Hoofdstuk 34

"Op de derde dag schiep Ik het paradijs en sloot het af en liet het bewaken door bewapende vurige engelen."


De derde dag is de dag van het paradijs, de sfeer waarbinnen de gevallen Lichtzonen terug kunnen keren, zo zij de geboden Gods op aarde en in de afgrond hebben opgevolgd. 

Het paradijs bevindt zich tussen de werkelijkheid en de onwerkelijkheid, daar waar de gevallen zielen zweven, d.w.z. "tussen hemel en aarde boven de afgrond". 

"Zijn wortels bevinden zich in het paradijs aan de uitgang van de aarde."

Het paradijs is de verbintenis tussen hemel en aarde en zo de gevallen zielen, die rondvliegen, wederom de Steen van den Beginne worden, zal dit paradijs hen tot een hulp worden. 

Zolang echter de hoogmoedige ziel de bliksem Gods niet heeft gereinigd en hersteld, bezit hij niet het recht het paradijs te betreden. 

Voor hem blijft het toegesloten en wordt het bewaakt door bewapende vurige engelen, ongevormde vuurkrachten, een deel van het vuur Gods zijnde. 

Indien de gevallen Lichtzoon de oorspronkelijke blik Gods niet in zichzelve bezit, heeft hij niet de kracht, noch de sleutel om toegang te verkrijgen tot dit paradijs. 

"En zo maakte Ik de vernieuwing, de herhaling der aarde."

De sfeer van het paradijs bevat de vernieuwing der aarde of der materie, de vernieuwing van de steen. 

Hij, die zijn denken richt op dit Paradijs kan de trillingen tot hernieuwing tot zich trekken. 

Het paradijs is geschapen als een genade en een barmhartigheid tegenover de verstoten Lichtzonen. 

Vanuit dit paradijs, dit toegesloten inspirerende krachtveld, komt de adem Gods tot de ziel, die vanuit de afgrond om hulp roept. 

In astronomische volgorde noemt Henoch dan de zeven planeten als heersers van de hemelkringen. 

Aan de hoogste en eerste kring staat Saturnus, Vader Tijd, die de eeuwigheid van het tijdelijke afscheidt. 

De Zon staat in het midden van de zeven kringen, als zijnde het hart en Jupiter staat naast hem, als Vader Ether;

Venus staat tussen Saturnus en Ares, en Mercurius tussen Jupiter en Maan. 

De machtigste kracht der zeven plaatst hij tussen tijd en eeuwigheid, de meest stralende in het midden, opdat allen licht ontvangen en de kleinste, de ontvankelijkste, de Maan, tussen hemel en aarde.

De zon staat in ieder der twaalf dieren en zijzelf volgen de omloop van de Maan.

Op de vierde dag wordt de basis van de schepping gegrondvest: de planeten, de omlopen van zon en maan en sterren, de namen en machten van de dierenriem-tekens en hun instralingen in het heelal. 

Zij zijn alle uit vuur en lucht samengesteld en zij heersen over de aarde en de wateren en de kleinste van hen, de dichtstbijzijnde planeet, de maan, beweegt de wateren binnen hun begrenzing. 

De vijfde dag wordt gebruikt tot schepping van alles wat met het beginsel des levens is bezield, alles wat uit de geschapen bestanddelen leeft. 

Alle dieren, hetzij in de zeeën, hetzij in de luchten, hetzij op de aarde, hetzij uit de vuren behoren tot de schepping, zij zijn een onderdeel van de schepping. 

Zij zijn wezenséén met één der elementen. 

Zij ademen "de geest des levens", zegt Henoch. 

Op de zesde dag gebood Ik mijn Wijsheid mensen te scheppen uit zeven bestanddelen: 

vlees van de aarde - 

bloed uit de dauw - 

ogen uit de zon en uit de afgrond der zee - 

beenderen uit het gesteente - 

zijn gedachten uit de snelheid der engelen (vuur) en uit de 

lucht - 

zijn pezen en haren van het kruid der aarde - 

zijn ziel uit mijn geest en de wind. 

De mens is dus zevenvoudig: behorende tot de zeven hemelen, gedragen door de zeven sferen, levende uit zeven impressies. 

Het vlees is als de aarde, hunkerende, gelijk de aarde, zijn wen-sen gericht op de aardse genoegens; het bloed is als de dauw, een vernieuwing, een reiniging en een ziele-element in zich dragende; het is geschapen om het organisme op te wekken tot leven, het is het levenssap. 

Het bloed is een wonderbaarlijk vocht, het heeft iets van de schepping in zich en het bezit iets van het Vuur Gods. 

Wanneer de wens tot de Verlossing ingedaald is in het bloed, herstelt dit bloed de harmonie in het organisme.

Gelijk de dauw de bloemen en de kruiden herschept. 

De herschepping is afhankelijk van de ziel, die haar Kennis overdraagt in het bloed, in die dauw van het organisme. 

Daarom gebruikt Henoch deze vergelijking. 

Zijn ogen, die men soms de spiegels van de ziel noemt, zijn gelijk water en vuur, de diepten van de wateren en het licht van de zon. 

De ogen kunnen de "dauw der tranen" voortbrengen, zodra het diepste van het hart wordt gewond. 

Een smartelijke ervaring wordt via het bloed naar het hart gevoerd en dit brengt dat bloed- (die dauw) via de ogen naar buiten. 

"Het bloed stolde mij in de aderen" zegt de volksmond bij een verschrikkelijke ervaring. 

En dat betekent niets ander dan dat het bloed, die levens-opwek-kende dauw niet meer in staat is het organisme te doen  herleven. 

Vanuit de ogen komt de sterkste magnetische kracht, omdat zij samengesteld is uit de twee tegenstellingen: het diepste, lichtloze water en het licht van de zon. 

Ogen hebben een aantrekkende en een afstotende kracht. 

Men kan via de ogen mensen tot zich trekken, maar ook mensen afstoten. 

De blik van de mens is een reflectie van de blik Gods, zonder echter het goddelijke zielebeginsel. 

Men kan zijn diepste woelingen in de blik leggen, maar men is niet in staat de goddelijke blik te evenaren, voordat men de Steen der Wijzen is geworden. 

Daarom kunnen vele magiërs werken met hun blik: zij binden mensen aan zich die nog niet in het bezit zijn van de gereinigde blik Gods, die is als de bliksem en sterker dan de zon. 

Slechts zij die deze blik Gods kennen, er enigszins mede ver-bonden zijn, kunnen weerstand bieden aan de blik der magiërs, die werken met de kracht van de zon der persoonlijkheid en het water van de negatieve maankracht, het medium van die zon. 

Zodra echter de bliksem Gods de mens heeft aangegrepen, ar-beidt hij niet meer met de macht van zijn eigen blik. 

De gevallen Lichtzoon, gebonden aan de zeven sferen, gevangen binnen de kring der twaalf dieren, arbeidt met het meest magnetische principe dat hij bezit; zijn blik. 

Uit zijn blik straalt het persoonlijkheids-fluidum, en daarmede tracht hij zijn medemensen te dwingen hen onder zijn macht te brengen. 

De magiër van de Steen der Wijzen bindt niemand aan zich, hij laat de gevallen zielen zelf de afgrond zoeken, hoewel hij hen de plaats der afgrond en de weg tot de Hoogten wijst. 

Deze magiër der wijsheid is niet als de houten wegwijzer, die onbeweeglijk op een kruispunt staat, maar hij is als een lichtpunt dat de mens voorgaat tot in de afgrond, langs de wanden omhoog en tot in de hoogten zelf. 

De dwalenden in het woud moeten zelf de weg vinden, zo zij de weg voor altijd weten willen. 

Men moet hen echter wel het Licht laten zien, als bemoediging, als een altijd aanwezig zijnde hulp. 

Het beendergestel werd gevormd uit gesteente, uit de hardheid van Saturnus, uit water en aarde. 

De gedachten van de mens zijn gelijk de engelen, uit ongevormd vuur, de trillingen van de bliksem in zich bewarende (zo hij in harmonie is met zijn Schepper) en zij zijn gelijk de wolken, waterdamp, voortgedreven door de trillingen der luchten. 

Het bloed is dus dauw: water met het vuurelement des hemels; de ogen zijn vuur en water, de tegenstellingen binnen de schepping; de gedachten zijn vurig en waterig. 

Ziedaar de drie meest belangrijke organen van de mens: bloed, ogen en gedachten. 

De ogen vertellen van de aard van het bloed, en de gedachten brengen deze boodschap tot in de etherische sferen. 

Deze drie onderdelen van de mens zijn zijn getuigenis: zij zullen hem altijd verraden. 

Dat wat het bloed opgenomen heeft, straalt uit de ogen en vervult zijn denken. 

Een oppervlakkig mens kent niet de bezielende werking van de dauw des bloeds, noch straalt zulk een bezieling uit zijn ogen, noch  worden zijn gedachten vervuld door de ziel. 

De gedachten bouwen aan het aurische veld om hem heen en sluiten hem zo op in zijn eigen tehuis,  bestaande uit vuur of licht en uit wolken of nevelige ether-concentraties. 

Het aurisch veld is een evenbeeld van de gedachten: het straalt uit gelijk het licht en absorbeert gelijk de wolken. 

Krachtige, lichtende gedachten maken het aurische veld stralend, gelijk vuur; melancholieke gedachten maken het veld nevelig en bewolkt. 

Er hangen dan wolken voor de zon of het vuur van de aura. 

Gedachten zijn geconcentreerde trillingsvormen, zoals de wolken. 

Mensen wier gedachten her- en derwaarts vlieden worden op-gejaagd, zij kennen geen rust binnen hun aurische veld. 

"Pezen en haren maakte Ik van het kruid der aarde."

Het kruid der aarde heeft een genezende werking, het behoedt de aarde tegen de elementen van vuur en licht. 

De haren en de pezen hebben een beschermende functie in het organisme. 

Het moet de mens behoeden tegen de drift, de bezetenheid van het lichaam en tegen de hartstocht, de bezetenheid van het hart. 

Een drift, hetzij geuit door het lichaam, hetzij geuit door het denken, passeert de zenuwen en de haren. 

De haren hebben een ontvangende en een uitstralende functie, die de mens kunnen beschermen. 

De aura rond het hoofd wordt mede in stand gehouden door de haren, het "genezende kruid" van de mens. 

De disharmonie in het organisme van de hedendaagse mens ontnam hem tevens de genezing van deze kruiden: de "pezen en de haren". 

Overmatige drift of hartstocht lijdt tot ziekten van het zenuwstelsel en iedere depressie is af te lezen uit de haren. 

De levensimpulsen worden mede geleid door de haren; sommige kappers kunnen ziekten van het organisme aflezen uit de haren.

De ziel, die God de mens gaf was van "Zijn Geest en van de Wind". 

Deze ziel is niet "als de bliksem", maar zij is uit Gods Geest en uit de Wind. 

Zij is het onaardse, bezielende element in de mens dat ongebonden is, zoals de wind her- en derwaarts jagende en niet eeuwig gevangen genomen door de gevangenis van het lichaam. 

Met deze ziel beluistert hij de Geest Gods, maar zij is niet sterker dan de zon, gekomen uit steen, voortgebracht uit Chronos en gedragen door de bliksem van Mercurius. 

Al het geschapene ademt de geest des levens. maar de mens bezit een ziel, die een deel is van de Geest Gods en de wind. 

Hij is opgenomen in de Geest Gods d.w.z. besloten binnen het geestelijke veld Gods en daarin is hij geborgen, beschermd, maar hij is géén Zoon des Lichts, een Zoon van het Vuur - lichtender dan de Zon. 

De blik Gods waarbinnen de hoogste vereniging der twee tegengestelden, positief en negatief, aanwezig is, schept de vurige krachten, die hij engelen, Lichtzonen noemt. 

De wezens der aarde zijn deel van hem, gelijk geheel de schep-ping in diverse gradaties deel van hem is. 

Daarom is deze mens van de aarde nooit vervloekt, omdat hij onkundig is, hij bezit de scheppingskracht Gods niet. 

Deze scheppende blik Gods is de Lichtzoon tot een oordeel ge-worden, maar zal hem tevens kunnen doen terugkeren tot de hoogten, waaruit hij verstoten werd. 

De aarde-mens is niet uit de hoogten gekomen, zij is één met de aarde. 

De Geest Gods werd geïnjecteerd en de wind verwaait deze, maakt hem vluchtig. 

Daarom is de verstoten Lichtzoon tegelijkertijd een vervloekte en een begenadigde. 

Deze beide werkingen verscheuren hem. 

Hij ervaart de vervloeking en daarom gooit hij zich op een religie, en wordt hij de slaaf van de magiërs met de hypnotische blik of het persoonlijke fluïdum, doch tevens ervaart hij zijn uitverkorenheid en dan beklimt hij weer de hoogten van de hoogmoed, omdat hij zich een uitverkorene, een god waant. 

En toch, blijft hij bevestigd boven de afgrond, zoals God het heeft bevolen. 

De mens kan, zo hij werkelijk de eenvoud van de verlossingsweg inziet, niets anders doen dan beginnen bij het simpele begin.

Het worden tot de steen, de sterke harmonie, de vastheid van Saturnus, en zich richten tot de hemelen vanuit de deemoed van zijn eenvoudige materie, dan zal het Licht der Lichten Zijn aan-gezicht tot hem keren en Zijn bliksem tot hem zenden, opdat hij zich zal oprichten als degene die hij was voordat de aarde tot aanschijn kwam. 

Zo staat het geschreven in Henoch, één der oudste boeken ter wereld en daarom dichter bij de bron staande dan iedere moderne versie van de intellectuele onderzoekers. 

Om de waarheid te vinden moet men tot de Boom des Levens gaan en onderzoeken of de Heer daar binnengaat. 

Het Henoch-boek is één van de vruchten van die Boom des Levens en zijn woord is Levend, zoals zijn oorsprong. 

Hij, die het leest en beluistert, ervare het.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene