Hoofdstuk 1

In de Hebreeuwse versie van het Boek Henoch begint de wijze allereerst de mensheid te waarschuwen tegen de rampspoeden, die zich over haar hoofd zullen voltrekken, wanneer zij geen gehoor geven aan de opdracht van Gods wege, daarna verteld hij hoe de Lichtzonen op aarde nederdaalden vanaf de berg Hermon.

Henoch, zelf een "zoon van een vereniging tussen een Lichtzoon en een aarde-vrouw", spreekt over "uitverkorenen", als hij de Lichtzonen bedoelt en over "onheiligen", als hij de aarde-mensheid meent. Nergens kan men iets vernemen over de ene of andere religieuze organisatie die uitverkoren zou zijn. 

Sprekende uit zijn eigen innerlijke bewogenheid, zoals alle Lichtzonen en ook profeten deden, waarschuwt hij degenen die van zijn "Ras" zijn of die tot de nazaten van de Lichtzonen behoren. Ook Jezus Christus deed hetzelfde.

Zijn Bergrede, evenals zijn gnostieke uitspraken, zijn bestemd voor degenen, die van zijn "Ras" zijn, dan wel tot de nazaten der Lichtzonen behoren. Hiermede zijn altijd degenen gemeend, die een oerherinnering bewaren aan het Land van hun Herkomst, anders gezegd, aan het Volmaakte Rijk der goddelijke zielen. 

De afdaling op aarde had tot resultaat dat deze zielen zich besmetten met "onheiligheid", waarna de z.g. vermenging tussen heilig en onheilig ontstond, een situatie die menige geestelijke zoeker tot wanhoop brengt. 

Wanneer de Zonen des Hemels, die men later "engelen" noemt en die door Hermes Tresmegistos met twee vleugelen werden afgebeeld, ten teken dat zij uit de hemelen kwamen, de "vrouwen der mensenkinderen aanschouwden en zagen dat deze schoon waren, gingen zij tot hen en verwekten kinderen, die tot reuzen werden." *) 

Zo ontstond de vermenging van aarde en hemel in de schepselen. 

En deze gebeurtenis, zegt Henoch, had plaats in de dagen van "Jared".**) 

Sinds die tijd dolen de nazaten van de Lichtzonen vol heimwee op aarde rond op zoek naar hun Lichtrijk. Het bewijs hiervoor vinden we in elke mens die, door een onbestemde intuïtie gedreven, op zoek gaat naar een z.g. inwijdingsweg of de Geest, dan wel zich op aarde een vreemdeling gevoelt. Hieruit is ook af te leiden dat deze door heimwee gedreven mens een individu is en dat hij niet "en masse" te vinden is in de grote organisatorisch religieuze groeperingen, die hun volgelingen als groep terug willen voeren. Deze oerherinnering ligt verborgen in een "individuum", een besloten eenheid en ligt niet als oerherinnering in een beweging of dogma. Het moment waarop de Zonen des Lichts zich vol begeerte tot de vrouwen der mensheid wendden werd in de oude tijden "de eerste zondeval" genoemd, het ogenblik waarop Zonen des Lichts zich buiten het Licht plaatsten.

Hun verlangen of begeren richtte zich naar omlaag en het is ook uitsluitend dit begeren, waarvan de Boeddha zegt dat het "vernietigd" moet worden. Dit omlaag gerichte begeren doden, is het beëindigen van de "eerste zonde val", aldus ophouden met zich "buiten het licht" te plaatsen, zoals het woord "zonde" oorspronkelijk betekent. 

De eerste zondeval bestaat uit de wens om zich met de vrouwen der aarde te verenigen, de tweede zondeval is de daad zelf. 

Door  deze  daad  leerden  de  kinderen  der  mensen  eveneens  de

begeerte te gevoelen, zoals God tot Henoch zegt, en daarom zullen de Zonen des Hemels worden gestraft. 

__________

*) Hebreeuwse versie van het Boek Henoch 

**) Volgens de Genesis stamtafel van Henoch, werd zijn vader Jared of Jered, die hoofd was van het zesde mensengeslacht, zoon van Mahaleël, 962 jaar oud

Uit deze enkele regels blijkt dat de z.g. zonde voortgekomen is uit de Zonen des Hemels, daar de Zonen van de aarde (de natuur) de zonde niet kenden, voordat de Zonen des Lichts indaalden en hun 

driften opwekten. 

De aarde-mensheid was aldus onschuldig, onwetend, neutraal en waren tevreden met de aanwezigheid van het natuurlijke licht en het natuurlijke duister. 

Vanaf het ogenblik dat de "sterfelijke natuur" door de geestelijke Natuur werd aangenomen als een verblijf voor de gevallen Lichtzonen, deed het "kwade" zijn intrede, een verzet tegen de overheersing en alom tegenwoordigheid des Lichts of van God. De gehele legende der Lichtzonen getuigt nl. van een arrogante overmoed, een concurrentie met de geest of God. 

Volgens de legende dalen tweehonderd Zonen des Lichts af onder leiding van Sannhasai en deze doet op de berg Hermon nog een laatste poging om zijn kameraden van hun wens tot vermenging met de vrouwen van de aarde af te houden, want hij verwacht daarvan verschrikkelijke gevolgen. 

Hij spreekt tot hen de legendarische universele woorden:

"Als gij doet hetgeen gij wilt doen, vrees ik dat ik daarvoor alleen zal moeten boeten." 

Ziehier de oorsprong van de legendarische offerande van de Eerstgeborenen of Zoon Gods, terwille van de "zonden" van de mensheid. 

In de geschriften van Hermes, de Egyptische God Thoth, wordt eveneens verwezen naar de indaling van de goden of de Zonen des Hemels en het catastrofale was dat de aarde-mensheid, voorheen dat Licht niet kennende, de gevallen Lichtzonen tot goden verhief en hun gaven gebruikten tot verbetering van de tijdelijke natuur en tot profijt van haarzelf. Zoals gezegd, uit de vermenging van de Lichtzonen en de aarde-vrouwen kwamen reuzen voort, zoals de bekende Goliath er één was. 

Deze reuzen behoorden tot het "geslacht der dwalenden" tot hen die op aarde hun tehuis niet konden vinden. 

Zij bezaten grote gaven, de gaven der Hemelse Zonen. maar zij wendden deze ten kwade aan, omdat in hen de lage begeerte, als erfenis van de Lichtzonen woedde. 

Met hen begon ook "het eten van vlees en het doden van medeschepselen". 

De reuzen verwoestten grote delen van de aarde en beroofden de mensen van hun voeding. 

Door hun magische macht, hun erfdeel, overheersten zij de aarde-mensheid en stichten disharmonie en angst. 

Zo verdiepte zich de zondeval voor de nazaten van de Lichtzonen.

Een bekend gezegde "ln het land der blinden is éénoog koning", stamt uit deze catastrofale tijd, waarin reuzen op aarde wandelden met één oog in het midden van het voorhoofd. 

Dit ene oog was meer dan de aarde-mensheid bezat, die slechts ogen hadden die de natuur konden schouwen. Het ene oog der reuzen zag meer dan de uiterlijke natuur. 

Uit deze éénogigheid der reuzen kwamen talrijke religies voort.

Speciaal de natuurmagische religies, die menen dat de etherische vormen van deze natuur het "goddelijk geestelijke" zouden zijn en hun volgelingen willen bekwamen in het ontwikkelen van het oog in het voorhoofd. 

Uit de overleveringen der natuurvolkeren, o.a. de Popol Vuh, vernemen we dat er "goden" of Lichtzonen waren, die terug wilden keren toen zij zagen welk een ramp zich over de hoofden der aarde-mensheid voltrok, doch dat slechts enkelen hierin slaagden, overheerst als zij werden door de onwillige Lichtzonen en de reuzen. 

Er waren dus van het begin willige en onwillige Lichtzonen.

Zij, die hun stap berouwden en zij, die door wilden zetten in het overheersen van de aarde-mensheid met hun "hemelse" gaven, gaven die zij niet aan de aarde-mensheid mochten verraden, omdat deze onkundig was hen te beheersen. 

De enige die de enorme ramp voorzag was Sannhasai, hun leider.

Doch hij zal tot in lengte van dagen moeten boeten voor hun vergrijp.

Ook op deze gedachte bouwden religies hun organisatie: de voortdurende offerande van de wereldziel, het schuldcomplex dat de aarde-mensheid zou moeten hebben, omdat een godenzoon zich voor haar offerde.

In Sannhasai ontmoeten we een Christus, een Prometheus, een Orpheus, en een Osiris en ook een Michaël, die de draak bestrijdt, terwille van de mensen. 

In de hermetische geschriften staat dat Saturnus zijn zoon Jeoud offert terwille van de mensheid, die op het punt staat ten gronde te gaan. Het Christusverhaal is geen 2000 jaren oud, maar zo oud als de zondeval. 

In de woorden van Sannhasai "lk alléén zal moeten boeten" ligt ook de eenzaamheid van de geestelijk zoekende mens verborgen, iemand die slechts een echo ontmoet bij de Zonen van zijn Ras, en dan nog slechts bij hen die hun stap berouwen, want al de anderen zeggen: "Wij gaan door met hetgeen waarop wij onze zinnen hebben gezet." 

Eenzaamheid is daarom een vanzelfsprekende begeleider van een geestelijke zoekersweg: en gezegend is hij, die iemand van zijn Hemelse Ras ontmoet, want bij hem zal hij begrip, medeleven en totale vriendschap vinden.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene