Leeuw - Shadayatana

waarnemings-organen of ikbewustzijn; 

Avicenna - herkenning. 


De Leeuw als dienaar van de Zon is natuurlijk vol zelfbewustzijn en is trots op zijn afkomst. Hij wordt vaak vereenzelvigd met een "zoon van de zon" of met de eerstgeborene en de zon is in alle overleveringen een "kind van de Zon"; Osiris is een kind van Ptah; Mitras is een zoon van de zon, Chrestos is een zoon van de zon, Baldur is een zoon van de zon, maar deze aanduiding gold altijd als een heenwijzing naar een kracht of een godheid die als eerste uit Ptah voortkwam. 

Niet voor niets is de Leeuw dus hoogmoedig en beschikt hij over en fictieve dan wel reële uitstraling, die zijn medemensen kan imponeren. 

De zon is de vertegenwoordiger van Ptah; naar Râ heffen zich de armen, de twee (!) armen, zoals het Egyptische symbool van Râ uitbeeldt. 

De Leeuw vindt aldus aanbidding van zijn persoontje heel gewoon en is zich sterk bewust van zichzelf, van zijn ego. 

Maar ook Râ is tijdelijk, een kind van Ptah en levende of existerende met zijn welwillendheid, voorzien van een zeer verantwoordelijke opdracht: getuigen van Ptah, zijn Vader, getuigen van de eenheid binnen de veelheid. Ptah betekent "de Eerste", d.w.z. alles wat met oorsprong of met eenheid heeft te maken. 

Als Zoon van deze Eenheid moet de Leeuw dus getuigen van eenheid, opdat de verdeeldheid teruggeleid zou worden naar de eenheid. 

Opmerkelijk is dat de vijf "dwalenden" alle twee zijden hebben, buiten de twee-eenheid van zon en maan; de tweeheid van de maan is fictief en veranderlijk, niet stabiel, want zij is in werkelijkheid licht-duister in één, afwisselend het ene en dan het andere tonende, hoewel deze met elkander overeenstemmen. 

De vijf "dwalenden" drukken echter duidelijk één zijde uit in hun beide typen, zoals b.v. de Tweeling en de Maagd twee aspecten zijn van Mercurius. Zij zouden elkander moeten completeren, maar door het demonische aspect van hun heerser zijn zij helaas dikwijls tegenstrijdig. 

De Leeuw kent geen tegenstrijdigheid in zichzelf, hij is eenheid, gericht op één doel, éénvoudig bezield, zijn "dienaren" onfeilbaar aangrijpende in hun zwakten. 

Avicenna noemt herkenning bij de Leeuw en dat is wel wat provocerend, want als hij iets schuwt dan is het herkenning van zijn eigen hoogmoed, erkenning van zijn eigen zwakke plek, dus inplaats van zich op de andere te richten, naar zichzelf te kijken, een ontmaskerend licht op zichzelf richtende. 

Herkenning is echter voorwaarde voor innerlijke adeldom, zoals deemoed de voorwaarde is voor de hoge moed.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene