Vissen - Jara-marana

Het wegsterven; 

Avicenna - vereniging - ontwaken. 


De Vissen zwemmen samen in de Oceaan van Ea en vergeten alles wat om hen heen gebeurt; het water is zo helder, zo heerlijk van temperatuur, en zij zijn op weg naar, ja, waar naar toe? 

Naar een ander water om zich voort te planten? Of trekken zij kringen in aanbidding voor elkander? Als visjes van Jupiter zijn zij ook begenadigd en zullen dus ook deelnemen aan de wederopstanding, zoals er in de Egyptische overleveringen staat en dus is dat wegsterven niet zo heel moeilijk, want de Vissen geloven aan wederopstanding, zij zijn overtuigd van een ander leven, zij zijn ervan overtuigd dat er beslist niets mis kan gaan. (Vissen leggen eieren, een eeuwigheidssymbool). 

Zij zijn net zo gegrepen door hun abstracte beeltenissen als de Boogschutter, maar zij zijn beweeglijker, niet zo snel geïrriteerd; tenslotte zijn zij met z'n beiden en als de ene faalt is er altijd nog de andere. Dat maakt de Vissenmens ondoorgrondelijk en tamelijk ongrijpbaar, vissen zijn glad, nietwaar? 

Niettemin hebben ze schubben en zullen zich eerder terugtrekken dan door de medemens worden verwond. 

Elke vis is echter te vangen door een hengel, met daaraan een lokaas, dat is hun zwakke punt. Zij kunnen worden gelokt door allerlei azen, hierin is natuurlijk de aard van de Vis doorslaggevend. En als zij eenmaal zijn gelokt, dan begint de lijdensweg, de ontgoocheling. 

Worden vissen niet dikwijls ontgoocheld? 

Dat komt door hun zwakke realiteitszin, een typische signatuur van Jupiterkinderen. Ze hebben echter op de Boogschutter vóór, dat de Schorpioen nooit aan hun staart gaat hangen en hen dus noch vergiftigd, noch hen afleidt, want daarvoor zorgen ze altijd zelf. Deze afleiding komt uit henzelf, van het gedrag van het "innerlijke visje" dat hen vergezelt, ofwel van buiten, van de omstandigheden. 

De prachtige Oceaan van Ea lijkt dan niet meer te zijn als voorheen, de temperatuur verandert, de helderheid neemt af, maar dat kunnen ze niet geloven en daarom zwemmen ze door tot aan de ontgoocheling, waaraan dan heel wat kleinere narigheid voorafgaat. Het wegsterven wordt dan iets dat van buitenaf komt, de omstandigheden dwingen hen tot dit "sterven" en ook dat wordt een ontgoocheling, want de Vissenmens, als kind van Jupiter, weet heel goed, dat dit zich op een andere manier zal moeten voltrekken, nl. vanuit inzicht en omzetting zal moeten worden volbracht. 

Daarom is het verrassend dat Avicenna twee begrippen bij hen plaatst: vereniging en ontwaken. De vereniging is het opgaan in de wedergeboorte, in het licht, en dan volgt daarop een ontwaken zonder ontgoocheling, maar met een bevestiging van alles waarover zij droomden, toen de Oceaan van Ea nog helder en betrouwbaar was. 

Op aarde zijn dromen echter bedrog, zoals een spreekwoord zegt, de realiteit is anders, hetgeen ook de Boogschutter telkens weer ervaart, maar hem overkomt het door de giftige Schorpioen. De Vissen overkomt het door neergekwakt te worden op het "droge", zoals de hengelaar met zijn gevangen vissen doet en dan spartelen ze ontgoocheld tegen het sterven. 

Het lokaas doet een "Vis" altijd de das om. 


Het Hindoeïsme ziet de zodiakale tekens als opklimmende treden van bewustzijn, het Boeddhisme daarentegen ziet hen als naast elkander aanwezige belemmeringen van een ronddraaiend wiel. 

In het Evangelie van de Pistis Sophia zijn het aeonen, die stuk voor stuk moeten worden overwonnen; in de astrologie is de ascendant de tijdelijke metgezel voor dit leven en de descendant de metgezel die we in een vorig leven hadden, en wiens provocatie we hebben doorstaan. 

In China, Tibet, India en Egypte wordt de vierde cirkel binnen het levenswiel verdeeld in twaalf Nidana's, waarvan de eerste bovenaan staat, en die draaien volgens de wijzers van een klok. De planeten worden vergeleken met geestelijke stromingen in een mens, of geestelijke kernen en zij worden gesymboliseerd als volgt: 

De Zon, Surya, is de levensadem Atma en dus is de plaats van de zon in de horoscoop bepalend voor de hoeveelheid en zelfs voor de kwaliteit van deze levensadem. 

De Maan is Chandra, het zieleprincipe (de ziel), het vrouwelijke en het gevoelige, dat altijd moet samenspelen met de levensadem; een verbreking van hun verhouding brengt ziekte en ongeluk. 

Mars is Kuja, de nemende liefde, de moedige liefde die koninklijk en strijdbaar kan zijn. Mercurius is Budhan, de goddelijke wijsheid, maar ook de slimheid of de herkenning. 

Jupiter is Brishapati en wordt verondersteld een innerlijke goeroe te zijn, een herinnering aan de verbintenis met de hemel of een aloude kennis, die van de voorvaderen of uit de ziel kan stammen. 

Venus is Shukra, het vrouwelijke aspect van Vishnu, de schenkende liefde, die ook hier zich niet alleen beperkt tot de familie. 

Saturnus is Shani, de langzame en de behoudende, de louteraar. Aan de betekenissen die aan de karakters van de planeten worden gehecht is te herkennen hoe in een mens zeven hoedanigheden aanwezig moeten zijn om tot wijsheid of tot opstanding te kunnen komen. 

De zeven hoedanigheden zijn dus terug te vinden in de horoscoop, maar de voorwaarde blijft, dat zij als hun edele zijde werken om tot resultaat te kunnen voeren. 

Saturnus, als loutering en als langzame, wordt gezien als de gang door de incarnaties heen, waardoor de "ziel" tenslotte gelouterd zal worden. 

Bepalend zijn in de alleroudste opvattingen: de stand van de zon, de stand van de maan en de ascendant in de horoscoop, deze drie zijn tezamen verantwoordelijk voor de kwaliteit van de betrokkene en tezamen bepalen zij eveneens zijn "Parce Fortunae", de drempel die een belemmering is uit een vorig leven, maar die, door veredeling kan leiden tot Het geluk.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene