Twee stromen

"De goddelijke wijsheid is het goddelijke verstand, 

de goddelijke beschouwelijkheid, 

waarin de eenheid openbaar is. 

Zij is de ware goddelijke chaos, 

waarin alles ligt als een goddelijke imaginatie, 

waarin de ideeën der engelen en zielen van eeuwigheid 

in goddelijk evenbeeld gezien worden, 

niet als creaturen, maar in tegenbeeld, 

zoals de mens zich in een spiegel beziet." 


Uren met Bohemen.

De oude astrologie is na de grote catastrofe uiteengevallen in twee stromen, niet slechts dat de astronomie en de astrologie zich van elkander verwijderden omdat deze astrologie zich verloor in speculaties en onnauwkeurigheid, maar de astrologie zelf verdeelde zich eveneens in: een nuchtere, bijna rationele stroom, die zich nog hield aan de astronomische gegevens; en een mystieke stroom, die voornamelijk werd gefundeerd in de herinneringen aan een plotselinge catastrofe; de laatste richting gaf in de horoscoop aan de zon de voornaamste plaats, terwijl de eerste zich ging verliezen in de belangrijkheid van diens medewerkers, de Aditya's, de twaalf zodiakale constellaties. 

De laatste, dus de mystieke stroom in de astrologie, werd naar de achtergrond gedrongen door de verplaatsing van de aard-as, waarna de planeten de plaats van de zon innamen en er een soort planeetcultus ontstond, die historisch in de oude religieuze leringen is te herkennen. 

Een evenbeeld vindt men in de godsdienst-historie van de mensheid. De oudste zon-maan religie maakte plaats voor zonne-religies en maan-religies, die niets anders deden dan elkander bestrijden, inplaats van, als een herinnering aan hun eenheid, nauw samen te werken. 

De zeven Wetenschappen, als oer-tweeëenheid, hebben dit voorbeeld gevolgd, waardoor rationalisme en irrationalisme tegenover elkander kwamen te staan inplaats van elkander te completeren. 

De astronomie, als één der zeven heilige Wetenschappen, zorgde voor heel wat beroering toen zij uiteenviel in astrologie en astronomie en tenslotte in horoscopie, een helaas maar al te vaak ontzielde leer, en haar vijandig gezinde rationele astronomie. In de oude astrosofie kende men twee principes: het leidende en het dienende, dat zich uitdrukte in de zodiak. 

De veel genoemde "catastrofe", waarbij de zon verduisterde, zorgde ervoor dat een opperkracht zijn plaats afstond aan de dienaren. De leiding ging vooral over op maanleringen en de belangrijkheid viel toe aan de twaalfvoudigheid, waarbij de "dertiende" tot een vloek of een ongeluk werd gebombardeerd. Deze opvatting geldt in het Westen nog, hoewel in het Oosten die dertiende nog steeds analoog is met Licht, de inbraak en de verstoring van de macht van de twaalf, die de tijdelijke schepping uitbeelden. 

Het is ook een voorbeeld van de veelheid die ging heersen over een eenheid. In deze uitbeelding zijn vele facetten van het sociale leven, van godsdiensten en van menselijke gedragingen terug te vinden. Dat echter in onze moderne astrologie, die zo dikwijls ondergeschikt is aan de heerschappij van de twaalven (denk aan het Heilige Avondmaal waar de twaalf de dertiende verraden) toch nog een herinnering is bewaard gebleven aan een oer-astrosofie bewijst de plaats van de ascendant, die de belangrijkste macht is voor het tijdelijke menselijke leven; hij wordt in het westen getekend. 

In de oude Indiase overleveringen troont Avalokitecvara, de grootste en eerste van de boddhisattva's in het Westen. De ascendant is in de horoscoop, na de zon, dan ook de machtigste "demon", die als tijdelijke begeleider van de "zoon van de zon", het zonneprincipe, fungeert. 

Voor de Grieken lag het eiland van de Zaligen in het Westen, en voor de Kelten lag de Aarde der jeugdigen of levenden ook in het Westen. Niettemin gaat voor ons, westerlingen, de zon in het westen onder. De ascendant, zeggen sommige astrologen, is belangrijker dan de zon, hiermee bewijzende dat zij meer hechten aan de tijdelijkheid, dan aan een eeuwigheidsprincipe en dus bestudeerder of uitvoerders zijn van een zodiakale astrologie, die geen herinnering heeft aan de grote catastrofe, die niettemin, volgens de oudste overleveringen, een einde maakte aan een god-mens heerschappij. 

Sommige onderzoekers menen dat het verwijzen naar het zo belangrijke westen in de horoscoop een bewijs is voor de Atlantische afstamming van de astrologie. Atlantische overleveringen, volkomen in overeenstemming met Egyptische berichten, verteIlen dat er boven de zon nog een Oppergod stond, de god die in Egypte Ptah wordt genoemd en de eerste drie-eenheid Ptah - Nout - Osiris uit zichzelf voortbracht. 

In sommige esoterie spreekt men over een "geestelijke zon" waarvan onze zon, en natuurlijk elke zon, zijn kracht ontvangt. De esoterische astrologie zou de mens eigenlijk moeten terugvoeren naar de aanbidding of erkenning van een Zon boven de de zon, dus, in christelijke bewoordingen de Schepper of God. 

In de legende van Manoe Vaivaswate zijn de zeven rishi's, die in zijn ark zijn opgesloten eigenlijk de zeven planeten, of ook de zeven chakra's die aan de twaalf, de zodiak of de natuur, werden gevonden om de Eenheid te dienen, die de veelheid wilde doordringen. Dit beeld is eenvoudig terug te brengen tot ons organisme, waarin de Aritmetica zorgt voor een verdeling in 12, 7, 5, 3 en 1. 

De twaalf paar hersenstrengen zouden wel eens in verband kunnen worden gebracht met de twaalf constellaties en de zeven chakra' s met de zeven planeten, als oeremoties en/of oergaven. De esoterie zegt dat de chakra's nu de verkeerde kant opdraaien en dat elke esotericus hen moet proberen terug te draaien: de oude overleveringen vertellen dat "de zeven goden", met de "val van de goden" , veranderden in "zeven demonen". 

Vanuit dit standpunt zou bij elk chakrum dus wel eens een demon kunnen behoren. In de Atharva- Veda staat geschreven dat "de tijd zich beweegt langs zeven wielen, hij heeft zeven zenuwen, en elk deel van het wiel is overeenkomstig het andere, maar is er niet aan gelijk." 

De Mazdeeën geloofden aan "Fravarshi", een onsterfelijk en superieur deel in de mens, datgene wat de Egyptenaren dus het "goddelijke deel" noemen en wat bij Plato "eros" wordt genoemd, dat goddelijke erfdeel dat de chaos kan ordenen. 

Deze Fravarshi of Feroer werd vergeleken met Mercurius, analoog met de aIchemische leringen; er wordt dus wel duidelijk onderscheid gemaakt tussen een ziel, een kern in alle wezens, zelfs in de dieren, mineralen en planten aanwezig en Fravarshi. 

De esoterie heeft het over een aardse en een goddelijke ziel. 

De ziel die als erfdeel der goden wordt beschouwd is dus de goddelijke ziel en niet een natuurlijke levenskern. 

Aardse ziel en goddelijke ziel zijn echter altijd een twee-eenheid. Van Mercurius zeiden de ouden: "Hij die aan de zon gelijk is en moet ineensmelten met die zon." 

Interessant is hier de oeremotie, als de jaloezie, die bij Mercurius past, en de goddelijke gave, het begeren naar heil of heling dat dus pas bevredigd zou kunnen worden, nadat Mercurius met de zon ineengesmolten is. 

In de astrologie wordt onderwezen dat in de horoscoop een groot verschil bestaat tussen een Mercurius die vóór de zon of een Mercurius die erna staat; vóór de zon betekent dat de betrokkene vrijwel geen ervaringen bezit, na de zon betekent dat hij veel ervaringen heeft, ook wel te vertalen in een "jonge" dan wel een "oude" ziel hebben. 

Oude zielen kunnen hardleers geweest zijn en het behoeft dus geen compliment te zijn als iemand een oude ziel wordt genoemd. Een oude ziel is ook te herkennen in een overdadige handlijnen-structuur. Een Mercurius, geplaatst vóór de zon in de horoscoop, is aldus het teken van een ontvankelijke, leerzame ziel. 

Ook in het Boeddhisme wordt veel waarde gehecht aan de astrowijsheid, gezien de uitspraak van Boeddha in "Les écrits primitifs du Bouddha": 

"Zolang mijn juiste kennis en mijn innerlijk inzicht, met hun drie verdelingen (decaden) en de twaalf afdelingen nog niet zijn gereinigd in deze edele vier waarheden, zolang, mijn monniken, heb ik nog niet de top van de volmaakte verlichting bereikt in deze wereld van goden. 

Mara, Brahma, met zijn scheppingen en asceten, de brahmanen, de goden en de mensen. 

Ik heb dit herkend."  

In het Hindoeïsme en het Boeddhisme zijn de twaalf zodiakale constellaties gelijk aan de twaalf Nidana's, die de oorzaken zijn waardoor de mens wordt gebonden aan het wiel van geboorte en dood (de horoscooptekening), en deze Nidana's kunnen ook duivelen worden. 

In het Boeddhisme zijn deze twaalf Nidana's twaalf bewustzijnstreden, ook bij de Arabische filosoof Avicenna kom je die mening tegen. Zij zijn weer, evenals de zeven wielen, overeenkomstig met elkander, maar niet aan elkander gelijk. Hieruit volgt gelukkig, dat geen enkel zodiakaal type zich meer kan achten dan de andere, zij zijn overeenkomstig met elkander, maar wel verschillend. 

Avicenna richt zich meer op hun reiniging of herstel, het Sanskriet vertolkt meer hun demonische karaktertrekken (demon = god inversus).

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene