Kreeft - Nama Rupa

Twee wezens;

Avicenna - reflectie. 


De Kreeft is een kind van Isis, de maan, en als zodanig twee wezens: vol en nieuw (of hernieuwd), donker en licht, een dubbel wezen 

verstild in Maya, de schijn. En daarmede heeft het Kreefttype het moeilijk, omdat het zich vastgrijpt aan de schijn, in de dubbele betekenis van het woord, het schijnen. Het meent soms te snel dat in alles een weerschijn van de Schepper is te vinden en in wezen zou het daarin gelijk kunnen hebben, maar deze Schepper is maar al te dikwijls omgezet van deus in demon en dat herkent de Kreeft niet. 

Hij reflecteert zichzelf graag in anderen, waardoor hij zich snel kan vergissen, omdat zijn beeldvorming zelden van toepassing is op de werkelijkheid. Bij hem schijnt het te zijn zoals hij denkt dat het is, maar dit is dus werkelijk schijn. 

Niet voor niets heeft de "Kreeft" een dik pantser om zich te weren tegen teleurstellingen door zijn eigen onwerkelijkheids-zin. 

Als Avicenna hierbij reflectie zet, is dat natuurlijk volkomen waar. De maan reflecteert zich in de wateren, maar ook in de schepselen; zij amuseert zich met op allen en alles haar beeltenis te drukken, maar ook die beeltenis is vergankelijk en onderhevig aan veranderingen. 

Het "zich reflecteren" is echter een drang bij het Kreefttype en daardoor kan het wel eens in moeilijkheden komen met zijn levenspartners, zowel kinderen als echtgenoot(e) of kennissen en vrienden, die ervoor bedanken een spiegel te zijn voor de Kreeft. Het zich reflecteren kan slechts een einde nemen als De beeltenis in zichzelf wordt herontdekt. 



LEEUW - SHADAYATANA (Sanskriet) = waarnemings-organen of ikbewustzijn; 

Avicenna - herkenning. 


De Leeuw als dienaar van de Zon is natuurlijk vol zelfbewustzijn en is trots op zijn afkomst. Hij wordt vaak vereenzelvigd met een "zoon van de zon" of met de eerstgeborene en de zon is in alle overleveringen een "kind van de Zon"; Osiris is een kind van Ptah; Mitras is een zoon van de zon, Chrestos is een zoon van de zon, Baldur is een zoon van de zon, maar deze aanduiding gold altijd als een heenwijzing naar een kracht of een godheid die als eerste uit Ptah voortkwam. 

Niet voor niets is de Leeuw dus hoogmoedig en beschikt hij over en fictieve dan wel reële uitstraling, die zijn medemensen kan imponeren. 

De zon is de vertegenwoordiger van Ptah; naar Râ heffen zich de armen, de twee (!) armen, zoals het Egyptische symbool van Râ uitbeeldt. 

De Leeuw vindt aldus aanbidding van zijn persoontje heel gewoon en is zich sterk bewust van zichzelf, van zijn ego. 

Maar ook Râ is tijdelijk, een kind van Ptah en levende of existerende met zijn welwillendheid, voorzien van een zeer verantwoordelijke opdracht: getuigen van Ptah, zijn Vader, getuigen van de eenheid binnen de veelheid. Ptah betekent "de Eerste", d.w.z. alles wat met oorsprong of met eenheid heeft te maken. 

Als Zoon van deze Eenheid moet de Leeuw dus getuigen van eenheid, opdat de verdeeldheid teruggeleid zou worden naar de eenheid. 

Opmerkelijk is dat de vijf "dwalenden" alle twee zijden hebben, buiten de twee-eenheid van zon en maan; de tweeheid van de maan is fictief en veranderlijk, niet stabiel, want zij is in werkelijkheid licht-duister in één, afwisselend het ene en dan het andere tonende, hoewel deze met elkander overeenstemmen. 

De vijf "dwalenden" drukken echter duidelijk één zijde uit in hun beide typen, zoals b.v. de Tweeling en de Maagd twee aspecten zijn van Mercurius. Zij zouden elkander moeten completeren, maar door het demonische aspect van hun heerser zijn zij helaas dikwijls tegenstrijdig. 

De Leeuw kent geen tegenstrijdigheid in zichzelf, hij is eenheid, gericht op één doel, éénvoudig bezield, zijn "dienaren" onfeilbaar aangrijpende in hun zwakten. 

Avicenna noemt herkenning bij de Leeuw en dat is wel wat provocerend, want als hij iets schuwt dan is het herkenning van zijn eigen hoogmoed, erkenning van zijn eigen zwakke plek, dus inplaats van zich op de andere te richten, naar zichzelf te kijken, een ontmaskerend licht op zichzelf richtende. 

Herkenning is echter voorwaarde voor innerlijke adeldom, zoals deemoed de voorwaarde is voor de hoge moed.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene