Hoofdstuk 24

"......en toen namen deze mannen mij mede, en brachten mij op hun vleugels tot in de vijfde Hemel. 

En ik zag daar vele en ontelbare legerscharen, Gregoroi, genaamd.

En hun voorkomen was als het voorkomen van mensen, en hun grootsheid was meer dan grote Giganten (reuzen); en hun gelaat donker en hun monden zwegen voortdurend; en er was geen dienst aan God in de vijfde Hemel."


De vijfde Hemel bevat het grote mysterie van de zondeval, nl. het is de verblijfplaats van die "engelen" die de leiding van de neder-daling op zich hebben genomen, de groten onder de groten, degenen die met kennis beladen zijn. 

Daarom geldt in de getallenleer het getal vijf als het "gulden" getal: men kan hier beschikken over magische kracht (de hogepriester uit de Tarot) en men kan daarmede heil dan wel onheil brengen. 

De gevangenen in deze vijfde Hemel zijn "geketend" niet door zichtbare ketenen, maar door hun vergrijp, dat zij uit vrije wil begingen en slechts via deze vrije wil kunnen zij zich opnieuw onderwerpen aan de Heer der Heirscharen. 

Hun mond is echter stom, hun gelaat duister. Via de mond looft men, dan wel veracht men. 

De tong is de "stift" van het hart, de "pen" waarmede het hart zijn gedachten opschrijft en waarmede het te kennen geeft waar zijn interessen liggen. 

Een zwijgende mond, vergezeld van een duister gelaat getuigt van lichtloosheid. 

En daar waar het licht afwezig is wordt het geweerd. 

Het licht schijnt overal, slechts niet daar waar de duisternis het niet heeft "gegrepen". 

Als de nacht zou weigeren heen te gaan, blijft de dag verre. 

De mond of de stem is de schepselen gegeven om het Licht te loven, opdat zij zich via die stem zouden verheffen of keren tot dat Licht. 

Ieder schepsel doet dit met zijn eigen uitdrukkingswijze, ook de stemloze wezens loven het licht. 

Maar de mens, en zeker de Zoon des Lichts heeft een stem om zijn Creator te loven, om zijn berouw uit te drukken of zijn eerbetoon dan wel erkenning te bewijzen. 

Geen klank wordt er echter in de vijfde Hemel vernomen. 

De Gregoroi zijn te versteend om een enkele klank uit te brengen. Zij hebben zichzelf verlaagd tot klankloze schepsels, verdichtte figuren, waarbinnen de langzame trilling van de duisternis niet in staat is het licht meer te begrijpen. 

Zij zijn dus werkelijk "neergestort" in een langzamer trillingsveld, zich buiten het licht plaatsende, dus "in zonde" existerende. 

Is er een beter voorbeeld voor wat de gevallen Lichtzonen hebben veroorzaakt. 

Zij hebben zichzelf en al degenen die zij voorgingen of over-reedden "buiten het licht" geplaatst, vervuld van langzamer trillingen, die door allerlei ervaringen of berouwbetuigingen zich weer versnellen moeten, opdat een beetje licht ingang zal kunnen vinden. 

Doch in deze vijfde Hemel wordt gezwegen. 

Zij wensen noch berouw te tonen noch eer te bewijzen. 

Volharden in het gelijk, ook al weet je dat je fout bent geweest is het ergste dat je kunt doen. 

Halsstarrig zwijgen, verharden tegenover medelijden, genade of vriendschapsbetoon. 

Hun leider, volgens het Slavische Henochboek, heet Satanaël, volgens het Hebreeuwse geschrift heet hij Sannhasai. 

Hier komen we aan het mysterie van Satanaël - Saturnus - Sannhasai. 

In het Hebreeuwse boek Henoch zegt Sannhasai: "Ik vrees dat ik alleen zal moeten boeten voor uw vergrijp." 

Is er niet altijd een argwaan tegenover Saturnus? 

Wordt hij niet altijd "de versteende", de remmende, de langzame of de duivelse planeet genoemd? 

Met Satanaël is het hetzelfde. Alles wat fout gaat is de schuld van Satanaël. 

Maar als Satanaël zijn andere gelaat toont is hij de "wijsheid", degene die zich offert (poortwachter) voor hen die na hem komen. 

Aldus staat het ook in een versie van het Boek Henoch: "Ik zal boeten voor jullie vergrijp." 

Alle Lichtzonen schuiven de schuld op Satanaël, die nu als een demonfiguur afgeschilderd wordt en niets zal werkelijk ver-anderen zonder dat men hem, als poortwachter, is gepasseerd. 

En hij zal eeuwig aan die poort moeten blijven staan, omdat hij boeten moet voor alle anderen. 

Doch deze gebeurtenis speelt zich nog dagelijks af. 

Zodra een gevallen Lichtzoon op deze wijze boet, door zijn leven lang aan de poort te staan, wordt hem zijn schuld kwijtgescholden. 

Als hij maar, evenals Satanaël, de schuld voor de volle 100% op zijn schouders neemt, d.w.z. als hij maar de verantwoording draagt voor hetgeen hij doet, dan wel gaat doen. 

Satanaël, soms ook Lucifer genoemd, wordt in de esoterie beschouwd als de tweelingbroer van Christus. Geboren uit één ei. Ontstaan door hetzelfde "zaad", gedreven door dezelfde bezieling. 

Zij zijn wezenséén. 

Het grote geheim, ofwel de eenvoudige waarheid, ligt in de "omwenteling". 

Paracelsus zegt: "Het antimonium verandert Saturnus in Venus". 

In de alchemische beeldspraak wil dat zeggen dat het witte, doorzichtige antimonium de zwarte Saturnus reinigt en hem maakt tot de alchemische hemelse maagd, Venus (Isis), die is als het ontvankelijke geestelijke principe (ziel), dat behoort bij het mannelijke geestelijke principe (Chrestos). 

Venus is de lichtende ochtend- en avondster. 

Een altijd begeleidend licht. De begeleidster in de woestijn van het leven en hier wordt zij vergeleken met een innerlijk licht dat ons nooit mag verlaten. 

Antimonium, het witte kosmisch goddelijke Licht herstelt Saturnus in een bewust ontvangende ziel. 

Dat is een beeldspraak die ons allen aangaat. 

Saturnus, Sannhasai houdt de poort open. 

Wat zouden we zijn zonder het saturnale laboratorium: de aarde? Wat zouden we zijn zonder een aardse persoonlijkheid, die de gevallen Lichtzoon de gelegenheid geeft boete te doen, door de poort te gaan? 

Saturnus- Sannhasai, Lucifer-Christus, zij behoren vanaf die tijd tot de sfeer van de zevenvoudigheid en zij staan, als één wezen, aan de poort en fluisteren de aangekomenen het "wachtwoord", hun meesterwoord toe. Maar ook de Gregoroi, de niet-willenden, de groten van kracht, moeten zich omwenden. 

Niet alleen de volgelingen, zij die de voetstappen drukken, maar juist zij, die wegwijzers waren of zijn, die moeten hun ver-harding, het worden tot een stenen paal, tot een zoutpilaar, opgeven. 

Zij moeten de verkeerd aangegeven richting uitwissen en hun volgelingen opnieuw de weg wijzen, maar nu de terugweg. 

De bewoners van de tweede Hemel roepen "ach en wee", lamenteren, vragen om voorspraak. 

Is er schoner symboliek te vinden dan hier in de getallensymboliek? 

De twee is de geduldige, de dragende, degene die weten zoekt, maar misleid kan worden door de inspirators, de voorgangers, de machtige autoritaire figuren, die suggesties uitzenden. 

De twee, gevangen tussen de één en drie, lijdt in stilte en hoopt dat een uitverkorene hem uit zijn benauwdheid zal verlossen. 

In de tweede Hemel zijn de geketenden die lijden, omdat zij misleid werden. Misleid door hen uit de vijfde Hemel.

Het maangetal twee werd misleid door het Mercuriusgetal vijf. 

De maan is de weerkaatsende, Mercurius is de boodschapper. 

En zij die volgden zowel als zij die de "boodschap" brachten, hebben zich misdragen. Iedereen draagt zijn eigen schuld en iedereen doet boete voor zijn eigen schuld. 

Maar die uit de tweede Hemel zijn nog niet verhard, zij kunnen klagen en zingen, hun monden zijn niet stom geworden.

Daarom is hij die bewust zijn naasten misleid, onverschillig het motief, als een satan, één die wéét, maar lak heeft aan zijn weten. Eén die zijn Schepper provoceert en daardoor velen in de ellende stort. 

Maar zij die zich in die ellende làten storten, zij zijn "nieuws"-gierig, maar niet meer "begerig naar weten" (de gave van de 2), zij laten liever voor zich zoeken, dan zelf de risico's van verantwoording en onderzoek te aanvaarden. 

De goede moed is nodig om de verantwoording te durven dragen en de deemoed (ootmoed) is nodig om de mond te openen, het zwijgen te verbreken en te zeggen: "Vader, vergeef mij, ik heb gezondigd." 

En al het lijden zal pas uitgedaan zijn als de tweede en de vijfde hemel doorstraald worden van Licht en allen die daar aanwezig zijn Gode lofzingen.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene