Hoofdstuk 21

".......en de mannen leidden mij naar de omgeving van het Noorden; en lieten mij daar een buitengewoon verschrikkelijke plaats zien, en er is elke kwelling van pijniging op deze plaats, wrede duisternis en lichtloze nevel; en niet is er licht, maar een onbegrijpelijk vuur brandt er voortdurend.

En een vurige stroom komt neer op de gehele plaats: hier is vuur, daar echter vorst en ijs, dat brandt en koud maakt. 

En er zijn onmenselijke kerkers en dringende en onbarmhartige engelen, onmeedogend pijnigend met scherpe werktuigen.

En ik sprak: "Wee, wee, wat een ondenkbare verschrikkelijke plaats is dit."


Tegenover de paradijselijke hemel, die in het denken van de mens verbeeldt kan worden, bevindt zich de hemel van het zwarte vuur of het vagevuur. Deze ligt, volgens Henoch, in het Noorden.

Het Noorden is altijd een aanduiding voor duisternis, kilte, zwarte magie en allerlei praktijken, die de opgang van de zon in het Oosten niet kunnen verdragen.

De kleur zwart behoort eveneens bij het Noorden. 

In het Noorden, uit Henochs getuigenis, bevinden zich vuur en ijs, en beide ondervinden van elkaar geen hinder. 

Het vuur en het ijs, de hitte en de koude handhaven zich als twee verbitterde vijanden, waartussen de mens gepijnigd wordt. 

Het vuur geeft geen licht, maar vernietigt; de vorst en het ijs doen veranderen. 

Het vuur geeft geen licht, maar vernietigt; de vorst en het ijs doen verharden en degenen die zich daartussen bevinden, lijken gepijnigd heen en weer te snellen tussen verbranding en bevriezing, opgejaagd door 'onbarmhartige engelen met scherpe werktuigen'. 

We bevinden ons in de denksfeer, die vele mensen meedogenloos foltert, nl. de sfeer van de bewuste vernietigende denkkracht, van de zwarte magie, van de geestelijke profiteurs en van de harte-lozen, die zielen kwellen. 

In deze sfeer heerst de zelfhandhaving en de vernietiging van alles wat goed, spiritueel of harmonisch zou zijn. De herinnering of ervaring van het Licht is afwezig, men kan kiezen tussen de licht-loze verharding dan wel de zengende verbranding. 

Hier leven degenen die zichzelf vernietigen en uit lust anderen tevens pijnigen. Het is het oord van de "buiten het Licht" staanden, en de rebellen, die lak hebben aan een oerbron, aan levenseerbied of aan medeleven. 

Hier zijn de grootste tegenstellingen water en vuur in hun vijandigheid te onderkennen: vuur zonder licht, vernietigend, water dat verhard is. 

De beweging, de leven verwekkende liefde-impuls, is totaal uit deze beide elementen verdwenen. Indien men zich in deze sfeer kan handhaven, moet men leven en liefde omgepoold hebben in dood en haat. 

Hier woont het anti-goddelijke en het tegennatuurlijke; alles bevecht elkaar, alles haat elkaar, leed brengt hier bevrediging. Hier brandt het zwarte vuur en dat houdt in dat de Zoon des Lichts, die hier woont, misbruik maakt van zijn macht, een tegenpool wil worden van de Schepper en niets anders zoekt dan macht en zelfbevrediging. 

Allen, die bewust en verhard een oerbron als levensoorsprong erkennen of elke geestelijke impuls negeren en, integendeel, hun kwaliteiten aanwenden tot vernietiging en zelfverheerlijking, zij maken gebruik van het zwarte vuur, dat zielen wondt en zelfs ontzielen kan. 

Zij, die zwarte magie beoefenen, begaan daden die zielen kunnen ompolen, dan wel Zonen van het Licht tot Zonen van de Duisternis kunnen maken.

Ook degenen, die misbruik maken van hun natuurlijke levensenergie krijgen contact met deze "sfeer in het Noorden". 

Het misbruik maken van een gave of van een geestelijke, dan wel lichamelijke kracht, is bewust "zondigen", bewust "buiten het licht gaan staan". In deze gruwelijke sfeer is noch het natuurlijke, noch het geestelijke levensbeginsel aanwezig. 

Zowel de elementen als de wezens trachten elkander te vernietigen. Macht en zelfhandhaving zijn de leuzen en zij die zo denken, zullen nooit het paradijs of de "heerlijkheid" in het denken deelachtig kunnen worden. 

Hun macht is ontsproten aan een verwrongen levensdrift, die zich buiten de geest tracht staande te houden. 

Eigenlijk zien we om ons heen, op deze gepijnigde aardbol, niets anders gebeuren dan dat een innerlijk verscheurde mensenmenigte heen en weer snelt tussen twee denksferen: het paradijs en de "sfeer in het Noorden", met daar tussenin een nevelig niemandsland, waaruit men opschrikt door een flits van de paradijselijke schoonheid, ofwel een scherp werktuig van één van de onbarmhartige engelen. 

Wanneer we een verschrikkelijke, veelal onverwachte gebeurtenis zien, zeggen we wel eens: "Het was of ik water zag branden." 

Iets ongelofelijks blijkt niettemin waar te zijn in zo'n ogenblik.

Wel, in de sfeer in het Noorden is het water er steeds na aan toe om te gaan branden. 

Hitte en koude liggen tegen elkander, innerlijke zielloosheid moet door pijnigingen worden opgeheven, dan wel alles wordt tot as. 

De mens gaat altijd zo ver dat hij zich brandt, dan wel van afgrijzen verstart. 

Hij moet blijkbaar keihard worden beproefd wil hij een zelfhandhavingsdrift of een niets ontziende zelf-bevrediging opgeven. 

Henoch spreekt over Sodomitische daden.

Sodomitische daden zijn daden die zielen medesleuren in een geestelijke dood.

Meedogenloze, emotieloze mensen zijn als verhard water; zwarte magiërs, die hun kracht gebruiken om misdaden tegen lichaam en geest te begaan zijn mensen, die een vurige zwarte vuurstroom inschakelen om hun macht te bewijzen. Binnen deze sfeer is elke hartwerkzaamheid afwezig. 

Als toegangspoort tot de ziel is dat hart waardeloos geworden. Aldus zijn zij afgesloten voor hun medemensen, maar ook voor de bezielende heiligende geest. 

Niemand, in dit oord, is op het Licht of op God gericht, noch is er iemand die berouw toont, zelfs niemand die weeklaagt. 

Oog om oog en tand om tand is het devies.

Vandaar dat van alle zijden, van hen die nog een binding met de levensbron bezitten dan wel kunnen herstellen, een waarschuwing komt tegen de verharde zelfhandhaving. 

Tegen de profijt-levensmentaliteit.  "Ik doe dat slechts indien ik er iets voor terugkrijg."

En het teruggekregene moet 't liefst méér zijn dan het gegevene.

Is hier plaats voor een Levende God? 

Is hier aanleiding om een Bron aan te roepen, waarvan men niet zeker weet of deze iets terugschenk? 

Neen, hier zwaait de God van "oog om oog en tand om tand" de scepter. De God van "niets voor niets" en hoe meer je betaalt des te méér voorspraak je hebt. 

Dit zijn de levenloze en de ijdele goden, zegt Henoch.

Gesneden beelden, gevormd uit de denkmaterie van de wezens uit het Noorden'. Hier neemt men genoegen met vormendienst en een georganiseerde dienst aan God. 

Ook die God neemt genoegen met eenmaal in de week samenzang en collecte, met af en toe een goede reclamestunt als die collecte tegenvalt. 

Het hart is afwezig bij de gebeden; de portemonnaie of de zelfbevrediging hebben zijn plaats ingenomen. 

Maar in dit verschrikkelijke oord wonen "engelen"! 

Afschrikwekkende engelen. 

Engelen zijn Lichtgeborenen.

En juist die Lichtgeborenen kunnen gruwelijk worden, hoewel zij van geboorte engelen zijn. 

Wie heeft ons ooit gezegd dat "engelen" louter lieflijke lichtende wezens zijn? Wie zei ons ooit dat "elfen" tere, beminnelijke vrouwelijke figuurtjes waren? 

Elke Lichtzoon bezit goddelijke, soms werkende, soms latente. gaven. 

De "zondige" Lichtzoon heeft ontdekt dat zijn "goddelijke gaven" omgepoold kunnen worden tot duivelse kwaliteiten, tot demonische macht. 

Is demon niet een gevallen god? Iedere ontspoorde egocentrische handeling draagt een spoor van vernietiging in zich. 

Als ego zijn we egocentrisch. zoals ieder dier egocentrisch en iedere plant egocentrisch is. Dat is natuurlijk.

Maar egocentriciteit, die mede-schepselen mee in de afgrond stort, of erop is gericht een buitensporig ego aan te kweken, ontneemt zijn medeschepselen levenskracht en levensrecht. 

En dat is een duivelse schrikaanjagende mentaliteit.

Degenen, die de macht hebben "de naakten te bekleden" en de "hongerende te voeden" en dat niettemin verzuimen, zijn de goddeloze zielen, erger nog, zij zijn degenen die de bestaansgrond van de schepping negeren en dus God provoceren. 

Moge daarom het "Licht uit het Oosten, uit het paradijs" door-lopend in ons hart en onze ziel opgaan, opdat "de sfeer uit het Noorden" zijn afschrikwekkendheid verlieze.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene