Gierigheid - Saturnus


"We moeten er eerder naar trachten onze begeerten te verminderen, dan onze middelen te vergroten."  

Aristoteles. 


De bezieling is het sleutelwoord voor de omzetting van demon in deus en omgekeerd, want zonder bezieling is zulk een totale verandering onmogelijk en daarom is de verwisseling van demon in deus een risico en vooral een 

intensieve aangelegenheid, waarbij ziel en lichaam beide de inzet vormen. Elke spirituele groepering, waarbij sprake is van bezieling, of zij nu een kerk dan wel een occulte of mystieke beweging is, sleutelt aan die omzetting, hetzij van demon in deus, of omgekeerd, maar er zal nooit onbeweeglijkheid of stilstand zijn, het verstenen in een vorm. 

Meestal zie je echter dat deze bezieling zich door alle groeperingen, kerken en afgescheidenen beweegt, waarbinnen zij de individuele ziel aanraakt en de rest van de organisatie laat voor wat deze is: een ledige vorm. 

De gierigheid, als voortbrengsel van Saturnus, heeft een veel slechtere naam dan de gulzigheid b.v., want gierige mensen zijn ongeliefd, terwijl gulzige mensen kunnen rekenen op een meewarige glimlach. Gierige mensen leven in het isolement, zij sluiten zichzelf af, zij potten op, zonder dat de naasten het beseffen en bewaken hun schatten angstvallig uit angst, dat iemand anders er iets van zou kunnen nemen. 

De gierigheid is egocentrisch, zo zegt men, hij behoudt alles voor zichzelf. Wel, alle oeremoties willen alles voor zichzelf, alleen tonen zij dit anders. De gierigheid provoceert de jaloezie, daagt de gulzigheid uit, kan vriendschap sluiten met de wellust, kijkt welwillend naar de hoogmoed, omdat deze toch "niets van hem wil hebben", knikt vriendelijk naar de luiheid, omdat deze zich niet inspant om te "stelen", maar is bang voor de drift, omdat deze zijn vesting kan neerhalen en zijn schatten in een aanval van oprechte woede kan verstrooien, en deze dus tot prooi maakt voor iedereen. 

De drift ontmaskert in blinde woede. 

En alles wat in het verborgene leeft en zich schaamt voor zichzelf, haat die drift. De demonische oeremoties, anders dan hun deus-kanten, kunnen in felle strijd met elkander zijn verwikkeld, waarbij zij niet schuwen elkander te vernietigen of te ontmaskeren. Daarom heerst er onder hen angst. 

Zij bestaan uit angst. 

De gierigheid is een sprekend voorbeeld van die angst. 

Gierige mensen zijn bang met "lege handen" te staan, zowel materieel als spiritueel. Zij zijn vergeten dat de ware schatten zich vermeerderen door uitdelen, dus leven zij in een voortdurende angst voor innerlijke en/of uiterlijke armoede, waardoor zij een speelbal zouden worden van de medemensen ofwel van de andere oeremoties. 

De gierigheid kan niet vergeten. Gierige mensen proberen zichzelf te beschermen tegen iets dat onvergetelijk voor hen is. 

Wat is dat? 

In de materie kan dit eventueel onvergetelijke armoede zijn, maar de spiritueel gevoelige mens gaat verder dan de materiële armoede, die hem niet zozeer benauwt, want het is de geestelijke armoede die hem kwelt en hij is dus waarschijnlijk eens het slachtoffer geweest van een onzekerheid, het zich verloren gevoelen door het verlies van een innerlijke houvast, kortom, hij heeft eens zijn innerlijke "geloof" verloren. Hij is nu bang voor zijn medemensen en wordt gekweld door een onpeilbaar wantrouwen. 

Wantrouwen is de vernietiger van trouw, van vriendschap, van medemenselijkheid, van liefde en van alle gevoelens die een demonische oeremotie zouden kunnen opheffen. 

Iemand die geteisterd wordt door wantrouwen is een beklagenswaardige mens; ook de jaloezie, gezien zijn concurrentiedrift, pijnigt zijn bezitter door wantrouwen, waardoor de innerlijke vrede wegblijft. 

De gierigaard vertrouwt niemand, behalve zijn eigen schatten, die hij slechts te voorschijn haalt om te bewonderen, om zodoende zichzelf in zijn misplaatste vertrouwen en zijn misplaatste zekerheid te sterken. 

De gierigaard geeft niets uit zichzelf weg, noch zijn hart, noch zijn ziel, noch zijn gedachten. Hij lijdt in alle opzichten aan verstopping, opeenhoping, als tegenpool van Jupiter, die lijdt aan een vorm van geestelijke en lichamelijke diarree, doordat hij verkeerd of, net als de gierigaard, hetgeen hij opneemt niet goed verwerkt. 

De gulzigaard is haastig en gedreven, de gierigaard is langzaam, maar neemt het zekere voor het onzekere. In de maatschappij wordt hij laatdunkend bezien en dat past ook voor een kind van Saturnus, want beklaagt deze zich niet, in de alchemische opvatting, dat hij de minste is? 

Niets is echter minder waar. 

Hij voelt zich de minste, de gierigaard voelt zich de armste, maar evenals alle andere zes kameraden kan hij door omzetting een deus worden en een machtige deus, want hij zet om door de standvastigheid, iets dat hem, als een karikatuur, reeds eigen is. Maar het karikaturale terugbrengen tot realistische proporties is moeilijk, zo niet bijna onmogelijk, omdat er dan een ander inzicht, een ander inlevingsvermogen van je wordt verlangd. 

De gierige mens is introvert, ook als dit anders zou schijnen, hij is anders dan je denkt, bezit andere kwaliteiten dan men vermoedt, houdt andere dingen achter dan men zou veronderstellen. 

Maar gierigheid werkt als gif; dat wat niet aan wisselwerking wordt blootgesteld verzuurt, verbittert, vervuilt, verliest zijn levenskracht. Leringen die nooit voor een hernieuwing worden vrijgegeven kunnen verstarren, stoffig worden, onbezield worden, dogma's worden, waar geen ziel wat aan heeft, waar slechts organisaties van bestaan. 

De gierige houdt zich bij het dogma, dat in de loop der tijden bewezen heeft, door angst en dwang, vele schatten te kunnen vergaren, vele leden te kunnen verzamelen, vele zekere bouwwerken te kunnen optrekken. 

Dat wat sterk staat vergaat niet, zo denkt hij, als een 

afdruk van zijn edele emotie: de standvastigheid. 

Standvastigheid kan ook worden geïnterpreteerd als trouw, het tegendeel van wantrouwen, niettemin vruchten van eenzelfde stam. De ziel is en blijft trouw aan haar Schepper, welke omwegen zij ook zal maken om haar deus-gaven te herstellen. 

De gierigaard blijft trouw aan zijn schatten en aan zichzelf, je zult hem moeten doden om die schatten deelachtig te kunnen worden en hierover denkt de drift wel eens, vandaar dat de gierige hem niet kan verdragen. Een gierige en een driftige mens zullen altijd in conflict leven, de ene heeft totaal geen begrip voor de andere. 

De eerste pot energie op, en geeft deze alleen uit voor zichzelf, de andere strooit met zijn energie, en laat deze vrijuit razen over de hoofden van anderen. 

De gierige lijdt aan stilstand, hij ontlaadt noch laadt bij, hij houdt van de luiaard, die zo'n beetje hetzelfde doet en beide worden zij koud noch warm in het bijzijn van de bezieling. 

De gierigaard heeft genoeg aan zichzelf en zijn schatten, de luiaard wordt zo moe van die bezielde spanning. Een gierigaard is nooit een hartelijk, warm, begrijpend mens, zijn medemensen kunnen zich niet aan hem warmen noch op zijn onverdeelde hulp rekenen, er blijft altijd die verborgen wantrouw. 

Elke dogmatische godsdienst staat bol van wantrouwen. 

Elke dogmatische godsdienst is gierig, pot liever op dan uit te delen, hetzij dan aan de "luien", die het toch weer bij hem terug brengen. De gierigaard belet zichzelf te zoeken naar wat hij heeft verloren, omdat hij zijn schatten niet durft los te laten. Hij lijdt aan gevoelsarmoede, kent noch een begeesterd hart, noch een bewogen ziel. 

Zijn "bewogenheid" uit zich in de verdediging, hij komt in akte zodra zijn "schatten" worden bedreigd. En wat zijn die schatten? 

Dat kan van alles zijn: kennis, materiële bezittingen, vermeende geestelijke bezittingen, ervaringen, ontdekkingen. De rationele wetenschap is ook gierig: zodra iets of iemand hun verzamelde schatten te kijk stelt wordt zij furieus, zelfs boosaardig, zodra die schatten worden ontwaard door een "ketterse" vernieuwing. 

De kerken reageren precies zo en alle dogmatische mensen kennen dezelfde reacties. 

De gierigheid is veelal minder duidelijk bij b.v. de Oosterse volkeren die de mystiek aanhangen. Mystiek en gierigheid gaan niet samen, omdat de mystici van binnenuit worden gedwongen hun ervaringen mee te delen of te delen. De mystiek verbindt hart en ziel; de mystiek kan veel meer begrip opbrengen voor de ziele-wellust. 

Gierigheid en wellust gaan slechts samen in de "bevrediging van het hebben", waar ook de gulzigheid zich aansluit. Na het "hebben" komt echter het "zijn" en hier komt de jaloezie ook kijken, zelfs de ziels-wellust, het zielsgenot dat niet meer van "hebben" spreekt, maar van "niet-zijn door het zijn". 

Zowel de lichamelijke als de geestelijke extase zijn een onbelichaamde, onaardse vorm van het zijn. 

Het "zijn" is een doelwit van de gierigheid door middel van zijn "hebben". Uiteindelijk willen alle demonen iets of iemand "zijn", anders zouden zij niet demon zijn geworden: zij willen eigenlijk gelijk aan deus zijn of deus zelf worden. 

Dit vind je terug in hun zeven uitdrukkingsvormen. 

De gierige gelooft pas aan zijn eigen "zijn" als hij genoeg bezit heeft om zich op te kunnen schragen. Alle zoeken een houvast, vrijwel niemand durft louter te "zijn". 

Alleen de hoogmoedige werpt elk houvast van zich en concentreert zich uitsluitend op het "zijn". 

De gierigaard zegt: ik ben als ik heb. 

De gulzigaard bekommert zich noch niet om dit "zijn", want "zijn" betekent stilstand, en zijn "zijn" bepaalt zich tot de akte van het verzamelen, de gierigaard vereenzelvigt zich met zijn verzameling, dat is wat anders. 

De schatten opgeven, inzien dat zij vergankelijk zijn en terugkeren tot onvergankelijke schatten, dat is de opdracht voor de gierigaard. Opgeven wat je hebt, het inruilen voor wat je zichtbaar nòg niet hebt, maar wat onzichtbaar in je aanwezig is, als een ingeschapen schat. Wantrouwen inruilen voor vertrouwen, dogma voor innerlijk geloof, afgeslotenheid voor openheid. Niet meer de verzamelde schatten bewonderen, maar alle zintuigen sluiten en de innerlijke zintuigen openen en zo luisteren naar de de Stem, die zegt: Spring! 

Spring over jezelf heen, over de afgrond tussen iets en niets, en ontdek de schatten die onvergankelijk zijn, daar zij werden gevormd uit eeuwigheidswaarden.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene