Hoofdstuk 14

"......En vandaar komen zij te voorschijn en verdelen zich in veertig delen en stromen in kleine delen over de aarde en hebben gelijk de andere elementen van de lucht, een draaiende terugkeer.

En daar is geen onvruchtbare boom, en iedere boom heeft schone vruchten en deze plaats is gezegend.

En driehonderd buitengewoon lichtende engelen, welke het paradijs behoeden, die met nooit ophoudende stemmen en schoon gezang, de Heer alle dagen en uren dienen."


Henoch komt dus in het paradijs, dat tussen het wezenlijke en het onwezenlijke ligt en hij verwondert zich over haar schoonheid. 

De speurtocht naar het paradijs, waarvan men vermoedt dat het op aarde gelegen moet hebben, heeft nooit enig tastbaar resultaat opgeleverd. 

Het "zo boven zo beneden" wordt echter ook in de paradijs-legenden bevestigd, doordat de mens in zichzelf het paradijs, hemel en aarde kan vinden, terwijl ook de vier elementen: lucht, aarde, water en vuur in hem aanwezig zijn. 

Een paradijs, dat tussen het wezenlijke en het onwezenlijke ligt, is een middelende sfeer of een trillingsveld dat het onzichtbare en het zichtbare met elkander verbindt. 

In het Boek Henoch is het paradijs de "derde Hemel", hetgeen verwijst naar het getal drie, het Jupiter-getal, dat wordt geregeerd door Vader Ether. Deze "derde Hemel" ligt in ons zenuwstelsel of de zenuwether en in ons denken. 

Overal waar de middelende kracht werkzaam is, bevindt zich de mogelijkheid voor een paradijs, een "heerlijke" toestand, zoals Henoch zegt, waar het onmogelijke mogelijk wordt. 

In de "derde Hemel" worden het nieuwe en de vrucht voort-gebracht. 

Deze middelende sfeer is verantwoordelijk voor paradijs dan wel vagevuur, een doorlopende pijniging. 

Opbouw en voortzetting dan wel verbreking of vernietiging.

Vanuit deze middelende sfeer verdelen zich de "vier stromen in veertig delen, die zich over de aarde verbreiden", een symbolische en ook realistische aanduiding van het mededelen van de vier voedende bestanddelen aan de vier elementen, die in leven blijven via het moederveld of de materia mater (4 + 0) en de aarde (het lichaam) daardoor actief houden. 

Etherische gestalten (engelen), anders gezegd: geestelijke concentraties of gedachten bewaren het paradijs. De geestelijke "chi" zoals de Chinees zou zeggen, moet zuiver en sterk aanwezig blijven, opdat het paradijs in stand kan worden gehouden. 

Vanuit deze geestelijke gedachteconcentraties komt het "geluk" dat in het hart woont, waardoor de mens doorlopend kan "zingen met een schone stem" (hart en mond zijn in de Chinese filosofie met elkander verbonden) en de Schepper hem dus voortdurend beluistert. 

Het "geluk" dat in het hart ligt, zorgt ervoor dat de mens zich in een paradijs gevoelt. Zo zal zijn denken "diepe vrede" kennen en zijn zenuwether zal rustig en ontspannen arbeiden, zich zijn middelende taak bewust zijnde. 

Denken en zenuwether houden deze mens zonder enige ver-breking in contact met de geestelijke sfeer, waaruit "zijn geluk, zijn leven en zijn heerlijkheid" voortkomen. 

Deze "300 engelen" dragen geen zwaard, maar bewaren het paradijs al zingende. Zodra de mens "zondigt" tegen de goddelijke wet, d.w.z. zich buiten Diens Licht stelt, wordt hij verjaagd uit zijn eigen paradijs, waar nu een bewapende engel staat, die hem niet toestaat in dat paradijs terug te keren. 

Zolang de driehonderd engelen zingen is de mens in harmonie met de Schepper, indien niet, dan wordt de toegang tot het paradijs afgesloten door een zwaard gelijk een bliksemstraal: een kort-sluiting tussen God en ziel, Schepper en schepsel. 

En hij zal gedwongen worden een "vagevuur" binnen te gaan, een leven dat hem pijnigt, om hem tenslotte rijp te maken voor "hemel dan wel hel". 

Er zijn vier werelden of sferen die door een mensenziel en een mensenhart geschapen kunnen worden: hemel of hel, paradijs of vagevuur. 

Het leven hier op aarde beweegt zich in een middensfeer tussen hemel en hel, het hoogste en het laagste gebied. In deze "cirkel van Abred", zoals de Druïden de aardse levenssfeer noemden, kan de mens kiezen tussen een neergang in de wereld van Anwn of een opgang in de wereld van Gwenved. Abred, de aarde, wordt paradijs dan wel vagevuur. 

Zoals in het menselijke wezen zelf zijn eigen aarde, zijn lichaam, een vagevuur, een pijniging voor hem kan worden, indien hij zondigt tegen de paradijselijke of goddelijke wetten. 

Voor hoeveel mensen betekent dit leven op aarde niet een vagevuur, een confrontatie met kwellingen? 

Hoevelen moeten door die geestelijke kwellingen rijpen en opnieuw het paradijs, dan wel de hemel verdienen? 

Ons leven is een leerschool, zeggen de wijzen.

Is het vagevuur iets anders ?

In het paradijs, tussen het wezenlijke en het onwezenlijke, groeit de Levensboom, die de vruchten van alle bomen draagt. 

Zoekt de mens iets anders dan de vruchten van de boom van het ware leven? 

Zoekt een geestelijke zoeker iets anders dan velerlei vruchten van één universele waarheid, die zich tot in alle uithoeken van de aarde uitbreidt? 

De zeer individuele Levensboom, die de mens geestelijk en lichamelijk staande houdt, geeft hem inzicht in alle facetten van deze universele waarheid, omdat deze individuele Levensboom alle vruchten van die éne waarheid kent 

Zoeken naar waarheid is als het zoeken naar het zaad voor een universele Levensboom. Iemand zoekt omdat hij iets mist. 

De mens zoekt naar geestelijke waarheid, omdat zijn individuele Levensboom de verscheidenheid en de alomvattendheid van Leven en waarheid nog mist. Dit geestelijke zoeken spoort hem aan zijn levensboom te onderhouden en te vervolmaken. 

In het paradijs is het leven totaal anders dan op aarde, in de cirkel van Abred, indien daar de adem van de hemel niet aanwezig is. 

De paradijselijke sfeer zorgt ervoor dat de tegenstellingen elkander begrijpen en niet, zoals in de geestloze sfeer, elkander bestrijden.

In het paradijs leven de leeuw en het lam vredig bij elkander. Geweld, doodslag, vraatzuchtigheid en begeerte zijn afwezig.

In de mens, die het paradijs in zijn lichaam, ziel en geest kent, zijn agressie, egocentriciteit en zelfhandhavingsdrift totaal afwezig. Hij lééft, en existentie is bijzaak.

Is het niet logisch dat daardoor zijn organisme ook verandert? 

De gedachte beheerst het organisme. 

Niemand kan dat nog ontkennen, daar wetenschappelijke onderzoekingen dit bewijzen. 

Via de gedachte, die zich in het paradijs kan bewegen, schept men organisch en geestelijk een hel, dan wel een hemel. 

In het paradijs wordt men gevoed door de vier essentiële stromen van melk, honing, olie en wijn. 

Daar is men geestelijk en lichamelijk "heel", gezond.

Afwezigheid van het paradijs ondermijnt die gezondheid, schept onparadijselijke gedachten, waarin de heerlijkheid niet woont, en verzwakt de zenuwether, zodat stoffelijk en etherisch lichaam elkaar niet meer kunnen aan voelen. 

In deze "cirkel van Abred", waar de vrije wil de mogelijkheid schenkt om omhoog te streven dan wel af te dalen, zoekt iedereen naar het paradijs. 

Vele imitaties moeten zulk een paradijs suggereren, maar de ziel laat zich niet bedriegen, want zij blijft zoeken, omdat haar herinnering aan dat verloren paradijs haar voortdrijft. 

Zij verloor het op het moment dat zij verkoos zich te vermengen met de "cirkel van Abred", het imitatielicht, zoals de Pistis Sophia zegt, maar de goedheid van haar Schepper ontneemt haar niet de vrije wil, waardoor zij Abred kan ontstijgen. 

Daarom is het meest funeste dat een mens kan overkomen: het ontstelen van zijn vrije wil. 

Vanuit die vrije wil kan hij zijn hartewensen vervullen, zijn gedachten naar de hemelen laten zweven, vruchten zoeken die uit de grote, universele wereld-levensboom zijn gevallen, opdat hij hun zaad kan planten voor zijn eigen levensboom. 

Zodra de vrije wil wordt geketend, b.v. door schuldcomplexen, lagere hartstochten, schijnheiligheid of eerzucht wordt de kans op het binnengaan in het individuele paradijs en daardoor in het grote paradijs, kleiner. 

Een poort valt dicht. 

De engel met het zwaard maakt zich gereed. 

Het hart vergeet zijn lofgezang op de Schepper en de ziel verwaarloost haar paradijswake. 

Maar zij, die het paradijs uit ervaring kennen, zij behouden hun geloof daarin, zij zoeken naar iets dat zij kennen en hun innerlijke zekerheid is onvernietigbaar. 

Steeds opnieuw zullen zij erin slagen een paradijselijke sfeer te herscheppen en zo zullen zij hun Schepper kunnen ontvangen en het zal goed en heilig in hen zijn, in hun organisme, in hun ziel en in hun geest. 

En de Diepe Vrede zal in hen heersen, terwijl de Heer in hun paradijs rust.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene