Hoofdstuk 12

.......en deze mannen namen mij van daar mede en voerden mij omhoog in de derde Hemel en plaatsten mij in het midden van het paradijs.

En deze plaats is onuitsprekelijk schoon.

En ik zag alle bomen prachtig in bloei met vruchten rijp en welriekend, alle voedsel voortdurend omhullende met geurige welriekendheid.

En in 't midden stond de Boom des Levens op de plaats, waar de Heer rust wanneer hij in het paradijs binnen gaat.

Deze boom is onbeschrijflijk schoon en geurig en prachtiger dan alle geschapen schepselen, er van alle zijden uitziende als goud en purper, en daarbij een lichtend uiterlijk bezittend; en hij overdekt het gehele paradijs."


De onbewuste wezens uit de tweede hemel wachten totdat er iets gebeurt dat hen doet ontwaken of hen doet bewegen; de engelen uit de derde Hemel zijn actief, hetzij in goddelijke dan wel in ongoddelijke zin. De Boom des Levens in het midden van het paradijs ontvangt de Heer wanneer Deze rust. 

Die rust van de Heer vindt plaats op de zevende dag, waarop Hij rust van Zijne werken. De Heer rust in de Boom des Levens op de zevende dag, in het paradijs. 

Het paradijs, dat tussen het "wezenlijke en het onwezenlijke" ligt, kent dus de Boom des Levens en de Heer, die zich daarin bevindt om te rusten. 

Zo kan men zich een geestelijk mens voorstellen, waarbij het denken zich baadt in de natuurlijke en de spirituele sfeer en waarin de Inspirator des Levens in ruste aanwezig is. 

Dat is werkelijk een "zevende dag"; een dag waarop het hart akkoord gaat met het hoofd en andersom. Het zevende pad in de beschrijving van de Sephir Jesirah zegt immers: het is het pad waarop hart en hoofd één worden. 

Zal op zulk een "dag" niet eindelijk de rust terugkeren in een mens? 

Iedereen is doorlopend bezig om een vrede te bewerken tussen gedachten en gevoelens en de uitspraak: "Wat het hoofd niet binnenkomt gaat het hart niet binnen en omgekeerd", wordt dagelijks in een mensenleven bevestigd. 

De zevende dag is dus een verademing, maar geen einde. 

De achtste dag is nl. de dag van de verandering, de dag waarop het eerste geschapene zich beweegt en de dag van het goddelijke Niet-Doen. Een dag waarop de mens zelfstandig is. 

Een situatie waarin hij moet werken met zijn god-in-hem, of met het herschapen goddelijke. 

Het is de dag waarop de innerlijke omzetting, of het herschapene zich bewijst. De dag van de concrete daad en tegelijkertijd van het goddelijke Niet-Doen. 

Boeken zijn er volgeschreven over dit Niet-Doen.

Hoewel het eigenlijk, volgens het Henochboek, niets anders betekent dan dat het geschapene op eigen benen gaat staan.

Individueel beschouwd: dat hier de mens, inclusief zijn individuele innerlijke Heer, en gedragen door zijn levensboom in het paradijs, zijn weg tot de Hoogten gaat beklimmen. 

Het is ook duidelijk te herkennen in het cijfer 8. 

Vanuit het kruispunt tussen het beneden en het boven, daar waar het paradijs zich bevindt, begint de weg omhoog. 

Dat "kruispunt", dat voor sommigen een hel betekent en voor anderen het paradijs kan zijn, is het breekpunt waarover zovele geestelijke zoekers vallen. 

De Heer "rust pas in dit paradijs wanneer de Levensboom in al zijn schoonheid daar aanwezig is" en dat is niet het geval zodra men van dit kruispunt een hel, een arena maakt, waarbinnen gevoelens en gedachten elkaar bestrijden. 

Zolang deze strijd aanwezig is kan niets concreets worden gerealiseerd. Dat kan iedereen in het dagelijkse leven verifiëren; zolang we onenigheid bespeuren tussen hart en hoofd is de daad geen succes. 

De beschrijving van de levensboom geeft eveneens te denken: "....hij is purper met goud....."

Twee kleuren die getuigen van innerlijke adeldom of geestelijke reinheid: goud. Hierbij is het ego overwonnen en bepaalt de ziel wat er gebeuren gaat.

De ziel is purper van kleur, een vereniging van diep rood en diep blauw: van vuur en water, van het samengaan van een geestelijk vuur met de ontvankelijke, zich overgevende "blauwe nog onbewuste ziel".

Purper was daarom in de oudste tijden een heilige kleur en mocht niet voor profane doeleinden worden gebruikt.

Als de levensboom goud en purper straalt, is dat een bewijs dat alles in deze mens bewust, wetend en harmonisch de overgang naar het geestelijke leven ervaart. 

Purper is de kleur van de actieve, zelfstandige ziel, de ziel van de achtste dag. 

De vruchten van de Levensboom bestaan uit alle vruchten van alle bomen en "hij bedekt het gehele paradijs...."

Is er een schonere beschrijving van een alomvattende eenheid denkbaar?

Bovendien kunnen we er tevens uit leren dat het zo dikwijls gepraktizeerde "sektarisme" tegen deze totale eenheid indruist.

Indien men zulk een geïsoleerd sektarisme uitdraagt, toont men hiermede, in zichzelf, niet een totale eenheid te zijn, waarbij hart en nieren, hoofd en hart, wil en ziel en geheel het lichamelijke en geestelijke organisme akkoord zijn.

Het gehele denken zal schitteren door een goddelijk begrip en een goddelijke tolerantie waar alles en allen hun eigen plaats vinden.

Elke vrucht, van een door de Heer geschapen boom, kan zich aan de Levensboom hechten, op de plaats die hem toekomt.

Voorwaarde is slechts: "dat hij tot het door de Heer geschapene behoort". 

Hetzelfde komen we tegen als er in apocriefe geschriften ge-sproken wordt over "degenen die van Mijn ras zijn".

Daar waar het goddelijke ingeschapen is, daar is de mogelijkheid om aan de levensboom te worden bevestigd. Daartoe moet men echter eerst, zoals Henoch, het paradijs binnengaan.

Aan de Levensboom herkennen we de vruchten van alle bomen.

Door middels van het "gelijke", de bloeiende Levensboom of het tezamen in het paradijs zijn, herkennen we elkander, als zijnde "vruchten van één Levensboom".

Deze Levensboom heeft zijn "wortels in het paradijs, bij de uit-gang van de aarde"; deze beschrijving kan tweevoudig worden geïnterpreteerd, natuurlijk en geestelijk. 

Organisch bevinden zich de wortels van onze levensboom, ons ruggemerg, in ons bekken, bij de "uitgang van ons natuurlijke lichaam".

Wordt echter de achtste dag doorleefd, dan vindt de grote verandering plaats en keert deze Levensboom zich om, heft zijn wortels op naar de hemel, zodat zij zich bevinden "in het paradijs tussen het wezenlijke en het onwezenlijke", zo een beeld gevende van de omgekeerd gehangene uit de Egyptische Tarot.

Hier ligt weer het onderscheid tussen de aanschouwer van het paradijs, de theoreticus, en de verwerkelijker van zijn eigen paradijs, inclusief de Levensboom. 

De eerste gaat tot aan de zevende dag, realiseert echter die zevende dag niet eens, omdat hart en hoofd niet verenigd worden in de zelfstandigheid van de achtste dag. 

Dan loopt deze mens wat rond in het paradijs, de middelende sfeer, die nu eens een blik laat werpen op de schoonheid van het paradijs, dan plotseling weer een arena is, waar roofdieren rondsluipen.

In zulk een paradijs "rust de Heer niet aan de voet van de Levensboom", want "Zijn werk is nog niet voleindigd." 

De laatste mens wordt een paradijs met een Levensboom.

Hij is begonnen aan de goddelijke cyclus. of de goddelijke week, op de achtste dag, de dag van de omwending of de verandering.

Dan is de mens, via zijn paradijselijke denken, waarin Deus rust, een "godheid of een schepper" geworden. 

Hierdoor kan hij goddelijke inspiraties doorgeven en hij is zich ervan bewust, dat er aldus twee bronnen ontsprongen zijn: ".....uit de ene bron stromen melk en honing en uit de andere olie en wijn....."

Honing en melk, olie en wijn zijn als de vier alchemische tincturen, die tezamen de quintessentie voortbrengen: de goddelijke magnesia, een ziel die glanst en licht in het duister.

Wanneer onze levensboom deze vier sappen produceert zal Het Leven ons nooit ontvallen.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene