Hoofdstuk 3

"In de eerste maand, op de daarvoor vastgestelde dag, de eerste dag van de eerste maand, was ik, Henoch, alleen in mijn huis en rustte ik slapend op mijn bed. En als ik sliep, kwam een groot leed in mij op in mijn hart en in mijn slaap weende ik met mijn ogen en ik kon niet begrijpen wat er gebeurde. 

Wat is dat voor een groot leed? Wat gebeurde er met mij?

Toen verschenen twee zeer grote mannen voor mij, die ik nog nooit op aarde gezien had. En hun aangezichten waren lichtend gelijk de zon, en hun ogen gelijk brandende fakkels en uit hun mond kwam vuur. 

Hun kleding was zeer bijzonder en geleek op veren, onderling verschillend, hun voeten waren purper en hun vleugels lichtend als goud en hun armen witter dan sneeuw. 

En zij stonden aan het hoofdeinde van mijn bed en riepen mij bij mijn naam. 

Ik ontwaakte uit mijn slaap en zag de mannen duidelijk voor mij staan........ 

Toen ik met mijn zonen gesproken had, riepen de mannen mij en namen mij op hun vleugels en droegen mij omhoog tot in de eerste hemel 

En zij brachten mij boven de wolken en zie, zij gingen weg......"


Henoch, de man Gods, spreekt in zijn geschriften over de zeven hemelen of sferen waaruit het universum zou zijn opgebouwd, zeven sferen voortgebracht in "zeven dagen". 

Dagen, die een tijdslimiet hebben, waarvan een mensenverstand geen notie heeft. Iedere in de chaos neerdalende ziel reist door zeven sferen en moet - weder opstijgende - eveneens deze sferen doorreizen. 

Onze aarde behoort tot deze zevenvoudigheid, waarbuiten God, de Schepper, heerst op Zijn troon, een troon des Lichts, niet te aanschouwen door mensenogen. 

Over elk van deze zeven sferen heerst een bewaker, een "engel", die eigenlijk de concentratie van zijn sfeer is. 

Ieder van deze engelen begeleidt de ziel, die op doorreis is door hun sfeer. Zo kunnen we het lezen in de woorden van Henoch. 

In de menselijke schepselen vinden we een reflectie van elk van deze zeven hemelen, zo de zevenvoudige mens vormende, geschapen naar het evenbeeld der goden of Elohim. 

In de gehele schepping kunnen we de zevenvoudige weerkaatsing van de door Henoch beschreven sferen herkennen; in al de vier natuurrijken hebben zij hun vertegenwoordigers: de zeven me-talen, de zeven Arcana van Paracelsus in het plantenrijk, de zeven toonaangevende rassen der dieren, de zeven mensentypen, de zeven planeten en dan nog de onderverdelingen van deze zevenheid, zoals zij in al de vier rijken zijn te onderscheiden. 

In de zevenvoudigheid ligt besloten de tweelingkracht der tegengestelden: positief en negatief, yin en yang, licht en duister, enz. 

Tot aan het moment van de "indaling van de engelen of Licht-wezens" is er een vredige en evenwichtige wisselwerking gaande tussen deze beide tweelingkrachten; er is geen werkelijk kwaad noch absoluut goed, er is slechts licht en duister, twee blinde natuurkrachten, die hun macht afwisselen. 

Dan brengen deze Lichtwezens hun hemelse kennis aan de aarde-mensen tegen het verbod van hun hemelse Vader in, en maken zo een derde kracht vrij: de tweelingkracht der hemelen: Lucifer - Christus, Azazel - Sannhasai, Saturnus - Zon, en onder welke naam zij nog meer in de geschriften voorkomen. 

Een tweelingkracht, die eigenlijk één is.

Een dubbelkracht die zich, door de indaling in de chaos, splitste in een Luciferische en een Christuskracht, in een Pistis en een Sophia. Een tweeling, die niet afgescheiden van zijn tegenpool leven kan.

Beide zijn uit licht geboren, kunnen slechts door middel van het licht terugkeren. De ene kracht "valt", Lucifer, ook wel de negatieve zijde van het licht genoemd, de andere "redt hem door zijn offer", Christus, ook wel de positieve zijde van het licht genoemd. 

Deze mythische overlevering van de val van de innerlijke mens of de geest-ziel, herkennen we in de spraak van de oude wijzen, in de volksvertellingen van de natuurvolkeren, in de esoterische taal van de Oosterse en Westerse geheime leringen, kortom, het is een universeel gegeven, waarvan ook brokstukken bewaard zijn ge-bleven in het Boek Henoch. 

Henoch noemt Lucifer, de gevallene, een "grootvorst van de zon, een gevallen lichtvorst". 

De Hollandse benaming van het zwavelstokje is "lucifer", een goede echo uit een vergeten verleden. 

Lucifer en Christus, evenals al die andere tweelingen uit de mythen, wisselen hun krachten uit, Lucifer is weerspannig, wil niet terug, meet zijn krachten met hun beider Vader: God of Het Licht, en doet alle mogelijke moeite hier op aarde een tehuis te bouwen, zoals hij in het rijk rond zijn Vader bezat. 

Door zijn inspanningen dreigt de schepping vernietigd te worden, door zijn arrogantie en betweterigheid eerbiedigt hij de levens-kracht van deze schepping niet en speelt met waarden die hem en alle scheppingen tot een gevaar kunnen worden. 

Daarom worden er, van bovenaf, van tijd tot tijd "correcties" uit-gevoerd, die de onwetenden verbijsteren, maar die de wetenden herkennen en rechtvaardigen. 

"Op de eerste dag, in de eerste maand op de bestemde dag, de eerste dag van de maand", lezen we in het Boek Henoch, wordt Henoch door een groot leed beroerd. 

We kunnen dit ook als volgt lezen:

"Op het moment dat het hemelse het aardse benaderde, werd Henoch, de man Gods, zich bewust van het leed dat door de hemelsen op aarde was geschied. En hij was wenend met zijn ogen en leed was in zijn hart." 

Een onaardse ontroering grijpt deze mens Gods aan, een leed dat zijn hart niet bevatten kan, een openbaring van wat er werkelijk is geschied plaatst hem buiten zichzelf. 

Hij begrijpt de gehele omvang van de catastrofe, doordat hemel en aarde zich in hem verenigen als een wetende ziel en een rein natuurlijk organisme, die de zielereflecties aan zijn aardse wezen doorgeven. 

Door zijn mond verneemt zijn omgeving en de na hem komende generaties wat er werkelijk is gebeurd, mits ze oren hebben om te horen en ogen om te zien. 

Dit is het begin van een openbarend getuigenis: hemel en aarde moeten zich in zulk een mens verenigen, zoals de hemelse leringen zich, door middel van de Lichtzonen, in tweevoud openbaarden: de abstracte Kennis van de hemelen en de concrete kennis van de aarde. 

Om die oerkennis te begrijpen moet ook de mens tweevoudig zijn: hemel - aarde, esoterisch - exoterisch. 

Daarom spreekt Henoch tot degenen die van zijn "ras" zijn of die tot zijn familie behoren. 

In opperste ontroering vraagt hij zichzelf af: "Wat is dit voor een leed, wat zal mij overkomen." 

Het is een tevoren nooit gekend leed, een trilling die vernietiging medebrengt, en plant zich voort door elk natuurlijk organisme en grijpt zelfs het "hemelse" in de schepselen aan. 

Dan verschijnen er etherische gestalten voor hem in prachtige kleurschakeringen en hun ogen lichten als vuur en zij staan aan het hoofdeinde van Henochs bed. 

Zij staan aan het "hoofdeinde", omdat Henoch in dat moment ziet met zijn "derde oog", zijn kruin is het verbindingspunt tussen de verschijningen en zichzelf. 

Deze verschijningen worden onder diverse benamingen genoemd: grote mannen, omdat een etherisch wezen zich onbegrensd kan uitdijen, engelen, omdat zij zich ongeremd tot in de hoogste hemelen kunnen voortbewegen, vandaar dat engelen altijd met "vleugels" worden getekend. 

Deze "mannen" zijn wezens uit één van de door Henoch ge-noemde hemelen. 

De zon bezit een zevenvoudig licht, waarvan elk licht één der z.g. hemelen bestrijkt, zoals dit licht eveneens wordt verdeeld over de zeven planeten. 

Onze zon bundelt de zeven concentraties uit de zeven hemelen, die onze schepping omspannen. 

De hemel, die het dichtste bij ons levensveld ligt wordt de Eerste Hemel genoemd. 

Het is de sfeer, die direct bij onze biosfeer aansluit en waarin zich het levensbeginsel bevindt van onze zevenvoudige schepping. 

Het is de levensessentie, waaruit de aarde en de zichtbare hemel zijn opgebouwd. 

Deze Eerste Hemel is een etherische substantie, als een zee, een waterachtige substantie, waarbinnen zich de levenskiemen ontwikkelen. 

Deze arbeid binnen de Eerste Hemel, die tot de essentie van het leven voert, wordt geleid door 200 engelen. 

Het getal 200 komt in het Henochboek veel voor, het is een samentrekken van groeikracht, de wisselwerking der tweevoudigheid en de beide nullen als eeuwigheid, de schoot van de oer-moeder.

Tweehonderd etherische wezens of krachten behoeden het levens-beginsel van het universum en behoeden hen, die ronddraaien, opdat zij hun banen niet zullen verlaten. 

Etherische wezens zijn als elektromagnetische kracht-concentraties, die het zevenvoudige universum vergrendeld houden, een magische kring trekkende rond het magnetische veld van ieder zonnestelsel, opdat het leven daarbinnen bewaard zal blijven.

Henoch spreekt over "verschrikkelijke bewaarplaatsen" en dat verwijst naar magnetische velden, die door een immense kracht binnen hun begrenzing worden gehouden en dit zal slechts mogelijk zijn wanneer de "engelen" verschillende gradaties van elektromagnetisme bezitten. 

De afscheiding van de zeven hemelen onderling ligt dan ook in het trillings onderscheid van de zeven energievelden. 

In de eerste Hemel bevindt zich een concentratie van het aardmagnetisme, een door de mens gekend levensbeginsel, doch dat hij niet kan beheersen. 

De hedendaagse ontdekkingen met betrekking tot dit aard-magnetisme beginnen pas iets van de sluier op te lichten, die over dit natuurgeheimenis gevallen is. 

Het aardmagnetisme is een gezamenlijke levensdrijfveer van de natuurlijke scheppingen, een kracht waaruit het instinkt en die wonderbaarlijk harmonische wetten der insecten werden op-gebouwd en die in iedere schepping zijn ingeschapen. 

Iedere schepping, die niet meer aan die wetten gehoorzaamt, heeft het geheim van de eerste Hemel vergeten. 

Een herinnering die mede wordt verdreven door een tegennatuurlijk leven, een zich afscheiden van alle wisselwerking tussen de schepselen onderling, van hoog tot laag, en een halsstarrig weerstreven tegen of vervloeken van de biologische wetten. 

Moge de huidige mens dit tot een lering worden, want zijn natuurlijke existentie hangt af van zijn binding met de Eerste Hemel en indien we niet in harmonie kunnen zijn met de natuur, hoe zullen we het dan zijn met zijn Schepper?

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene