Astronomie

De hemel was er eerder dan de aarde, zeggen de legenden, de hemel is haar vader-moeder en de aarde is het kind, de tweede moeder van haar schepselen, de tijdelijke moeder, een Eva, een moeder van leven en dood. 

Zo was er in de verste oudheid een oerschepper die men Atoûm noemde, waarvan ons woord atoom, dat in alles en allen is, dat onsterfelijk is en onvervangbaar, afstamt. 

Deze Atoûm was eenheid, ondeelbaar, levende in en uit zichzelf; Atoûm schiep uit zichzelf een drie-eenheid, hij verenigde zich daarvoor met zijn vrouwelijke zijde en bracht de sfeer voort, de ether, pràna, chi en de hemelse Chi, die 

de mensen inademen als zij nog in de moederschoot verborgen liggen. 

De Astronomie begraaft haar wortels in een legendarische grond en kan wellicht de oudste onder de zeven Wetenschappen worden genoemd en daarom werd hij eerst aangeduid als: "De geometrische, goddelijke, berekeningen", die direct in verband stonden met de loop der sterren en planeten, de plaats van de zon, de plaatsen van de twaalf sterrenbeelden in de gordel. 

Deze "Astronomie" was bekend in ver vóórchristelijke tijden, maar veranderde door de grote catastrofe, die men in alle literatuur kan terugvinden en werd na die catastrofe, waar de bekende "zondvloed" een uitvloeisel van is, een tweespaltige Wetenschap zich concretiserende in de Astronomie en de astrologie, die tot aan vandaag elkaars vijanden zijn. 

Dit is begrijpelijk, daar de commerciële instelling en de popularisering van de astrologie alleen maar de minachting van de wetenschappelijke astronomen oproept, die echter weer op de diskwalificatie van de astrologen kunnen rekenen vanwege hun dogmatisch eenzijdige wetenschappelijke opstelling. Maar hierin schijnt verandering te komen, omdat het doorlopend in contact zijn met het firmament of de hemel, invloed uitoefent op zijn bestudeerders en dus lijkt er een toenadering te ontstaan tussen Astronomie en filosofie. 

Hier zijn de astrologen vaak in gebreke, en zeker nu de computer in hun branche ook zijn intrede heeft gedaan, en er dus een verwijdering ontstaat tussen de natuurlijke hemel en zijn geïnteresseerde schepsels. Ook bij de Astronomie is dit zo, maar hier vindt men bij de goeden toch een bezieling voor het firmament, wat bij de astrologen meestal ontbreekt, zeker als zij hun vak vercommercialiseren. 

Hoe het ook zij, in een grijs verleden was er de Astronomie, die tegelijkertijd een astro-sofie insloot, wat betekent dat deze Astronomen heel goed zagen dat er een "zo boven zo beneden" was, een hemelse wet die zich weerspiegelt op de aarde en haar schepsels. 

Als vader van de Astronomie - astrosofie wordt Hermes Tresmegistos genoemd, die de Egyptenaren Thot noemen en soms "de driemaal Grote", als een verwijzing naar zijn Kennis en gaven. 

Deze "driemaal grote" Hermes was, volgens de legenden, keizer van Atlantis; beter te volgen zijn de sporen van zijn kleinzoon Thot of Hermes III, die de vader was van Tat, wiens zoon Imhotep werd genoemd. 

Egypte is de vroegste bakermat van de Astronomie, de alchemie, de getallenleer, de Geometrie en de geneeskunde, zover als de historici dit hebben kunnen nagaan aan de hand van de papyri en de inscripties van Denderah. 

Ook hier wordt gesproken over de "goden" die door de primitieve, onwetende bevolking werden verwelkomd. 

Waar die "goden" of kennisdragende wezens vandaan kwamen? Uit de hemel in een soort ruimteschip, maar ook wel via de zee vanuit een ver, legendarisch land. 

Atlantis? Hyperborea? 

Speculaties te over, maar dit boek leent er zich niet voor hier dieper op in te gaan, hoe boeiend zulk een speurtocht ook zou zijn. 

De Astronomie is een intrigerende wetenschap, waarbij toch een behoorlijke hoeveelheid intuïtie noodzakelijk is, waarvoor de grote astronomen zich nooit schamen. In de Astronomie is alles mogelijk; hij is vol verrassingen en hij maakt haar beoefenaars bescheiden. 

In universitaire kringen zijn de astronomen bekend als een "vreemd" volkje waaraan ten enenmale de arrogantie van de wetenschapper ontbreekt. Elke wetenschap drukt zijn stempel op zijn beoefenaar. 

De Astronomie wordt duidelijk aangehaald in de legende van de "indaling van de engelen" als de "kennis van de loop der sterren en planeten", de astro-Iogie wordt niet gememoreerd, en dat is begrijpelijk, daar de horoscoop eertijds niets anders was dan een sferentekening van hemel en aarde, een hemel-aarde beeld, verdeeld in twaalf sferen en waarvan de mens een kopie is, zodat je dus die tekening of verdeling ook in hem zou moeten vinden, evenals in de schepsels van de drie andere rijken. Ook hier is het weer de interpretatie die de waarde bepaalt. 

De astro-Iogen gaan niet met hun tijd mee, behalve in commercieel opzicht en willen zich niet laten beïnvloeden door de "filo-sofie", die echter eigenlijk geen andere "taal heeft dan de natuur", waarop zij hun vak baseren. Misschien is het nog gemakkelijker vanuit de moderne astronomie 

tot de heilige oude Wetenschap terug te keren dan vanuit de astrologie. Hoewel er nu ook een "esoterische" astrologie opstaat, die zichzelf echter beter astro-sofie zou kunnen noemen. En de astro-sofie en de astronomie zouden elkander moeten kunnen begrijpen, indien beide hun dogmatisme zouden laten vallen. 

Ons zonnestelsel en de ontelbare andere zonnestelsels bewijzen door hun gedrag en hun wetten dat er ergens in het heelal een motor of een bron moet zijn, die dit alles in beweging of in orde houdt. Geen enkele Astronoom zal deze bron ontkennen en de aanwezigheid daarvan lijkt als een soort genees-kunst, een soort therapie voor lichaam en ziel te werken. 

Moge de computer nooit dit contact tussen hemel en mens verstoren. Doch ook de satellieten dragen verrassende berichten over, waardoor het contact met de oneindigheid blijft bestaan. Aan de hemel gelden wetten die zich kristalliseerden in de aardse schepping, in de vier rijken, in het menselijke organisme, in ons gedrag, in onze levensweg. 

De macrokosmos weerspiegelt zich in de menselijke microkosmos en deze is verantwoordelijk voor het wel en wee van ons organisme. De verhouding macro-microkosmos bepaalt ons gezond, dan wel ziek zijn. Hun verbintenis, dan wel hun gescheidenheid, slaan terug op ons organisme en ons emotionele en mentale gedrag. 

Paracelsus drukte het op zijn manier uit: De grote Archäeus bestemt het leven van onze kleine Archäeus. Onze ziel is direct afhankelijk van de toevoer van etherische trillingen van het prana uit de kosmos, die doorstraald wordt door de energie die van de Ene Bron uitgaat. Aan de hemel vind je quasars en zwarte gaten, kometen, sterren, witte dwergen, planeten, sterrenmassa's. De zg. zwarte gaten slurpen energie op en persen een hemellichaam ineen tot de grootte van een soepblokje, waarna het verdwijnt in een donker gat. 

Waarheen? Niemand weet het. De gaten gedragen zich als draaikolken en werken dus met implosie, die even schrikwekkend blijkt te zijn als een explosie, waarmede de zon zich in leven houdt. 

Maar de zon, zo zeggen de astronomen, zal eens zijn uitgeblust. Op aarde, onder de mensen, zie je dezelfde gedragingen: er zijn er die de energie van anderen opslurpen, er zijn er die door de vele explosies uitgeblust raken, er zijn er die zichzelf voortdurend ontsteken zoals de quasars, en er zijn er die lichtloos heenvegeteren, zoals de witte dwergen, er zijn er die zich alleen prettig voelen in een massa, zoals de sterrenclusters. Een quasar is op weg naar een mysterie; verlaat hij ons zonnestelsel op weg naar een ander zonnestelsel om dit als ster te gaan verlichten of als zon te dienen, of is hij op weg om een nieuw zonnestelsel op te bouwen? 

Verlaat hij "ons" met een "opdracht'? Of keert hij na een omweg in het onmetelijke heelal terug? 

De Astronoom is de beoefenaar van enige "kunsten" tegelijk: de Astronomie, de Geometrie, de Aritmetica, de Musica, als sferenmuziek, de Retorica, zodra hij zijn "kennis" moet overdragen aan de kleine aardbewoners, en de Grammatica, als hij ermede bezig is de hemellichamen of het Boek der Natuur te lezen. 

Zodra hij zijn intuïtie inschakelt is hij een Dialectisch mens, een onderscheider, zonder behulp van de techniek. De astronomen bedienen zich van de quantum-mechanica om door te dringen in die wonderbaarlijke wetten des hemels, want zonder die quantum-mechanika, die zich baseert op -1, is dit onmogelijk en nog plaatst de Ruimte hen nog voor verrassingen, die zij slechts afdoen met "het universum is een chaos", vergetende wellicht dat het woord "chaos" vanuit het Grieks een volkomen andere betekenis had dan de populaire spraak veronderstelt. 


Eén van de goede boeken over astronomie is b.v. "Over de rand van de Oneindigheid" van Paul Davis, waar vele onverklaarbare gedragingen van het universum in ter sprake komen, aldus een poging om astronomie en filosofie samen te brengen. 

In de tempel van de "Dame des Hemels" te Denderah zijn vele inscripties die "driemaal heilig" worden genoemd, omdat deze werden neergeschreven door de priesters, die zich in die tijd uitsluitend met de Astronomie mochten bezighouden, als zijnde een "heilige" Wetenschap. 

Alle leringen die "van de goden" komen blijken eertijds "heilig" te worden genoemd door, vanzelfsprekend, de aardse wezens die er mee kennis maakten en hen niet begrepen, dus verkeerd aanwendden, en slechts hun kleed beroerden, maar nooit de inhoud. 

De Egyptenaren, een hoog gecultiveerd volk voordat hun land door een catastrofe werd getroffen, waren beslist geen afgodendienaren, natuuraanbidders of planeetverheerlijkers, maar blijkens de hiëroglyfen hun wetenschap goed te verstaan. Niet voor niets lieten zij vele "onopgeloste" raadsels achter, waarover zoveel literatuur is verschenen. 

Toen Europa nog onbevolkt was, toen andere landen nog bevolkt werden door wezens, die zich in dierenhuiden hulden en zich met knots en steen in leven trachtten te houden, bloeide in Egypte reeds een hoge cultuur, met alle takken van kunst en wetenschap daaraan verbonden. 

De muurschilderingen zeggen genoeg. Plato spreekt geen onzin in zijn Thymeus en zijn Ilias. Het is gemakkelijk alles af te doen met "onzin", maar waarom weten de Dogons zoveel over Sirius, terwijl zij toch een "primitief" volk zijn? 

Sirius was in de oudste Egyptische tijden hun leid"ster", een constellatie waarnaar zij zich in het dagelijkse leven richtten. 

En dit wordt gestaafd door de inscripties. 

Onze astronomen, bereid tot onderzoek en erkenning, hebben zich naar de Dogons begeven om hun beschrijving van Sirius aan te horen en ook zij stonden versteld over de gegevens die zij vernamen, gegevens die hun eigen instrumenten slechts kort tevoren en met de uiterste moeite hadden geregistreerd. 

De kennis van de Dogons kwam van "vader op zoon", dus stamde uit zeer verre tijden. Niet uit de legende, niet uit de fantasie, maar uit de realiteit van een grijs verleden, dat wij, moderne mensen, gelegendaliseerd hebben.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene