Dialectica

Bij menigeen zal het merkwaardig overkomen dat in deze reeks van de zeven Wetenschappen ook de Dialectica staat gerangschikt, een begrip waarover vele meningen bestaan en discussies ontstaan en die door sommige godsdiensten 

volkomen wordt misvat en misbruikt, een teken dat zij de draad van Ariadne hebben laten ontglippen. 

Volgens de filosoof Hegel behoort de Dialectica tot de metafysica, de twee-eenheid: ether en materie. Alles wat voorafgaat door het woord dia, heeft te maken met twee of met door, het dóórzien. 

Een Dialecticus is iemand die de twee-eenheid dóórziet en hij behoorde in de oude tijden tot de hoogstaande, goed onderscheidende kunstenaars. 

De Dialectiek was een vrije kunst, eigenlijk de Levenskunst, die kennen en kunnen samenbracht in de handeling, het levensgedrag. Een dia-lectisch mens is een twee-eenheid, onzichtbaar-zichtbaar, geest-materie, positief-negatief, goed en kwaad. 

Hij is nog niet drievoudig, nog geen gelijkzijdige driehoek, maar is daarvoor wel toegankelijk. Deze Dialectiek kan nooit worden genegeerd, hij moet worden gerealiseerd. 

In de tweeheid ligt de kiem of de vrucht van de drieheid verborgen. De tweeheid, de dia-lectiek is nooit slecht of vervangbaar, zij is neutraal, zich vormend in de handen van de Dia-lecticus. 

In de esoterie wordt wel gezegd dat een mens bestaat uit materie en ziel en dat hij de geest nog moet verkrijgen. Er wordt ingehaakt op de gnostieke overlevering van het Evangelie van de Pistis Sophia, een geschrift uit de 2-de eeuw, van de hand van Valentinus en oorspronkelijk Egyptisch, waarin te lezen valt hoe de Sophia, meestal een vrouwelijke uitbeelding, in de chaos of de stof indaalde om een licht te volgen dat zij abusievelijk aanzag voor het Goddelijke Licht; bij die indaling liet zij de Pistis, haar metgezel in de 13-de aeon, achter, die zij, na de ontdekking van haar misvatting, om hulp vraagt. 

De Sophia wordt bij haar indaling dia-lectisch, vandaar dat dit woord in sommige leringen tot een wat geminacht begrip werd en soms zelfs tot een scheldwoord, hoewel men eerst een goed en waardig Dialecticus moet worden om de Pistis welwillend te stemmen en zijn hulp waardig te zijn. 

De avonturen van de Sophia spreken boekdelen. 

Een Dia-Iectisch mens is dus iemand waarin de Sophia woont; hier te vergelijken met de gevallen goden die hun oerherinnering in dezelfde mens achterlieten. 

Een Dialecticus, in de oorspronkelijke betekenis, is een tot onderscheiding gekomen schepsel, waarin de Sophia de Pistis tot hulp roept. In deze opvatting staat het woord Sophia (wijsheid) voor ziel en het woord Pistis (Rede of Kennis) voor geest. 

Het gaat dus om een oer-tweeëenheid: geest-ziel, waarvan de Dialectische twee-eenheid een weerspiegeling is. Een Dialecticus is gelijktijdig een gestrafte, een ingedaalde en een zoeker. Juist door zijn evenwichtige twee-eenheid heeft hij de gave tot herkennen en is hij aanspreekbaar vanuit de materie èn vanuit de spiritualiteit. Hij staat open voor alle Kunsten of Wetenschappen. 

Daarom is het een compliment indien iemand je een Dialecticus noemt in de oude betekenis van het woord. 

Via de zeven Wetenschappen of Kunsten kan deze Dialecticus terugklimmen langs de hemelladder met de zeven sporten, die, zoals de mystieke taal zegt, op bepaalde momenten vanuit de hemel nederdaalt. 

Alle ingedaalde "goden" bezaten de zeven Kunsten in zichzelf verborgen, maar toen deze uit de verborgenheid te voorschijn kwamen werden zij zichtbaar, als uiterlijke vormen. Creativiteit brengt de vorm naar buiten, brengt überhaupt naar buiten "wat in ons zit". 

Creativiteit is tegelijkertijd een verlossing en een ontmaskering, en dan kan de waarheid luisterrijk of ontluisterend zijn. 

De oude benaming voor Dialectica was Sophistica. 

Heenwijzend naar het begrip Sophia, vandaar de aanduiding van Valentinus in zijn allegorie. 

De Dialecticus bezat een ingeschapen Sophia, wijsheid of ziel. In de ziel ligt wijsheid. In het spraakgebruik kennen we ook de aanduiding "sophisticated" voor mensen, die men cultureel beschaafd vindt en die de gewoonte later aannamen om een taal te spreken, die onbekend was voor het "gewone volk". 

Een echt sophisticated mens spreekt werkelijk anders, handelt werkelijk anders; de gewoonte om een buitenlandse taal te spreken in het bijzijn van "lagere klassen" is een degradatie van het "een andere taal", een innerlijke taal, spreken, een priesterlijk geschrift gebruiken, een inhoudelijke taal spreken. 

Een dialectisch mens bezat een hoge moraal, hij bezat wijsheid en innerlijke adeldom. Daarvoor behoefde hij niet zijn best te doen, maar deze gaven kwamen spontaan uit hem naar boven, als iets vanzelfsprekends. Een dialectisch mens is dus van binnenuit sophisticated en aldus begiftigd met ingeschapen aanleg of gevoeligheid voor alle kunsten. 

Voor die hemelse of vrije Kunsten, die de Kracht doorgeven. Voor alle uitingen die die verloren gewaande Kracht uitdragen, dus ook voor de leringen en de kennis die uitvloeisels zijn van de Kunsten en de Kracht bewaarden. 

De nazaten der goden zullen hun wortels ook altijd hebben in de verste oudheid, die wortels zullen soms zelfs onnaspeurbaar zijn. 

Vandaar de hedendaagse nostalgie. Men zoekt zijn wortels. 

De gevallen "goden" zoeken hun afstamming, hun oorsprong, hun wortel. Het is een nostalgisch verlangen naar een tijd, waarin die hemelse kracht of bezieling nog aanwezig was. 

Een dialectisch mens onderscheidt feilloos het bezielde van het ontzielde, het kunstmatige van Kunst, de uiterlijke 

techniek van de innerlijke Kracht. Kortom, hij kijkt, luistert, proeft, onderscheidt tweevoudig omdat hij tweevoudig is. 

Hij is tevens vooral, en dat is belangrijk, op weg naar de drievoudigheid. Die begeerte naar de drievoudigheid is terug te vinden in vele oerleringen die de mens op deze wereldreis vergezellen: de heilige drie-eenheid, de geneeskunde van geest-ziel-lichaam. 

De Druïden droegen deze universele basis aan de westerse wereld over die tot aan dit moment nog hing aan de tweevoudigheid, de Dialectica en deze verheerlijkte; de nieuwe idee: er is niet slechts vorm en inhoud, maar er is ook het materiaal zelf, niet slechts de inhoud en de beker, maar ook het materiaal van de beker, kwam van de Druïden. 

De derde is datgene wat de inhoud omvat, de rand tussen water en beker b.v. Niet alleen de vorm, maar ook het materiaal moet van hoogstaande kwaliteit zijn. Niet alleen de Geometrie telt, maar ook wat hij is, of wie het overdraagt. 

De Druïden vonden het materiaal bepalend voor het uiteindelijke succes, de middelaar bepaalt dus het resultaat, de ziel bepaalt welke of hoeveel geest zij aantrekt. Het materiaal werkt al dan niet met de vorm samen. 

Een schone vaas van onwaardig materiaal doet veel aan de vorm af, bederft de uitstraling, het wezenlijke. Het gebruikte materiaal moet dia-Iectisch zijn, tweevoudig, dus natuurlijk. 

Vandaar dat natuurlijk materiaal altijd het beste de zeven Kunsten kan vertegenwoordigen. 

Één van de beste natuurlijke materialen is de mens. Hij is alle zeven Kunsten in één vat. De Dialectiek als de Kunst van het onderscheid is reeds lang verloren gegaan, want wie kan nog goed onderscheiden? 

De 20-ste eeuwse mens is niet dialectisch genoeg, niet sophisticated, in de oorspronkelijke betekenis van het begrip. 

Het hanteren van foutieve begrippen bij verwoordingen en in de spreektaal bewijst het falen van het dialectische vermogen. Er wordt vrijwel niet meer onderscheiden, er wordt op gezag aangenomen. Er wordt niet meer afgegaan op intuïtie en ge-weten, maar op menselijke, vaak onvolwaardige autoriteiten. Dan wordt dociel het foutieve aangenomen en het juiste domweg verworpen. 

Soms protesteert het ge-weten of de intuïtie irriteert de betrokkenen, maar uiteindelijk voegt men zich weer naar de maatschappelijke regels. 

Hoewel er in een dialectisch mens, dus in alle "gevallen goden en hun nazaten" een onderscheidend vermogen, een controle-mogelijkheid aanwezig is, wordt er nauwelijks of geen gebruik van gemaakt. Hierdoor gaat het aan kracht inboeten. 

We hanteren en vereren zonder protest dode wetenschappen, foutieve inzichten, dwaallichten en over deze ontzielde dingen spreken we, discussiëren we, maken we ons zorgen, en pijnigen we onszelf en funderen ons gehele leven er zelfs in, menen de dat we hiervoor veilig en zeker zullen zijn. 

We proberen ons leven inhoud te geven door dode dingen, door tijdelijke dingen, die met de tijd vergaan. Een onwaardig gedrag voor hen, die uit de "hemel indaalden", en de hemelse of vrije Kunsten in zich omdroegen. 

Een Kennis die niet bestemd was voor vergankelijke wezens. Die tijdelijke dingen geven ons een gevoel van ongelukkigheid, maken ons onbevredigd, scheppen dus onvrede, maken ons ziek en disharmonisch en tegenstrijdig en veroorzaken aandoeningen, gebreken en ziekten die we niet zouden behoeven te hebben. 

En het mooiste is nog: we beseffen dit en dat maakt ons nog ongelukkiger. Gelukkig is er nog zoiets als een heimwee, een innerlijke vage pijn, een soort oerherinnering, die ons aanzet tot zoeken en die ons vaak in het goede spoor houdt, op weg naar de hemel. 

Die oerherinnering kan ons allereerst herscheppen in dialectische mensen, sophisticated people, op weg naar de harmonie van de Geometrie, lezende de heilige Grammatica, sprekende als een Retoricus, iemand die in staat is de hemel door te geven aan die medemens, die nog zoekt naar de Dia-lectiek, het doorzien van de twee-eenheid. 

Indien we zo gelukkig zijn iets van deze Wetenschappen te bezitten èn te verwerkelijken zullen we ons "heel" voelen, gezond naar lichaam, ziel en geest.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene