Waar de geneeskunst vandaan komt


"Verplaats de antieke grenspaal niet" 

(4-de eeuw voor J.C.) 


Het is niet altijd gemakkelijk de wortels van een overtuiging te vinden, die eeuwenlang met de generaties is meegegroeid en die als vanzelfsprekend wordt aanvaard, hoewel er vele falsificaties, onwaarheden en misleidingen zijn meegekomen, sinds die overtuiging uit een oerbron opborrelde. 

Onbewust is men geneigd een vaag verleden te idealiseren, daar meestal slechts het indrukwekkende, goed zowel als slecht, wordt behouden en men daarbij dwangwetmatig op zoek gaat naar waarden die in het heden zijn verloren gegaan. 

Niettemin, naar dat wat men niet weet, zoekt men niet. Aldus schijnt er in de moderne mensheid, omgeven door alle mogelijke apparaten, die zijn welzijn bewaken, een onstilbare drang te leven naar verloren waarden, die hij zich als zuiver, gelukschenkend of geestelijk verrijkend blijkt te herinneren. 

Er loopt een ondefinieerbare herinnering door de Westerse volkeren heen, die pas schijnt wakker te worden, nu hij aan het einde van zijn materiële experimenten blijkt te staan. 

Harde ervaringen geven pijn, maar werken afdoende en juist. Zij zijn één van de mogelijkheden om wijs te worden, maar vergezellen altijd de hardleerse, eigengereide of geestelijk in slaap gesukkelde mens. Andere mogelijkheden werken vriendelijker en vragen minder tijd, zoals: luisteren, observeren, raad aanvaarden, intuïtie en "ge-weten" (!) nauwgezet volgen en niet zich in modder wentelen indien dit gemakkelijk te voorkomen zou zijn, doordat het ge-weten waarschuwt tegen de verontreiniging. 

De geneeskunst is één der gaven die, zoals vele andere, teloorgingen, toen we met ons allen juichend en begerig de weg van de materiële bevrediging insloegen. 

Het woord "bevrediging" is hier eigenlijk niet op zijn plaats, daar het "vrede" inhoudt en we staan nu juist op het punt onze "vrede" te verliezen, zo zij al niet volkomen verloren ging, 

De oorsprong van de geneeskunst verliest zich in een grijs en bijna ondoordringbaar verleden, dáár waar de herinneringen van de ziel zich aaneensluiten en niet worden verstoord door de knotsen en de dierlijke gedragingen, waarmede de wetenschap ons zo graag confronteert. 

De Darwintheorie is tenslotte reeds lang achterhaald, hoewel men nooit zegt door wie of wat deze werd achterhaald, maar in ieder geval is er totaal geen bewijs dat wij van de apen afstammen. 

Eigenlijk doet mij dat plezier, u ook? 

Als we zichtbare bewijzen willen vergaren zullen we van het waarneembare uit moeten gaan, hoewel dit vergankelijk is. 

Ik wilde u echter aanspreken over het zichtbare en het tijdelijke bewijs heen, ik wilde met u van gedachten wisselen over de latente, ondefinieerbare herinneringen, die er in uw ziel aanwezig zijn en waarbij u wellicht nooit bewust hebt stilgestaan. 

Tenslotte, zo zullen de sceptici zeggen, is er nooit een bewijs voor de ziel gegeven, want men heeft haar nooit kunnen zien. Men heeft haar wel kunnen wegen, zo beweert men serieus, zonder een spoor van een glimlach. Maar of dat de ziel was? 

En zo modderen de materialisten voort op het fundament van de twijfel, hoewel deze, dat moet gezegd, het begin van de wijsheid kan worden, indien zij haar bezitter voordien niet heeft vernietigd. 

Maar werd zij wijsheid, dan zou de materialist zijn eeuwigheidsbeginsel hebben gevonden, want zonder dit wordt men niet wijs. 

Een materialist is dus een vergankelijk wezen, vandaar dat we niet bij hem stil zullen staan, maar ons tot de onvergankelijkheid keren, waar de onsterfelijke herinneringen bewaard zijn gebleven. 


De kunst van het genezen komen wij tegen bij het ontstaan van de volkeren en wij vinden de overleveringen daarvan slechts bij die volkeren die hun legenden, hun tradities, hun sprookjes en mythen, hun mondelinge berichten hebben bewaard. 

Bij deze volkeren stond de geneeskunst te allen tijde op een hoog peil, zelfs zo hoog, dat onze moderne wetenschappers zich verwaardigen die oude methoden en leringen te onderzoeken, omdat er zoveel juistheid in school. 

Zo bewezen hun instrumenten. 

Zodra we teruggaan in de voetstappen van de geneeskunde verliezen we ons in een tijd "waarin de goden op aarde wandelen". 

Een twijfelachtig uitgangspunt, nietwaar? 

Toch staan de overleveringen, de mythen, de volksoptekeningen, de hedendaagse onderzoekingen, de legenden er vol mee. 

Indien we wat meer willen weten over de geneeskunst en over onszelf dan moeten we die mythen, legenden en optekeningen niet met een arrogant gebaar van onze hand van tafel vegen, want dan komen we er niet. Dan blijven we staan bij dit ongelukkige, zieke, vergankelijke lichaam, dat zich onbeheerst stort op de meest onlogische, onzaligmakende ingrepen om zijn "gezondheid" terug te krijgen. 


In Egypte was de grondlegger van de geneeskunst een nu legendarisch geworden figuur, maar blijkbaar eertijds een mens van vlees en bloed, een achtenswaardig en wijs mens, begiftigd met diverse talenten. 

Zijn naam was Imhotep, die ongeveer 2800 v. Chr. leefde, maar die een navolger blijkt te zijn van nog legendarischer figuren, waarover men nu slechts met een schouderophalen spreekt, omdat men hen terugwijst naar de fantasie of het bijgeloof van een "primitieve" mensheid, n\. van Isis, Osiris en Horus. 

Achtentwintighonderd jaar voor Christus is niet zo heel lang geleden, als je de ontstaansdata van de aarde in de oudste geschriften in de kloosters van India en Tibet in ogenschouw neemt. 

De geneeskunst is echter vee! ouder dan Imhotep, alleen onze zichtbare bewijzen reiken tot dat tijdstip. De beste bewijzen voor deze eerste tekenen van een begrijpbare geneeskunst vind je in de Egyptische papyri van o.a. Isis en Horus, waarin wordt verteld dat in hun tijd de geneeskunst werd beoefend zoals "de voorvaderen dat immer hadden gedaan volgens de gegevens uit het grote Boek, dat uit de hemel was neergekomen, ten noorden van Memphis....." (papyrus Horus) 

In de papyrus van Isis kan men lezen dat de helende gaven komen van de "Zoon des hemels". Blijkbaar komt de kunde van het genezen dus van "buitenaf". 

Deze berichtgeving past in vele andere, zoals die men o.a. vindt in één van de oudste geschriften der aarde: "Het Boek der geheimenissen van Henoch" (Joodse uitgave), waarin staat: "......de Zonen des hemels leerden de vrouwen toverij en bezweringen (magie en mantrams) en onderwezen hen in het delen der wortels van bomen en planten (plantengeneeskunde )". 

Verdere berichten vertellen over het onderrichten in "de loop der sterren en der hemellichamen" en het alleroudste principe van het "zo boven zo beneden" blijkt eveneens terug te voeren te zijn tot deze buitenaardse oorsprong, hoewel men het duidelijk tegenkomt in de boeken van de legendarische Hermes Tresmegistos *), volgens de overleveringen "Keizer van Atlantis", zijn zoon een priester en diens kleinzoon Egyptisch priester", die zijn kennis weer doorgaf aan zijn nazaten, zoals o.a. via de mandala-muurschilderingen van de Tarot in de tempel van Memphis. Die tempel van Memphis heeft toch een belangrijke rol gespeeld in de vestiging van diverse leringen, waarmee we nu zo actief bezig zijn: de geneeskunst, de alchemie en de chemie, de tarot, de astrologie, de getallenleer. 

Natuurgeneeskunde is woordelijk: het genezen via de natuur. Dit is een kennis die, begrijpelijkerwijze, ontstond met het bewonen van de aarde of de schepping, 

De voornoemde "Zonen des hemels" brachten deze kennis mee om hun verblijf op aarde veilig te stellen. Een aards verblijf was voor deze "Zonen" nl. een teruggang in hun ontwikkeling, Zij namen "hemelse" kennis mee, die zij, volgens de verhalen, meedeelden aan de "aardse vrouwen met wie zij gemeenschap hadden". 

Isis vertelt in haar papyrus dat zij haar geneeskunst ontving van één der "Zonen des hemels" met wie zij gemeenschap had. 

lmhotep zegt dat hij een nazaat is van de legendarische Atlantische heerser Hermes, die in allerlei berichten vergoddelijkt wordt. Er zijn schriftelijke berichten over de verhouding tussen deze legendarische Grote Hermes en zijn nazaat lmhotep, die in Griekenland Aesclepios wordt genoemd, waarin o.a. staat: "O Aesclepios, uw voorvader was de eerste ontdekker van de geneeskunst en bezit (is aan hem gewijd) een tempel in het Lybische gebergte, in de omgeving van het strand van de krokodillen (Nijl)". 

Hij is zelf teruggekeerd tot de hemel, van waaruit hij heden nog door zijn goddelijke werken de zwakke mensen alle hulp biedt, die hij hen vroeger op aarde door zijn genezende kunst gaf." 


De alleroudste geneeskunde was altijd verbonden met mantrams, astrologie, religie, dus op de ene of andere wijze spiritueel gefundeerd. Indien de geneeskunde van de "Zonen des Hemels" komt, zou dat ook niet anders kunnen. 

Het, "zo boven zo beneden" principe ging ervan uit dat heel de schepping een reflectie is van wat zich in de hemel afspeelt, of zich aan het firmament voordoet, inclusief de mens. 

Daar de "Zonen des Hemels" de aardse mensen zagen als een reflectie of een voortbrengsel van hemelse entiteiten, zou je in hen dus iets van dat hemelse terug moeten vinden. 

Er zou dus niets, zowel op de hemel als op de aarde zijn, dat zich autonoom voortbewoog. De veel geroemde vrijheid beperkt zich aldus tot een verwisselen van de aardse wet in de hemelse wet. 

De geneeskunst die zich uitsluitend bij het aardse of bij de natuur bepaalt negeert de hemelse wet of de hemelse afkomst. Hetgeen, volgens de ouden, onmogelijk was wilde je een blijvende genezing bewerkstelligen. 

Zo is ook het begrip religie terug te voeren tot re-ligio, de weder (van het Latijnse re - Frans relier) verbinding met het hemelse. 

Daar genezing niets anders is dan het terugvinden van de geest, of het hemelse, of "jezelf", of de harmonie, of het evenwicht, of de kosmische energie, was het vanzelfsprekend dat re-ligio en geneeskunst één en dezelfde waren. 

Heden ten dage vereenzelvigen wij helaas religie altijd met kerken, sekten en groeperingen die uit mensen breinen zijn voortgekomen en een organisatorische en psychische dwang op mens en ziel uitoefenen, waardoor er een onderbreking ontstaat in de re-ligio, de wederverbinding-met-de-hemel, zodat er allerlei lichamelijke en psychische "ziekten" ontstaan, die niet te verhelpen zijn door therapeuten, maar altijd door jezelf. 


Terug naar Imhotep. 

Hij heeft dus op aarde geleefd rond 2800 v, Chr. en was tijdens zijn leven raadgever van koning Djoser. Hij was de zoon van Ptah of Hephaistos van Memphis en zijn moeder was de "godin" Sachmet met de leeuwenkop. 

(Hier weer die verwijzing naar de "goden" van Egypte, die eens "op aarde geleefd" moeten hebben en wie wij beter leren kennen door hun nazaten, die tastbare bewijzen nalieten). 

Imhotep wordt tot op heden beschouwd als een vernieuwer van de bouwkunst en de grondlegger van de Gulden Snede, die "goddelijke" maten waardoor de beschouwer van de desbetreffende bouwwerken, of de betreders daarvan, zoals bij de gotische kathedralen, de sensatie ondergaan alsof zij door harmonie worden overspoeld. 

Hij werd later verheven tot de "god van het schrift, van de bouwkunst en van de geneeskunde". 

Al zijn werken vonden hun wortels en hun goede uitwerking in het "zo boven zo beneden". Wanneer men op zoek gaat naar zijn verrichtingen dan is het opvallend dat men nauwelijks iets vindt, behalve enkele beeldjes in het Louvre, die hem zittende of staande uitbeelden. 

Uit de geschriften van de beroemde Egyptische priester Manethon waarop vrijwel alle historici zich baseren, schijnen al zijn weldaden te zijn weggeschreven door de herschrijvers. 

Een feit, waarover allen, in wie de informatie over de "Zonen des hemels" beroering wekt, zullen nadenken. Er is, in de loop der tijden, tè veel weggeschreven, waarin de wortels van ons mens-zijn begraven liggen. 

Legende en werkelijkheid vermengen zich dus, als we op zoek gaan naar het ontstaan van de geneeskunst. 

De papyrus van Horus, de zoon van Isis en Osiris, beide legendarische figuren, die blijkbaar wel iets op schrift konden stellen, bericht dus over die buitenaardse afkomst van de geneeskunst. 

In Egypte zijn Osiris, Isis en Horus een evenbeeld van onze Maria, Josef en Jezus. 

Zosimos, een beroemde alchemist uit het jaar 300 n. Chr. meent dat veel inlichtingen over Imhotep zijn verdwenen, omdat zijn "leer" (die van de hemelse afkomst) dreigde te gaan overheersen. 

Ook hier is dus niets nieuws onder de zon. Door het bekend worden van de waarheid en het demaskeren van de leugen worden bepaalde machtsposities aangetast. Als we bedenken dat wij de eindproducten zijn van duizendel jaren suggestieve leugens, is het dan een wonder dat we gezondheid, geluk en harmonie verloren? 


De afstamming van Imhotep. 

Hermes, astronoom astrosoof, schrijver genezer; 

Tat, zijn zoon, filosoof, astronoom, genezer; 

Imhotep, bouwheer, schrijver, genezer, filosoof, astrosoof. *) 


HIPPOKRATES VAN KOS 


Hippokrates, degene op wie we de hedendaagse natuurgeneeskunde baseren, werd op Kos, Griekenland, rond het jaar 460 v. Chr. geboren en werd de grondlegger van de School van Kos, van waaruit zijn leerlingen uitzwermden over het oude Griekenland. 

Na elke reis kwamen zij terug om hun ervaringen met hun leraar uit te wisselen. Hij leefde in de bloeitijd van Hellas en niettegenstaande men hem heden wellicht wat onwetenschappelijk vindt, was hij toch degene die de pure geneeskunst te voorschijn haalde uit het bijgeloof, uit de verkrachte magie en uit de machtswellust van decadente priesters, waardoor deze zich op de mens gingen uitleven. 

Genezers krijgen altijd macht over hun patiënten en het ligt aan diens "good standing" of hij met die macht kan omgaan. 

Ten tijde van Hippokrates werden genezers Asklepiaden genoemd, in herinnering aan lmhotep, die reeds tot godheid was verheven. 

Van Hippokrates zijn heel wat geneeskundig-therapeutische geschriften bewaard gebleven, o.a. zijn "Facies Hippokratica", een beschrijving van het gelaat van de stervende mens. Het lijkt dat hij steeds op zoek is geweest naar het mysterie van leven en dood en trachtte een verbinding te vinden tussen het bestaan hier en een eventueel bestaan na de dood. 

In de bibliotheek van Alexandrië, wiens schatten door de grote brand grotendeels werden verwoest, bestond eens een "Corpus Hippocration" zijn verzamelde werken, ontstaan in de derde eeuw na Chr., en 72 boeken bevattend. 

Hieruit blijkt dat de genezer toen nog gedachten had over de mysteriën tussen hemel en aarde en dat de hedendaagse rationalisering, op alle gebied, daaraan geen goed heeft gedaan. 

De rationele kennis kunnen we nl. aanleren, de irrationele kennis ligt latent in ons besloten en kunnen we slechts ontwikkelen. Over dit latent in ons aanwezige irrationalisme zal elke rationalist uitvluchten hebben, maar de werkelijke filosoof herkent daarin zijn drijfveer voor het zoeken naar wijsheid. 

Zowel in de vóór-christelijke tijd als ten tijde van Hippokrates was het vanzelfsprekend dat elke arts tevens filo-soof was, omdat geneeskunst niet te scheiden was van filo-sofia. 

Ook in China is dat terug te vinden, zowel als in India en Japan. De onveranderlijkheid van de totale mens, in zijn samenhang met de natuur en de kosmos, maakt dat vele oude wijsheden nog bruikbaar blijken te zijn. Er is werkelijk, in diepste wezen, niets nieuws onder de zon. Alles herhaalt zich totdat de mensheid haar lessen heeft geleerd. 

In Hippokrates vindt men de grondlegger van de natuurgeneeskunde, d.w.z. het helen volgens de tegenstellingen, alsmede van de homeopathische methode, het helen volgens het gelijkgestelde. 

De antipathieke of de sympathieke therapie. 

Hij volgde hierbij dezelfde methode als Paracelsus: ten eerste, schakel je gevoel en je innerlijke zintuigen in, de intuïtie; ten tweede, schrijf alles op wat je zelf ervaart, de empirische methode en ten derde, het minutieuze onderzoek, want slordigheid in de geneeskunst is niet geoorloofd. 

Uit dit minutieuze onderzoek ontstond de wetenschap. 

Van oudsher werd de geneeskunst uitgeoefend van vader op zoon, en zo werden er families van geneeskundigen gevormd, zoals er eertijds families van priesters waren. 

Leden van een familie, of soms van een ras, kunnen dezelfde kenmerken dragen en een ziele- of bloederfenis kan overgaan op een familielid, kan zelfs bewust vanuit de voorganger worden overgedragen. Er kan ook, indien dit van jongsaf gebeurt, een intuïtie voor b.v. de natuur worden gewekt, zodra het ingeschapen irrationele wordt ont-wikkeld, onder leiding van "iets" of iemand, die deze Kennis reeds bezit. 

Ook bij een geboorte kan "het gelijke het gelijke" zoeken, indien de moeder zich daarop instelt. De intuïtie wordt ont-wikkeld door o.a. de bereidheid tot luisteren, tot zien, tot ontvangen, zelfs buiten de erkende wetenschappelijke feiten om. 

Vandaar dat bij universitaire opleidingen men mogelijk rationele kennis verkrijgt, maar de irrationele kennis blijft toegesloten, waardoor de geneeskunde ten dele blijft en gezondheid van geluk, heling van harmonie gescheiden blijven. 


Op Kos was Hippokrates tegelijkertijd priester (heler van de ziel) en geneeskundige (heler van het lichaam), hetgeen we uit de berichten duidelijk kunnen herkennen. 

Hij beschouwde geneeskunde als een roeping. 

In de alleroudste overleveringen van de geneeskunst wordt duidelijk dat deze kunst van het helen iets te maken heeft met een hemelse openbaring, een geroepen zijn vanuit de hemel. Hoewel hij nu als te "intuïtief" en te "empirisch" wordt beschouwd, komt men toch op veel van zijn zienswijzen terug, al schudt men over hem zijn hoofd evenals over Paracelsus, die altijd met de wetenschappers van zijn tijd in de clinch lag. 

Zegt hij niet in zijn boeken: "Als ik zie dat 80 boeren met hetzelfde kruid een ziekte genezen, accepteer ik dat kruid als medicament, ondanks het hoofdschudden der geleerden." 

Toch bestaat er nog een blijkbaar onuitroeibare herinnering aan Hippokrates in de universitaire geneeskunde en dat is de Hippocratische eed: 

"Ik zweer bij Apollo en bij Aesclepios, bij Hygeia en Panakeia en bij alle goden en ik roep hen tot getuigen....." 

(Apollo = zonnegod, Hygeia, de dochter van Imhotep, Panakeia, een zuster van Imhotep of een kruid). 

Deze eed was zo zwaar omdat men meende dat bij het verbreken daarvan de straf van voornoemde "goden" op de hoofden van de genezers zou neerkomen. 

Bij de "edelste van alle kunsten" moest men leven in de adeldom van de geest, of de adeldom des hemels. De oude, ernstige Hippokrates heeft zoveel raadgevingen voor artsen, therapeuten en genezers achtergelaten, dat je zou zeggen, dat deze er hun voordeel mee zouden kunnen doen of dat het hen tot nadenken zou stemmen. 

Laten we ons niet met deze hoop paaien. Er is niet veel meer van zijn instelling over en ook de oude eed moest worden gemoderniseerd, want al die goden en bezweringen berustten op bijgeloof. Is dit zo? 

Kan het ook niet een ere-code, een innerlijke belofte zijn, gedaan aan edele voorgangers, omdat de geneeskunst een roeping was, een overdracht van gelijke op gelijke? 

Het rationele denken verwerpt dit natuurlijk. Maar wil dat zeggen dat het onwaar zou zijn? 

Laten we eens enkele uitspraken van Hippokrates bezien: "Men heeft aanleg, goed onderricht, een goede onderrichtsplaats, goed onderwijs van jongs af aan, zin om te werken en tijd nodig." 

Dat is heel wat. 

Aanleg is zoiets als aangeboren gave: goed onderricht lijkt iets anders te zijn dan goed onderwijs en slaat op de begeleiding of de aanwijzingen van een genezer en een goede onderrichtsplaats heeft niet veel te maken met comfort of dergelijke, maar wel met sfeer. 

Er zijn plaatsen waar men nooit intuïtief kan werken, omdat er een concentratie van materialisme of slechte trillingen aanwezig is. 

Goed onderwijs, zin om te werken en tijd zijn praktische gegevens. 

"Vóór alles echter telt de natuurlijke begaafdheid. Indien deze niet aanwezig is, is alles tevergeefs." 

Weten we allen niet, ieder uit eigen ervaringen, hoe verschrikkelijk het is om zonder enige aanleg iets te moeten áánleren, dus rationeel inpompen? 

Wat is dan het uiteindelijke resultaat? Tegenzin. Faalangst. Onbegrip. Middelmatigheid. Mislukken. 

Een aanleg of een gave groeit op intuïtie en liefde. Datgene of degene die ik liefheb begrijp ik. Begrip is het begin van de heelkunst. 

"Een arts is tegelijkertijd filosoof, hij moet de gehele mens kennen. Want een arts die tegelijkertijd filosoof is, is goddelijk (geestelijk). Tussen beide, filosofie en geneeskunst, is niet zoveel verschil. Alle vereiste eigenschappen die voor de filosofie nodig zijn, zijn ook nodig voor de geneeskunst. 

Men moet vrij zijn van hebzucht, voorzichtig zijn, bescheiden in zijn kleding, zich waardig en rustig gedragen, een scherp oordeel hebben, vastbesloten zijn, goed kunnen spreken, veel kennis hebben van datgene wat voor het leven nuttig en nodig is, en voorts nog afkerig zijn van onredelijkheid en bovendien vrij zijn van onwijs bijgeloof. 

Dit alles dient tot afweer van bandeloosheid, waardoor het ambt gemaakt zou worden tot een ambt van gierigheid, van hartstocht en van schaamteloosheid." 

Wanneer we deze eisen stuk voor stuk toetsen aan de praktijk, zouden er van ons artsenbestand, therapeuten incluis, niet velen overblijven. Niemand kan zich hieruit redden door te zeggen: "Ja, maar dat was een heel andere tijd! " 

Een genezer blijft een genezer en een mens blijft een mens. 

Een roeping geldt voor verleden, heden en toekomst. 

Vrij van hebzucht zijn is een eis die menigeen te zwaar zal vallen, want waar ligt de grens tussen hebben en hebzucht? 

Heel eenvoudig: in het evenwicht tussen hebben en zijn en dit zowel in geestelijk als in materieel opzicht. 

Wat heb ik nodig om te zijn, naar menselijke maatstaven, niet naar maatschappelijke of sociale maatstaven? 

Wat heb ik geestelijk nodig om te zijn? Een middelpunt, geestelijke zekerheid. 

Daar we momenteel innerlijk zo onzeker zijn, proberen we ons daartegen te verdedigen door steeds meer te willen hebben. We verleggen doorlopend de grenzen van het zijn. Toch komt een uiterlijk zijn voort uit een innerlijk zijn. Een innerlijke vrede schept een uiterlijke vrede (niet de gezapigheid). 

Hoe meer geld we hebben des te zekerder voelen we ons in de maatschappij, niet innerlijk. Veel geld gaat nogal eens samen met innerlijke ongelukkigheid. Uiterlijke bescheidenheid komt voort uit innerlijke dankbaarheid, eenvoud en re-ligio; hetzelfde geldt voor ons gedrag en voor het genoemde scherpe oordeel en voor de vastbeslotenheid. 

Hierbij vallen al die uitvluchten zoals: "je moet niet autoritair zijn, je mag niet oordelen, je moet je licht niet onder een korenmaat zetten", in het niet. Zij duiden op onbegrip van wat Hippokrates bedoelt. 

Ook het "goed kunnen spreken" heeft totaal niets te maken met verkooppraatjes, maar met de retorica, één van de zeven heilige wetenschappen of kunsten. 

Het van binnenuit, gedragen door je ineigen re-ligio of het Midden, je tot de zieke wenden, opdat deze weer steun vindt, in jouw Midden, voorlopig, totdat hij (zij) zelf kan staan. 

Weten we overigens wat voor het leven nuttig en nodig is? 

Of zijn we ook hier het spoor bijster? 

Het leven, zegt hij, niet het existeren in een materialistische, hebzuchtige, machtswellustige maatschappij. Het afkerig zijn van onredelijkheid, kunnen we dat niet van toepassing brengen op de huidige hebzucht? Wat moeten we allemaal niet hebben om mee te kunnen doen in de ogen van de medemensen, althans de onwetende medemensen, die geen roeping hebben, noch weten wat deze inhoudt. 

Is een mens met een roeping niet altijd een buitenbeentje? 

Wordt hij niet altijd extra beproefd, heeft hij niet altijd een zwaarder leven? Sla de historie er maar op na. 

Heeft ooit één geroepene zich daarover beklaagd? 

Vindt hij het niet vanzelfsprekend dat zijn geroepenheid wordt getest, door het leven, door de empirische ervaringen? 

En dat "onwijze bijgeloof" waarop Hippokrates doelt, is dat zo ouderwets? Hebben wij niet het "geloof" dat comfort gelukkig maakt, rijkdom macht schenkt, bezit vrede geeft, techniek zalig maakt, de wetenschap onfeilbaar is? 

Is dat geen bijgeloof van het atoomtijdperk? 

De eisen dienen als "afweer tegen bandeloosheid, waardoor het ambt zou vervallen tot gierigheid, hartstocht en schaamteloosheid". 

Hoe noemen we die huidige race, via al die nieuwe therapieën, methoden en technieken, dan? Zijn zij niet al te dikwijls, helaas, een hartstochtelijke jacht naar geld, naar schijn, een schaamteloze uitbuiterij van de zwakke medemensen, een tentoonspreiding van de "gierigheid" in de liefde van mens tot mens? 

Hippokrates werd een bereisd man, daar vanuit diverse landen verzoeken voor een bezoek tot hem werden gericht en zo kwam hij ook in Egypte, waar hij zich verdiepte in de overleveringen van de hemelse geneeskunst. 

Hij stond bekend om zijn gesprekken met filosofen, dichters en kunstenaars. Er is, zoals blijkt uit al die oude berichten in diverse geschriften, een samenhang te bespeuren tussen hen die de Zeven Heilige Kunsten (Geometrie - astronomie - retorica - aritmetica - grammatica - dialectica - musicologie) 

beoefenden en de genezers. 

Was de geneeskunst geen voortvloeisel daaruit? 

De afgescheidenheid en het "ieder voor zich" was in die tijd nog ondenkbaar, omdat men nu eenmaal van de overtuiging uitging dat alles een eenheid vormde, en dat verdeeldheid ziekte, ongeluk en leugen brengt. 

Het "verdeel en heers" zoals de machtigen der aarde, zowel sociaal als religieus, heden voorstaan komt men pas tegen als de georganiseerde godsdienst zijn machtslichaam vestigen gaat. 

De grote Hippokrates voelde zich niet te wijs, noch te arrogant om alles wat zijn voorgangers hadden gedaan, te bestuderen en erkende Egypte als een land, dat reeds vóór Griekenland zijn grote geneesheren bezat. 

Zelfs de wetenschappelijke chirurgie was er al rond 2500 v. Chr. bekend en men kon zeer nauwkeurig hechten en beenbreuken zetten via methoden die voor de huidige niet onderdoen. Maar de geneeskunst behoorde daar tot het domein van de priesters. 

Ook in Babylon opereerde men reeds weke delen en open benen. Na een mislukking kon de arts worden gestraft. 

Ook de Veda's, de heilige geschriften uit India, menen dat de geneeskunst tot de mensheid is gekomen als een "goddelijke openbaring" en nogmaals, het is opmerkelijk dat daar waar de "oude legende van de ingedaalde engelen" (zie legende) leeft, de geneeskunst op een hoog peil stond: Egypte, Babylonië, Griekenland, India, China. 

Een bron van informatie vormde de bibliotheek van Alexandrië, waar Hippokrates een vaak geziene gast was en waar hij de empirische vondsten van de ouden verzamelde. 

Doen we heden anders? 

Een genezer, en ook Hippokrates, wordt altijd geboeid door het herstelvermogen in de natuur, dat een overeenkomst vindt bij de mens in de innerlijke genezer. Zijn belangrijkste ontdekking was wel dat "ieder mens door zijn individualiteit een individuele behandeling nodig heeft." 

Hetzelfde zegt Hahneman, de herontdekker van de homeopathie. 

Het uitgangspunt dat "alle mensen gelijk zouden zijn" is dus geen oerprincipe, maar iets nieuws. 

Niemand is gelijk. We zijn allemaal individuen. Verschillen onze vingerafdrukken niet allemaal, zoals het ene vogelei verschilt van het andere? 

De psychosomatiek, in zijn opzet, is een uitloper van de aloude geneeskundige opvatting dat geest, ziel en lichaam een drie-eenheid vormen, die men niet kan scheiden zonder dat er ziekte ontstaat. 

De mens moet denken wat hij voelt en omgekeerd, anders wordt hij ziek. Ook Hippokrates heeft het niet gemakkelijk gehad in zijn leven, want zijn empirische onderzoek maakte hem tot vijand van vele bijgelovige artsen. 

In het begin van onze jaartelling riepen Celsus (50 n. Chr.) en Galenus (129 tot 200 n. Chr.) weer op tot het navolgen van Hippokrates. Vooral Galenus werd beroemd om zijn zienswijze over het pneuma: de drager van de levenskrachten en het leven en dat zich uitdrukt in 3 vormen: de psychicon, de zoöticon en de physicon. 

In de moderne psychologie herkent men dit in de pneumatische, de psychische en de hylische mens. 

De eerste (psychicon) bevindt zich in de hersenen en verbreidt zich langs de zenuwen van het lichaam; de tweede (zoöticon) bevindt zich in het hart en de slagaderen en dient voor bloedcirculatie en warmte; de derde (physicon) bevindt zich in de lever en verbreidt zich door de aderen in het lichaam. 

De Chinezen noemen dit pneuma Chi en laten van de hoeveelheid en de doelmatigheid de gezondheid afhangen. 

Van oudsher was de pneumatische mens, de verlichte mens, wiens pijnappelklier (epifyse) goed werkte. 

De psychische mens was de intuïtieve mens, die alles zuiver aanvoelde. De hylische mens was de materialistische mens, die slechts in het lichaam en in het zichtbare geloofde. 

Ook op Galenus gaat de opvatting over de vier lichaamsvochten en de vier elementen terug, eigenlijk een "astrosofische opvatting", die echter ook Hippokrates voorstond. 


Één van de modernste volgelingen van Hippokrates was Boerhaave (18-de eeuw), die tevens alchemist was en daardoor ook veel wist van astrosofie en van de chemie van de kosmos (al-chemie). 

"De arts moet bescheiden zijn en er waardig uitzien, gezond zijn, want ongezonde artsen kunnen geen zieken helen. Rein zijn, goed gekleed zijn en welriekend ruiken." 

Natuurlijk kan men dit afdoen met de woorden: "In die tijd stonk iedereen, omdat er geen zeep was en geen hygiëne." 

Maar we kunnen ook zo denken: "De innerlijke toestand van de mens is te onderkennen aan zijn ziele-reuk." Dit is een uitspraak uit de filosofie en werd de aanleiding tot de geurtherapie. 

Alles heeft een geur: gezondheid, angst, ziekte, dood, goedheid, slechtheid, planten, dieren, stenen, mensen. 

Denk aan de bekende uitspraak: "In een slechte reuk staan" of "Ik kan hem niet luchten of zien." 

"De arts moet kunnen zwijgen (als dit nodig is), een goed geordend leven leiden, dat is voordelig (of goed) voor zijn naam. Hij moet het karakter van een edelman bezitten. (Het worden van een edelsteen is een alchemisch-filosofische allegorie) en tegenover anderen gedraagt hij zich welwillend en mens-vriendelijk; een haastige en zakelijke aard stelt men niet op prijs, zelfs niet wanneer het echt nuttig zou zijn (ook heden nog niet). 

Hij mag niet knorrig, maar moet toegankelijk zijn, zowel voor gezonden en zieken is een knorrig persoon moeilijk." 

De beloning van artsen werd in natura gegeven, want elke geldelijke vorm was een vloek, waardoor zij de gave van de goddelijke kunst zouden verliezen. Deze opvatting leefde nog lang voort in Japan. 

En nog, in onze materialistische tijd, zijn er genezers die menen dat hebzucht of geld hen hun gave ontnemen. Uit zulk een principe zullen zij zich dan ook nooit, over de ruggen van hun patiënten of medemensen heen, verrijken. 


In de middeleeuwen ontstond er een artsenschool, de voorloper van onze universiteiten, die zich op Galenus beriep, maar ook bijgeloof invoerde en de werken van Galenus slecht interpreteerde. 

Hippokrates raakte wat in de vergetelheid, totdat Paracelsus (1493 - 1541) hem in de actualiteit terugplaatste en ongeliefd werd, omdat hij die oude zienswijze in ere herstelde. 

In Engeland was het Thomas Sydenham (17-de eeuw) die Hippokrates' kunde erkende en meende dat het noodzakelijk was dat de arts "de omstandigheden naging waaronder de ziekte was ontstaan en de instelling van de zieke onderzocht." 

Een methode die nog heden in de psychosomatiek en door elke goede naturopatische therapeut wordt gevolgd. Men moet het natuurlijke afweermechanisme stimuleren. 

En waardoor herstelt zich dit? 

Door het individualisme op te wekken. Een mens is geen kuddedier, maar een individu, met een eigen geur, een eigen kleur, een eigen ziel, een eigen smaak, een eigen basis voor gezondheid. 

Men kan nooit generaliseren bij de individuele mens. Zijn individualiteit wordt bepaald door de staat van zijn 

afweermechanisme (immuniteit) en zijn verhouding tot de Grote Genezer of God. 


Dan komt de tijd van de cellulaire pathologie van Virchow en geldt de uitspraak van de clinicus Naumyn als waarheid: 

"De zieke mens interesseert mij niet, alleen het zieke orgaan." 

Pasteur bracht verandering in de zienswijze dat de cel ziek was en vestigde de aandacht op de bacteriologie, maar tot aan de 19-de eeuw bleef de geest van het materialisme heersen. 

Alleen wat door determinatie bleek was waar. Dit is tot aan vandaag de strijd tussen de allopathie en de naturopathie. 


De Grieken vereren hun Hippokrates nog en beweren dat hij in regelrechte lijn afstamt van Imhotep (Aesclepios), vandaar dat we aan zijn woorden: "Mijn kunst en mijn leven zal ik zuiver houden", geloof zullen hechten, ook zijn eerlijke belofte: "Ik zal naar de wil der goden handelen." 

Filosofie is wijsgerigheid en het leren kennen van de verbintenis tussen mens en universum; het universum is in hem, hij is in het universum. Zal de goede, moderne therapeut anders doen? 

Wanneer, zoals men zegt, de geheimen van de goden zullen terugkeren, zal de tijd naderen waarop de goden op aarde zullen wandelen. 

Wel, zijn we er niet mee bezig om hun kunsten en gaven te herontdekken? 

Mogen de gevallen goden mensen worden en deze weder goden zijn! 


*) Literatuur: Discussie tussen Hermes en Tat, in Thrice Greatest Hermes, G.R.S. Mead.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene