Hoofdstuk 30

"En de mannen gingen weg van mij en voortaan zag ik ze niet.

Ik bleef alleen aan het einde van de hemelen."


Aan het einde der hemelen, op het kruispunt tussen God en zijn Schepping, daar waar de ademtocht Gods zijn universum binnen-treedt bleef Henoch alleen. 

Ook Christiaan Rosencreutz bleef alleen, voordat hij voor het aangezicht des Heren moest verschijnen. 

In zulk een moment wordt de kandidaat innerlijk omgewoeld, al zijn handelingen trekken langs hem heen en hij spreekt, gelijk Henoch:

"Wee mij, wat heeft mij getroffen!" 

Toen zond de Heer zijn aartsengel Gabriël, één van zijn heerlijken en deze bracht Henoch tot over het kruispunt heen. 

Gabriël wordt in de universele Leer gezien als een afgezant van de Maan, de hogere Verbeelding. 

De kandidaat die de Geestzon weerspiegelt is als een Gabriël, een boodschapper, een getuige Gods. 

In dit rijk van de zevende Hemel, heerst Gabriël, de hoge Verbeelding, de intelligentie des harten, die het denken doorlicht. 

Gabriël voert Henoch in zijn hoge Verbeelding tot over de grens heen en plaatst hem voor het aangezicht des Heren. 

De hoge Verbeelding, de inspiratie vanuit de Geestzon voert de mens over de afgrond tussen het uiterlijke zijn en het innerlijke zijn héén. 

Hij gaat dan onder geleide van Gabriël, de man Gods of de engel Gods, die de verborgenheden kent.

De hoge Verbeelding kent alle geheimenissen, niettegenstaande de mens zelf daar nog geen binding mede bezit. 

In deze zevende Hemel wonen de zeven Heerlijken of zeven Krachten, ook wel genoemd als de zeven Engelen. 

Zij bewegen zich doorlopend ìn en uit deze hemelen en voeren de etherische trillingen Gods aan.

Zij bezitten allen hun taak, hoewel zij allen beladen zijn met goddelijke kracht.  

In de zevende Hemel vindt men de heilige essenties van de zeven bewakers der schepping. 

De planeten bevatten een tweeledige trilling, hun heilige oer-essentia bezitten één frequentie: de allerhoogste, volmaakte trilling, het Zout des Hemels. 

Op de stem van Gabriël schrikt Henoch en zegt: 

"Roep de mannen terug, die mij tot deze plaats geleid hebben, ik vertrouwde hen en met hen wil ik voor het aangezicht des Heren treden." 

Dit is de reactie van de worstelende ziel. 

Ik durf niet alléén het "grote onbekende" tegemoet te gaan, ik ben bang. 

Typisch de reactie van iemand die een grens passeert op basis van zijn ziel.

"Mijn ziel is uit mij heengegaan door angst", zegt hij. 

De mens gevoelt zich nietig, slechts gedragen door een "kleine kracht" en alle moed verlaat hem. 

In het Alchemisch Huwelijk leest men dezelfde reactie op het beslissende moment.

Wat ben ik begonnen? Hier sta ik voor de afgrond van het onbekende en er is mij niets meer gebleven. 

Dat is de radeloosheid van het ego-verstand, dat zich niet verder kan bewegen dan langs de grens van de zevende Hemel en dan "rukt Gabriël Henoch weg en plaatste hem voor het aangezicht des Heren." 

In een flits, een intense bewogenheid van de hoge Verbeelding wordt de kandidaat uit de begrenzing gerukt en voor de werkelijkheid van de Oerbron of de Schepper geplaatst. 

Hij heeft geen tijd meer om zijn verstand in te schakelen, alles gebeurt in een oogwenk, op aanstichting van zijn hoge Verbeelding, die de hitte, de alchemische brand, opvoert. 

In die aangrijpende hitte ver-ast het verstand, de oude rede, en zo staat de kandidaat oog in oog, hart tegenover hart met den Heer, het Oerhart des Levens. 

Het schouwspel is overweldigend: vreesaanjagend en toch wonderbaarlijk. 

Hij zetelt op een niet door handen gemaakte troon: hij bevindt zich in het middelpunt van de lichtende volmaakte trilling, die is als een vuur en een licht tegelijk, omringende den Heer, Hem dragende, Hem verlichtende. 

Henoch moet in eeuwigheid voor het aangezicht des Heren staan, zo zegt Gabriël en zo zegt de Heer. 

Hetgeen niets anders wil zeggen dat Henoch, de uit de ziel levende mens, eeuwig in binding moet blijven met de trilling van de Schepper. 

Hij moet blijven leven uit het Zout des Hemels, daar slechts deze trilling de eeuwigheid bevestigt in de tijd. 

Nu verheft Michaël, de aartsstrateeg, Henoch, en plaatst hem opnieuw voor den Heer.

Michaël is de Zoon der Zon, in alle oude leringen is hij degene, die de draak verslaat, die optrekt tegen het kwade, hij is de vertegenwoordiger van het strijdende Vuur, dat alle onreinheid doodt. 

Michaël als het oer-principe van de geest, die de ziel bevrucht, neemt nu Henoch bij de hand en in dit ogenblik wordt Henoch zich bewust van zijn hoge Verbeelding. 

Zijn intelligentie ontwaakt in de Rede, en hij kan de Heer ver-staan door de woorden "uit Zijn eigen Mond". 

Ziedaar het ontwaakte bewustzijn. Henoch herkent het Woord des Heren, omdat hij in dezelfde trilling verblijft, via zijn hoofd en zijn hart. 

Zodra hij één is met deze hemelse Trilling, wordt hij ontkleed van de aardse klederen, hij wordt één, die deelneemt aan een ander Levensveld. 

Indien de kandidaat dit hemelse Zout heeft ontvangen en er mede arbeiden kan, verlaat hij, in verbeelding en rede, zijn aardse klederen. 

De olie van het hernieuwde Verbond, als een Inwijding in het Hoofdheiligd, wordt Henoch geschonken. 

Die olie is als de goede dauw en tegelijkertijd als een Licht en haar geur is als mirre. 

Mirre is legendarisch de plant der tranen, de tranen der ziel, de zoute druppels van een ontwakend gemoed. 

Mirre was in de Joodse en Kabbalistische leringen een heilige plant, wanneer iemand ingewijd werd parfumeerde hem met mirre, hij werd symbolisch gekleed in de plant der tranen, van het berouw en het nieuwe Begin. 

Zowel de symboliek van de dauw als van de mirre wijzen op het nieuwe Begin, op het binnengaan in de eerste Dag des Heren, de achtste dag. 

Deze symbolische dauw vangt de stralen van de zon op, zij glanst als stralen van de zon. 

Is er een sterkere verbinding mogelijk?  

De dauw absorbeert de zon en weerkaatst deze, zo wordt het verbond der eeuwigheid bezegeld. 

Uit deze verbinding groeit de wijsheid, waarvan de engel Vrevoel de vertegenwoordiger is en via deze essentie ontvangt Henoch de kracht van de wijsheid, waardoor de Boeken geschreven kunnen worden. 

Iedere kandidaat die direct in binding blijft met de trilling des geestes ontwaakt in de tuin der Wijzen. 

Ook de boeken van Vrevoel bestaan uit mirre. 

Mirre, de spiegelende tranen der ziel, de zuivere weerkaatsende materia, waarin de wijsheid opgetast ligt en die is als een boek der geheimenissen der Natuur. 

Iemand, die dit boek uit mirre bezit, kent - van binnenuit - de diepste geheimen, hem blijft niets verborgen. 

Vrevoel vertelt Henoch gedurende dertig dagen en dertig nachten over deze wijsheid. 

In deze spanne des tijds is Henoch zielvolwassen geworden, want drie is het getal der geboorte, de één schept de twee en baren  samen de drie. 

Drie is het getal der wijsheid, in het getal dertig is het verbonden met de cirkel der eeuwigheid. 

Gabriël en Michaël, zon en maan brengen Vrevoel, de wijsheid voort. 

Nadat Henoch de wijsheid overgedragen krijgt, is hij gereed om heen te gaan en zijn taak in de wereld te beginnen. 

Want de wijsheid, die ook wel de Heilige Geest wordt genoemd, is de trilling die de schepping beroert, als vertegenwoordiger van den Absolute. 

Wijsheid is de vrucht van de wedergeboorte, wijsheid verschijnt nà de kruisiging en de opstanding. 

Men kan dit in een lagere vorm herkennen in de ervaringen des levens. 

Levenservaring kan wijsheid schenken, een mildheid en een wéten die van binnenuit komt, een voltooid ervaringsweten. 

Iemand, die de stap over de afgrond tussen de zevende en de achtste dag heeft volbracht, bezit de wijsheid, die de diepste afgrond doorschouwt. 

Geen enkele ervaring is gelijk aan deze overgang tussen de zevende Hemel en de eerste Dag des Heren. Slechts zij, die deze belevenis kennen, kunnen het Boek der Boeken openen, als zijnde hun individuele Woord der Eeuwigheid. 

Zij zijn dan blijvend voor het aangezicht des Heren  geplaatst, gelijk Henoch, hij verliest de intensiteit van dit aangezicht nooit uit zijn eigen ziel en zo neemt hij de eeuwigheid mede in de tijd. 

In dit Boek der Zielen schrijft hij alle zielen, die wàren voordat de wereld tot aanschijn kwam. 

Hij tekent er alle gevallen zielen in op, en allen, die niet gevallen zijn, maar leven in de hemel d.w.z hij wordt één met zijn broeders die van de hemel zijn en één met zijn broeders die op de aarde zijn. 

Dit is het verbond van een zielengemeenschap, een eenheid die slechts uit een vibratie-sleutel bestaat. 

Zulk een eenheid kan men niet forceren, men kan daarvoor geen wetten in het leven roepen, zij luistert  naar een herkenningsroep en baseert zich op een aantrekkingskracht. 

Henoch schreef 366 boeken. 

Kabbalistisch is dit gelijk aan het getal 15, het getal van de omzetting in de materie, het gevormde dat de drempel vormt tussen het Zijn en het Niet-Zijn. 

Henochs boeken zullen een getuigenis worden, zo men hen echter naar hun uiterlijke vorm neemt, worden zij de wachter die niemand doorlaat. 

Overwint men hun uiterlijke vorm, hun symbolentaal en nadert men hen via de trillingen der ziel, waaruit zij ontstaan zijn, dan opent zich de poort en de kandidaat ziet de waarheid. 

Henoch benaderde de waarheid via de symbolentaal, hij hanteerde kabbalistische namen en getallen, omdat hij de verborgen taal aan de mensheid wilde overdragen. 

De verborgen taal is als het hemelse zout, een verborgen vuur, een leven schenkende trilling die echter degene, die hem benadert, ver-ast, hetzij tot een val, hetzij tot een opstanding. 

Het Geestvuur naderen, is het oordeel over zichzelf uitroepen en daarom zijn velen bang. 

De angst komt voort uit de innerlijke leegte of de onwaarachtigheid. Het gevaar des vuurs is slechts dààr waar de spitum lanficummakers hun wil uitdragen. 

De reine zielen, de onbewuste en onwetende zielen ondergaan het oordeel des vuurs niet, omdat zij niet weten! 

Slechts zij, die wéten wacht het harde oordeel!  

De Heilige Taal en de vele uitspraken in de universele leringen laten daarover geen twijfel bestaan. 

Henoch overkomt niets, want hij is rein, oprecht, een ontvankelijke ziel. 

Daarom klinkt het verschillende malen: Vreest niet! 

Zoals ook Gabriël tot Maria zei: Vreest niet! 

Waarom beginnen al deze optekeningen toch met de woorden: "Vreest niet"? 

De mens, die zich overgeeft aan zijn "kleine kracht", kent de machteloze vrees, omdat hij zijn eigen kleinheid beseft en nog niet voldoende ziele-adel bezit om de grootsheid van deze kleinheid in te zien. 

Vrees is het begin van het Pad, het is de stimulans des levens, het is de laatste aanwezige, voordat de beslissende stap tussen het uiterlijke zijn en het innerlijke Zijn genomen wordt. 

Vrees is de enige belemmerende trilling, die weggenomen behoeft te worden, zo de mens waarlijk ziende zou willen zijn. 

Alle handelingen beginnen met vrees of het loochenen van vrees. 

Men vecht tegen de vrees. 

Daarom is het eerste dat de Afgezant des Heren doet: de vrees wegnemen. 

Vrees ondermijnt de werkingen van het hemelse zout of de geestelijke trilling. 

Zo men hulp vraagt aan den Heer, is deze bede vermengd met vrees. 

Men geeft zich over in geloof en vertrouwen, omdat men anders overmand wordt door de vrees. 

Hij, die vreest is blind. 

Henoch werpt zich ter aarde, omdat zijn vrees hem verblindt en het aangezicht des Heren niet durft te schouwen. 

Tussen hem en de Geest staat de vrees. 

Men moet hierover eens nadenken!

Tussen de mens en de heiliging staat de angst, in al zijn verschijningen. 

Wij zeggen u: Vreest niet!

Op het moment dat men niet meer vreest, wordt men weggerukt uit zijn benauwenissen, uit zijn begrenzingen - en ZIET men het Aangezicht des Heren! 

Realiseer dat - en ontvang de wijsheid!

1970 - 2024, copyright Henk en Mia Leene