indien gij, zoeker naar deze Geest, Hem terug wilt vinden in uzelf, zult gij moeten beantwoorden aan strenge voorwaarden. 

Voorwaarden die de mens, door God zelf, eens werden in-geschapen. 

Er moet in de mens een radicale verandering plaatsvinden, zo hij degene wil worden die hij was, degene naar wie hij hunkert, die hij zoekt en waarvoor hij vele nutteloze dingen volbrengt. 

Slechts die ene verandering ontwijkt hij: zichzelve gebruiken als het altaar waarop de welriekende offerande Gode tot welbehagen wordt. 

"In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God....."

Alle begin ligt in het waarachtige luisteren met al de zinnen, want zodra "het vlees" ingespannen en vol overgave luistert, volgen de andere zinnen vanzelf. 

Tussen de zeven en de negende zenuw - de smaakzenuwen - ligt de achtste zenuw - de gehoorzenuw - die het bloed met de ziel verbindt en daarin de ziele-omzetting bekend maakt. 

De grote revolutionaire omzettingsdaad voltrekt zich inderdaad tussen de zevende, de achtste en de negende trede. 

Allereerst de voorbereiding der zevenheid, dan de verbinding en de omzetting van de achtste fase en tenslotte de opheffing in de hemelse staat, in de negende fase. 

Wederom herkent men hier de coördinatie die men in alle oude leringen tegenkomt en die op alle oude overleveringen van toe-passing is. 

De sleutel tot het grote geheim ligt in die oorspronkelijke zevenheid, die zich moet overgeven aan de daad van de achtvoudigheid, waarna de negenvoudigheid deze werking bekroont. 

Hoezeer de literatuur ook onderling verschilt, uit welk land of van welk volk zij ook komt, altijd weer komt men die overeenstemming tegen. 

Hoe zou men deze dan willen en kunnen ontkennen? 

Weest daarom attent op de ingeschapen gaven en volg hun aan-wijzingen en laat men zich nooit misleiden door hetgeen de mens wordt opgedrongen. 

Tracht te oordelen, te luisteren, te gevoelen, te proeven en te zien met de zintuigen die men daarvoor ontvangen heeft. 

En zie of zij wijzer worden, of zij rijpen en of zij edeler worden. 

Want zo zij veranderen - verandert gij, pelgrim!

1970 - 2018, copyright Henk en Mia Leene