Steenbok - Bhava

Het werken; 

Avicenna - goddelijke spiegel. 


Niemand is ijveriger dan de Steenbok, die wordt geregeerd door Saturnus - Hor-Sar-Kher, een planeet die het tegenovergestelde bewerkt van Jupiter - Hor-Chêta; dat wil dus zeggen dat hij geen "uitredder" is, noch een begunstigde van Ptah I; in de Griekse mythen verslond hij zijn kinderen direct na hun geboorte, een zekere dood is hun deel, maar zoals alles in de natuur, gaat het om een omzetting, hoewel hier niet bepaald een vriendelijke. 

Het wil echter wel wat zeggen over de alleenheerschappij en de bescheiden Steenbok blijkt dus wel degelijk een persoontje waar je rekening mee moet houden, al lijkt hij niet zo stralend, niet zo energiek, of niet zo ijverzuchtig. 

In groepsverband, en daarheen verwijst de mythe, gaat het altijd om de eer, de eer van de ijverigste en de onontbeerlijkste. Men kan op allerlei manieren naar een eerste plaats streven; de Steenbok doet dit door werken en het valt hem heel moeilijk om over zijn eigen schaduw heen te springen, hoewel dit hem eigenlijk niet kan worden aangerekend, daar ook zijn kinderen een ikje hadden, dat zich niet zo gemakkelijk liet wegcijferen. 

Het is een geluk dat de Steenbokmens zich kan overgeven of zichzelf kan bewijzen in werken, anders zou hij ondergaan in depressies en zelfbeklag. In zijn hart is hij natuurlijk dol op eer, die zijn ik versterkt, hem een zelfbevrediging geeft, die hij op geen andere manier kan verwezenlijken. Hij wenst zó graag uit de grauwheid en zijn eigen minderwaardigheidsgevoel omhoog te komen, dat hij een streber wordt, die op de ene dan wel andere manier tracht zijn "medebroeders en -zusters" naar de kroon te steken, doch dit komt niet uit jaloezie, maar uit een zelfhandhavingsdrift, die Saturnus - Hor-Sar-Kher hem ingeeft, zoals deze waarschijnlijk eens, door het opvreten van zijn rivalen, dacht zowel hun eigenschappen te verkrijgen als hun uiterlijke aanwezigheid kwijt te zijn. 

In zijn hart zou de Steenbokmens wel graag bepaalde eigenschappen van zijn rivalen willen bezitten, en vooral degene die hij bewondert, imponeert hem zodanig, dat hij een gevangene van zijn eigen bewondering zou kunnen worden, zoals Saturnus zijn moeder Isis-Isit, de maan verafgoodde. 

Ook hij wil, net als de maan, een spiegel zijn van het hoogste of de zon, maar het lukt hem niet, omdat hij niet in staat is zoveel lichtkracht te bewaren, hij is te log en te traag; hier betekent dit, dat hij te materialistisch, te gebonden is aan de aardse zekerheid om een spiegel te kunnen worden, zoals zijn moeder. Haar kwaliteiten adoreert hij, hij bewondert zijn Vader Osiris, de zoon van de Zon, en gevoelt zich tekort gedaan, omdat hij in niets op deze lijkt. 

Dan is werken een compensatie, de aandacht op zich vestigen, mee willen tellen. 

Als Avicenna bij de Steenbok de "goddelijke spiegel" zet, dan schetst hij een ideaal beeld van de Steenbok, het beeld dat hij zou willen zijn, dat hij probeert te zijn door zich in de buurt van belangrijke of grote mensen op te houden, zodat hun kracht zich in hem zou weerspiegelen. Hij weet heel goed dat, inplaats van menselijke figuren te weerspiegelen, hij de goddelijkheid zou moeten weerkaatsen, maar dat kan pas als hij radicaal omkeert, belangeloos wordt, zijn vermeende zekerheid loslaat en het waagt met uitsluitend de overtuiging van zijn goddelijke afstamming. 

Osiris en Isis, de lichtenden, zijn immers ook zijn ouders? 

Om een goddelijke spiegel te zijn moet je jezelf kunnen uitschakelen, moet je gereinigd worden van materiële hebzucht, ook al is deze er slechts om jezelf een bodem te geven; niettemin gaan zulk een materiële zekerheid en het goddelijke spiegelbeeld niet samen, het is het ene of het andere, demon of deus. 

Het woordje "of" is hier de afgrond waarin de Steenbok zijn nek denkt te breken en die hem ook weerhoudt om de "oude wijze" te worden, zoals de legenden vertellen. 

Saturnus is de laatstgeborene en zal ook het laatste aan zijn ingeschapen opdracht toekomen, hetzij dan dat in hem een ziel woont, die reeds langdurige omzwervingen achter zich heeft en dan is deze dus al "oud", en rest haar dus slechts de wijsheid te verwerven. 



WATERMAN - JATI (Sanskriet) = bewijs van de werken; Avicenna - zelfvergetelheid. 


In de astrologie wordt de Waterman dikwijls onder Uranus geplaatst, maar de ouden deden dit niet en uit het bovenstaande blijkt wel dat hij toch in vele opzichten op de Steenbok lijkt, als onderdaan van Saturnus - Hor-Sar-Kher. 

Niemand is zo gek op complimenten en waardering als de Waterman, daarin streeft hij zijn Steenbok-broer voorbij, die het geduld bezit om lang te wachten op de waardering. 

Het geduld van de Watermanmens uit zich geheel anders, hij is een volharder in het dogmatisme, hij zal zelden van de vorm afwijken en hij zal zelden lijden aan minderwaardigheidscomplexen. Anders dan de Steenbokmens, zoekt hij het toch ook in de werken, maar daarbij wil hij niet in de schaduw staan van een autoriteit, maar zelf die belangrijke figuur zijn. 

Hier komen de onwrikbaarheid en de afmetingen van Saturnus - Hor-Sar-Kher tot uiting en hierin is de Waterman veel halsstarriger dan de Steenbok, die soms slechts een duwtje nodig heeft om te springen om zo een goddelijke spiegel te worden. De Waterman geeft niets om dat spiegelen, hij meent reeds "gesprongen" te hebben en meent het voorbeeld (de spiegel) voor zijn medemensen te moeten zijn. Je zou kunnen zeggen, dat het hier de Saturnus is, die genoegzaam, vol van het kannibalenvoedsel op zijn troon zit in de stellige overtuiging, dat hem nu beslist niets meer kan gebeuren. Hij meent ook zijn moeder Isis te hebben verschalkt en is dus nooit op zijn hoede, zoals de onzekere Steenbok. Niettemin moet ook deze Saturnus-onderdaan dezelfde weg gaan als zijn evenknie en dit zal veel moeilijker zijn. 

Als men méént onoverwinnelijk te zijn is dit erger dan indien men meent overwinnelijk te zijn. Uit deze zelfgenoegzaamheid lukt het hem ook genadiglijk vriendelijk te zijn tegenover de medemens, uitsluitend omdat deze geen "gevaar" meer voor hem betekenen. Deze zelfverzekerdheid en zelfgenoegzaamheid doorbreken is een zware opgave, zowel voor hemzelf als voor zijn medemens. Daarom moet hier altijd de omstandigheid, de kosmische wet, de enige die hij eventueel kan erkennen, ingrijpen. 

Veel Watermantypen worden dan ook door het leven beproefd, en wel zodanig, dat hen dit zo zwaar op de maag komt te liggen dat zij er voortdurend door gaan lijden, als van een zeurende kwelling. Het is de "steen" die Jupiter Saturnus in de mythe gaf. 

Wellicht dat zulke beproevingen hem er eindelijk toe zullen brengen "zichzelf te vergeten" zoals Avicenna zegt. Hij wordt dikwijls bezield door een ideaal, maar ook dit kan hem zichzelf niet doen vergeten; de zelfoverschatting zal hem parten spelen en, volkomen anders dan de Steenbok, moet hij komen tot "zelfherkenning" en afleren te "vreten", daar zijn begeerte en zijn ogen groter zullen zijn dan zijn maag en hij dus terechtgewezen zal worden, indien iets "onverteerbaar" blijkt te zijn. 

Onverteerbaar is datgene dat Jupiter, de begenadigde van Ptah, hem geeft; elk "begenadigd of bevoorrecht wezen" zal in de ogen van de Waterman een "onverteerbaar voedsel" zijn, heel anders dan de Steenbok dit ziet, die zich in hun licht plaatst om zich zo te kunnen spiegelen. 

Zelfvergetelheid is echter de opdracht voor beiden, de eerste zal een spiegel worden, de tweede zal dan werkelijk zichzelf worden, een wijze; maar ook hier geldt het toevoegsel "oude", want bij beiden duurt alles zo verschrikkelijk lang voordat zij wijs zijn geworden.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene