De wellust

Wanneer de mens mentaal door het rijk der zeven zonden dwaalt, zal hij er zich rekenschap van moeten geven dat dit zijn momentele levenssfeer is, dat al hetgeen hij ontmoet een uitdrukking is van de werking der zeven hoofdzonden. 

Hij kan daaraan niet ontkomen, hoezeer hij het wellicht schuwt om zich te moeten verdiepen in hun werkingen. Door ontkenning neutraliseert men hun werking niet, slechts door onderkenning en 'no-reaction' kan men aan hun greep ontkomen. 

De opzet van de dwaaltocht in het rijk der hoofdzonden, beoogt de verbrokenheid van de huidige natuur dermate zichtbaar onder ogen te brengen, dat men de oorzaak zal kunnen herkennen van het onbegrip tussen natuur en Geest, in en om de mens zelf. 

Het contact dat er gelegd moet worden tussen natuur en Geest, komt niet vanuit één der uiterlijke zintuigen. De verbintenis ontstaat door het minimale goddelijke Licht in het individuum, zodra dit Licht sterft is er geen enkel contact meer mogelijk en de gevangenis der zevenheid sluit zich toe. 

Het innerlijke goddelijke Licht is bij velen zo zwak dat een irritatie, een persoonlijke wrevel reeds de oorzaak kan worden tot een afkeer van de spiritualiteit. 

Dit ligt weer aan het karakter van de hoofdzonde.

Iedere zonde verbindt de mens met een ego-verlangen, doch de vijfde hoofdzonde is een vermenging van ego- en zielsverlangen. 

In de vijfde hoofdzonde, de wellust, ligt de tragedie van de hunkerende ziel, die zijn verlangen NIET bevredigen kan, duidelijk verborgen. 

De wellust is een mislukking van het zoekende element, de versterkte wellust komt altijd voort uit een zielsverdriet, een pijnigende zielehonger. 

De toename van de momentele sexuele moorden is te wijten aan de innerlijke ledigheid, aan de intense wanhoop van hen die lijden onder de gesel van de vijfde hoofdzonde. Iemand, die een machteloze prooi van de vijfde hoofdzonde is geworden, is ongeneeslijk ziek, geen enkel medicijn kan hem helpen, want zijn wellustige drift is in zijn bloed geslagen, waardoor zijn denken en zijn gemoed mede uit hun evenwicht zijn gebracht. 

Alle vormen van drift, jaloezie, hoogmoed, slepen de mens in hun opwelling mee, maar de wellust zoekt een directe bevrediging, zoals een hongerende alles eet wat hem in handen komt. 

De verslaving aan chemische drugs wekt de wellust in de hand, niet omdat de drug wellust doet ontstaan, maar omdat de persoonlijkheidssplitsing, die het gevolg is van de drugs, de innerlijke leegte nog sterker doet ervaren. 

Hierdoor worden zij, die geleid worden door de vijfde hoofdzonde, buiten hun wil naar een bevrediging van hun innerlijke honger gestuwd. Daardoor komt deze mens terecht in het zingenot of in het zielsgenot. 

Wellust heeft namelijk twee betekenissen; zielsgenot en zingenot. 

De overgave aan de Jezusfiguur-verslaving, zoals we dat in Californië zien opkomen, is een vorm van zielsgenot, soms ontaardende in zingenot. Die willoze overgave, zoals wij die ook kennen bij sommige meditatieve groeperingen, die in exaltatie Jezus of een andere godheid aanroepen, is een demonstratie van wellust. 

Het zichzelf bevredigen aan de meest bizarre vormen van exaltatie is niets anders dan zich overgeven aan de individuele vijfde hoofdzonde. Observeerders kunnen u dit bewijzen aan de hand van het gedrag van deze mensen. 

Daarom komt deze vijfde hoofdzonde zoveel voor in religieuze kringen: zielsgenot en zingenot zijn twee uitingen van een natuurlijke verbrokenheid, die elkaar in de exaltatie ontmoeten. 

De religieuze leiders die de exaltatie van hun volgelingen bespelen en daarin zelf voorgaan, zoeken hun zingenot in het zielsgenot en trachten hiermede hun innerlijke leegte te verdoezelen, voor zichzelf, voor anderen. Wanneer men de historische aantekeningen der religieuze leiders volgt, dan kan men bemerken, dat vele religieuze fanatici, mystici, bezielende voorgangers gedragen werden door een individueel zielsgenot, een pervers zingenot bedekkende. Hoevele monniken, geen geestelijke voeding vindende in hun religie, gaven zich over aan exaltatie, om daarmede hun honger te stillen?

Om niet eens te spreken over de honger naar zinsbevrediging die tot exaltatie leidt. De Maria-cultus is daar immers uit voort gekomen? 

Iedere religieuze groepering, die zich binnen de beslotenheid van de zeven duivelen beweegt, fundeert zichzelf op de individuele hoofdzonde van de voorganger. 

Daarom zijn de religieuze wereldse groeperingen onder te brengen in zeven uitingen, zeven hoofdzonden, zeven methoden om een der hoofdzonden op te heffen, dan wel te belevendigen. 

Geen enkele hoofdzonde is echter te niet te doen volgens een regel der zevenheid, er moet altijd een ontsnapping via de achtste regel, of de Realisatie van de spirituele verbreking op volgen. 

De zeven zondige gemeenten van Asia vormen in deze wereld de vertegenwoordigers van de zeven hoofdzonden, zoals zij ook in het individu aanwezig zijn als individuele hoofdzonden. 

Er zijn zeven religieuze uitdrukkingsmogelijkheden en die volgen alle de richtlijn van een der hoofdzonden. 

De mens voegt zich instinctief in groeperingen, volgens de individuele hoofdzonden. Hij doet dat in een religie, in een land, zelfs in een gezin. 

De irritaties binnen een groepsbeslotenheid worden veroorzaakt door de onverdraagzaamheid van de tezamen gevoegde hoofdzonden onderling. Door deze onverdraagzaamheid is het karakter niet meer in staat contact te vinden met de ziel.

Wanneer men meent dat sommige karakters niet tezamen passen, is dit uitsluitend omdat het karakter zijn harmonie niet kan vinden door de overheersing van ego en hoofdzonde. 

De momentele individuele hoofdzonde van de mens bepaalt zijn sensibiliteit voor één van de religieuze vormen. Er is immers  geen mens die geen religie bezit, want ieder mens zoekt naar iets en zijn gerichtheid bepaalt zijn religie. 

Mensen, die her- en derwaarts dwalen zonder ooit een vaste gerichtheid te bezitten, worden voortgejaagd door een hoofdzonde, die hen de innerlijke rust niet gunt. 

Zoals de jaloezie de mens steeds zijn innerlijke harmonie, zijn verbondenheid met iets tracht te ontnemen, hetzij zijn binding met vrienden, hetzij zijn Godsbinding. Jaloezie volgt de wet van de verdoemde 'verdeel en heers-methode'.

Hierdoor bereikt de mens nooit zijn doel of zijn ideaal. De wellust echter brengt de mens tot een sterke éénpuntige gerichtheid, hij voegt hoofd, hart en wil samen in één honger, één bevredigingsdrift. Zoals het echter met al de hoofdzonden mogelijk is, zo kan men ook deze wellust verfijnen, cultiveren, hetgeen een delicate vorm van zelfbedrog en naastenbedrog wordt. 

De huidige maatschappij gaf de mens sublieme middelen in de hand om de hoofdzonden te bedekken en van een gulden vernislaag te voorzien. Al die scherp uitgedachte leringen beogen niets anders dan de verdoemenis te vernissen, in de mens, in de wereld, in de godsdienst. Alle vormen van wetenschap, alle ontwikkelingsvormen zijn onder te brengen in zeven groepen. 

Dit is de instinctieve indeling binnen deze kosmos. Wanneer men zich aangetrokken gevoelt tot een bepaalde vorm van wetenschap of ambacht is dit terug te brengen op een individuele hoofdzonde. Dit is geen vorm van boosaardigheid, maar slechts een gevolg van de verbrokenheid en de gevangenschap. 

De mens binnen deze gevangenis der zeven hoofdzonden kan zich toch niet anders bewegen dan binnen hun macht? 

Daarom ziet men zo zelden een gnostieke groep of zelfs een gnosticus die waarlijk 'vrij' is. Vrijheid brengt bevrijding van deze zevenheid mee. En dit bewijst zich in de mens.

Uit deze innerlijke vrijheid komt een bezieling voort, die volkomen los staat van welke hoofdzonde dan ook. 

Daarom is zij niet in het schema van de wereldgodsdiensten in te passen. Een gnostiek mens spreekt nooit de hoofdzonde in zijn naaste aan, waaruit volgt, dat deze naaste de gnosticus maar zelden begrijpt. Een weten dat zich buiten de denk- en gevoelssfeer van de zevenheid beweegt is ongrijpbaar voor hen, die binnen de zevenheid existeren. 

De tragedie van de wellustige mens is, dat zijn medemensen hem grotendeels minachten, omdat zij hem minderwaardig vinden, hoewel juist deze hoofdzonde zo nauw verbonden is met een zielehonger .

De schijn-spiritualist werkt zich dikwijls tot zulk een enorme innerlijke spanning op, omdat hij zijn 'wellust' wil beteugelen. 

Dit is en vorm van gefrustreerde exaltatie. 

Zodra de wellust is omgezet, wordt zij tot en intens zielsgenot, tot een overgave aan God, de realisatie van de eenheid tussen ziel en God. Iedere exaltatie beroept zich er immers op een 'eenheid' met het goddelijke te zijn. Wellust dringt tot eenheid, geestelijk, lichamelijk. 

Zij komt voort uit die oer-verbrokenheid der beide polen en daarom zoekt zij haar tegenpool. 

Is het te verwonderen dat in een wereld, waarin de geestelijke leegte, de wanhoop en de harde waarheid steeds meer boven komen, juist de wellust hoogtij gaat vieren? 

In de loop der tijden heersten de diverse hoofdzonden over de mensheid, want de kosmische omstandigheden staan in wisselwerking met de meest sterke drang in de mensheid.

Daarom is het onmogelijk uw naasten te oordelen. Ieder mens is een beklagenswaardig wezen, welke zijn hoofdzonde ook is. Maar slechts die mens kan met zijn naaste medelijden, die in staat is de werking der zeven hoofdzonden te doorgronden. Alle anderen zullen degene, die geslachtofferd wordt door een hoofdzonde, hard veroordelen.

Alle excessen leiden tot een misdaad, maar wie bepaalt welk exces strafbaar is en welke niet? 

Men kan overheerst worden door een individuele hoofdzonde, maar tegelijkertijd, door een groepshoofdzonde, die door een voorganger wordt gedirigeerd. 

Is de enige strafbepaling niet de zelfvernietiging, zoals men die in de kosmos gewaar wordt? 

Liggen binnen deze natuurorde beloning en straf niet als twee tegenstellingen besloten? 

Wie zal tussen deze beide de harmonie handhaven? 

Niemand kent immers de harmonie tussen de beide uitersten.

De alomtegenwoordige heerschappij der zeven hoofdzonden brengt uitwassen en verzieking en om dit tegen te gaan roept men wetten in het leven. 

Zou in een spirituele Gemeenschap eigenlijk niet zonder zulke wetten geleefd behoren te worden, daar er een reine, harmonische innerlijke wet wordt gevolgd? 

Brengt de overheersing van de zeven individuele hoofdzonden niet mede, dat wij tekort schieten in alle vormen van het harmonische menszijn? 

Belangeloos mens zijn, belangeloos opgaan in de medemensheid, uitsluitend omdat men deel is van een groep gevallen Lichtzonen, zou dat geen schone werkelijkheid zijn? 

Is dit eigenlijk niet de ENIGE basis tot het realiseren van de spiritualiteit? 

Zodra men zich ergens toe geforceerd gevoelt, hetzij tot een handeling, hetzij tot een denkrichting of tot een gemoedstoestand, is het een teken, dat men innerlijk geen eenheid vormt met zijn levenssfeer.

…én zijn met zijn medemensen, zonder zich daartoe te moeten forceren, zou immers belangeloze, dienstbare liefde zijn? 

Een liefde, die nimmer geboren kan worden uit een hoofdzonde. 

Alle acties van de verbroken mens zijn gericht op het zelf, onverschillig welke excuses daarmede worden verbonden, onbelangrijk welke dekmantel er overheen wordt gelegd.

En daar waar de mens zich gedwongen gevoelt tot een 'offerande' is het een teken dat hij zich geforceerd gevoelt en dus nog niet in de absolute belangeloosheid staat. Hij denkt nog steeds aan het eigen zelf.

Zelfofferande is dan ook geen offerande, het is een vanzelfsprekendheid voor de spirituele gnosticus. 

Niemand kan en mag de mens dwingen tot deze zelfofferande. 

Hij zou dit als een dwangbuis ervaren en er ziek van worden. 

Daardoor bewijst deze mens echter geen gnosticus te zijn. 

Daarom vraagt een leefgemeenschap mensen, die geen gedwongen offers moeten brengen om tot harmonie met hun medemensen te komen. 

Men moet een zekere mate van innerlijke harmonie bezitten om dienstbaar te kunnen zijn aan anderen, belangeloos dienstbaar, wel te verstaan.

Daarnaast moet men inzicht hebben in de vernietigende verbrokenheid van maatschappij, wereld en kosmos en tevens moet men bezield worden door een machtig verlangen tot vernieuwing, spiritueel, lichamelijk. 

Ligt men gevangen in de greep van een hoofdzonde, dan denkt men zelfs niet aan belangeloze dienstbaarheid of vernieuwing, hoogstens stimuleert de luiheid een poging tot gemeenschap, op basis van profitatie. Ook de wellust kan de mens leiden tot een gemeenschap, echter op basis van zelfbevrediging. 

Geen enkele poging tot bevrijdende spiritualiteit heeft zin, wanneer de hoofdzonden meespreken. 

Daardoor zijn alle bevrijdende impulsen vernietigd, nietwaar? 

Periodiek werd een bepaalde hoofdzonde tot een orkaan, die de wereld in zijn greep hield en onder zijn leiding werd de opgestane geestelijke impuls uitgeroeid. 

Daarom vinden bepaalde religies elkaar in het vernietigen van een tegenstander: zij dienen dezelfde hoofdzonde. 

Bevrijdende spiritualiteit gaat niet uit van een autoriteit, een leider, maar wordt slechts door hem gestimuleerd, om tenslotte uitgedragen te worden door de kandidaat. 

Bevrijdende spiritualiteit is een kwestie van zelfbevrijding uit de greep der zeven hoofdzonden. Een gedachte, een fragment kan de pelgrim op het spoor brengen van deze bevrijding, maar verder niet. 

U weet zelf dat de mens heel wat van zulke gedachten, wenken, impulsen nodig heeft, wil hij waarlijk tot de daad van zelfbevrijding overgaan. 

Een leefgemeenschap van waarlijk koninklijke mensen, van gnostici, is een bron van zulke impulsen, voor de mens zelf en zijn naaste. 

Levende lichtkracht binnen een groep of een Gemeenschap is een gevolg van individuele denkkracht, gemoedstoestand, handeling. Want het is een antwoord op een innerlijke roep. 

Daarom heeft, in een vrije Gemeenschap, ieder individu zijn verantwoordelijkheid tegenover zijn naaste, tegenover zichzelf, tegenover het grote belangeloze spirituele doel, dat hij zegt te willen dienen. 

Voor zulk een levenshouding moet men waarlijk een gnosticus zijn. Een mens, die zelf de uitweg uit de beslotenheid der zeven duivelen heeft gevonden en deze uitweg volgt. 

Waarheen zou hij anders zijn naasten kunnen leiden? 

De enige weg is door de Poort of door de Jordaan. 

Welnu, deze Weg zal uitsluitend door een Daad bewezen kunnen worden. 

Aan u het antwoord, NU en in de toekomst.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene