De Hoogmoed of ijdelheid

De koninklijke mens is een individu dat meestal overtuigd is van het eigen kunnen en de eigen gaven.

Koninklijkheid brengt zelfverzekerdheid met zich mee, het zich bewust zijn van de koninklijke afkomst. In de maatschappij zijn koninklijke mensen leden van een familie met koninklijk bloed, zoals men dat noemt. 

Hun koninklijkheid wordt bepaald door hun afstamming en niet door hun levenshouding. In de spiritualiteit spreekt men van koninklijk, wanneer deze mens zich bewust geworden is van de erfenis van de gaven der Lichtzonen. 

Koninklijk spirituele mensen worden door hun goddelijke af-komst gedwongen tot een hoogstaande levenshouding. 

Het verschil tussen uiterlijk en innerlijk koninklijke mensen is echter, dat de innerlijk koninklijke mens zelfbewust, positief en daadkrachtig kan optreden zonder hoogmoedig, leugenachtig of eerzuchtig te worden. 

Het besef van een hoge afkomst maakt van de spirituele mens  een devoot, ingetogen en vooral medelevend mens. Hij beschouwt zijn naasten als leden van hetzelfde goddelijke ras met dezelfde koninklijke afstamming. 

Zodra deze leden hun afkomst verloochenen door hun levens-patroon, dan roept dit in de koninklijke mens medelijden op en nooit minachting. 

De uiterlijke koninklijke mens, die zijn koninklijkheid dankt aan wereldse maatstaven, bedient zich van zijn medemensen om zichzelf een aanzien te geven. 

Hij laat zich door hen omringen, terwille van zijn levensstandaard en zijn medemensen moeten hem dienen, daar hij hen aan zich verplicht. In de spiritualiteit ligt dit anders.

De spiritueel koninklijke mens is de dienaar van zijn mede-mensen en wil geen dienstbetoon van zijn naasten aanvaarden. 

Er is geen standsverschil dan door een innerlijke standing. Uiterlijke omstandigheden zijn niet van belang, noch materiële rijkdom. De spiritueel koninklijke mens kan uiterlijk in zeer armelijke omstandigheden verkere, hoewel hij een koninklijke waardigheid uitstraalt. 

Hij vergooit zichzelf nooit, hij is trots, echter in geheel andere zin dan de wereld daaronder verstaat. Hij is zich te bewust van zijn koninklijke afstamming om zichzelf te bevuilen in de goot van  het levens. Als hij de vergaarbak van het leven betreedt, doet hij  dat slechts terwille van zijn medemensen. 

Het bewustzijn van de koninklijke afkomst leidt echter maar al te dikwijls naar de eerste Hoofdzonde: ijdelheid, hoogmoed. 

De hoogmoed maakt van de mens een schijn-verhevene, die zijn medemensen tot lagere schepsels vernedert.

Hoogmoed is de zonde, die de mens tot de perfecte imitatie voert en hem tot alle vormen van schijngoddelijkheid brengt.

Uit de hoogmoed komen de grote wereldreligies voort, al die vormen van godsdienst, die zich beroepen op de eigen zalig-making. 

De hoogmoedige mens roept: "Ik ben het, ik, ik....." 

Zoals iedere hoogmoedige religie zegt: "Wij zijn het, wij, wij ...." 

Uit de hoogmoed komt de dictatoriale overheersing voort, het autoritaire recht van machtsvertoon. De hoogmoedige staat alleen op de berg, die hijzelf heeft geschapen, heeft geforceerd via het gedwongen dienaarschap van Zijn naasten. 

Op deze hoogmoedigheid bouwen veel meesters hun positie op, want slechts de hoogmoedige aanvaardt de hovaardij en de onderdanigheid van zijn medemensen. De spiritueel koninklijke mens bezit geen volgelingen, slechts medegangers. 

Er is geen afgrond tussen de naaste en hemzelf, hoezeer de uiterlijke omstandigheden ook kunnen verschillen. Hoogmoed is verkapte eigenliefde.

Uit deze, niets ontziende eigenliefde, is de chaos in de wereld, in de maatschappij, in alle lagen der levensuitingen ontstaan. 

Een hoogmoedig mens verwijdert zich van de Goddelijke Harmonie, omdat hij zich bewust afsluit van een Hogere Macht. 

Hij meent zelf de hoogste macht te zijn! Een hoogmoedig mens kan niet luisteren, noch doorschouwen, noch gevoelen, noch de waarheid proeven, noch de etherische lucht inademen.

Hij is de gevangene van zichzelf.

Voordat hij tot luisteren of een andere absorberende activiteit kan komen, moet hij eerst door een schok tot openheid worden gebracht. De blik van een hoogmoedig mens blijft altijd vervuld van zichzelf. Zijn denken blijft zich om zijn ego heendraaien, ook terwijl hij in contact is met anderen. 

Hij is altijd op zelfhandhaving uit, eigen belangen, zoals al de Zeven Hoofdzonden het eigenbelang stimuleren. In alle handelingen, hoe edel deze ook lijken te zijn, ligt het belang van het ik verborgen, want de gedachte aan zichzelf verlaat de hoogmoedige nooit en om dit zelfbelang te dienen, grijpt hij naar de meest extreme middelen. 

De troon, waarop de hoogmoedige zit, zal door hem ten koste  van alles in stand worden gehouden. Daarom is de hoogmoedige mens nooit een liefdevol mens, achter zijn liefde ligt het eigenbelang. Aan de hemel staat de zon, als stralende, leven schenkende planeet in het middelpunt van een zonnestelsel. 

De andere planeten draaien om hem heen, ontvangen zijn trillingen en worden daardoor belevendigd. Op eenzelfde wijze gedraagt zich de hoogmoedige mens, die zichzelf het middelpunt van zijn levensdomein waant en in woede ontbrandt, wanneer iemand hem deze positie zou willen ontnemen. 

Wanneer de hoogmoedige tot spiritualiteit kom, wordt dit altijd een pijnlijke belevenis, want zijn hoogmoed sluit een spirituele weg voor hem af. Hoewel hij zichzelf koninklijk voelt, kent hij de gaven van de geestelijke koninklijkheid niet. Zijn spirituele weg  is altijd een gang van filosofie tot filosofie, van de ene intellectuele onderzoekmethode naar de andere. 

Hij vult zich met kennis om zijn naasten te kunnen overheersen, hij blaast zich op met uiterlijke middelen, een schijn-spiritualiteit, een sublieme imitatie van een geestelijk koningschap demonstrerende, maar hij blijft innerlijk toegesloten, hij kan niet absorberen, de verfijnde trilling achter de wijsheid niet inademen. Daarom verandert hij slechts van uiterlijke methoden, maar innerlijk ondergaat hij geen enkele verandering. 

Hij wil uitstralen, leven schenken aan zijn dienaren, zijn mede-mensen, die om hem heen moeten draaien, maar hij dient hen  niet, hij is nooit belangeloos. 

Spirituele hoogmoed is het ego tot afgod verheffen. 

Ieder mens kan bij zichzelf nagaan of deze hoogmoed in hem leeft en of deze de drijfveer achter zijn daden is. 

Men kan namelijk zo overtuigd zijn van de eigen uitverkiezing en de eigen geestelijke hoogte, dat de zonde van de hoogmoed gemakkelijk binnensluipt . 

De gesettelde spirituele mens is echter zo doordrongen van de eigen spiritualiteit, dat hij er niet aan denkt, dat deze perfide zonde in hem een willig slachtoffer zou kunnen vinden. 

Hoogmoedige mensen zijn nooit gemeenschapsmensen, zij willen zich niet verlagen tot het niveau van hun medemensen. 

De hoogmoedige houdt zich ver van alle vermenging en als hij zich tot zijn naasten wend, dan is het altijd vanaf zijn bergtop, vanwaar hij zijn omgeving overziet, in niet te genaken eigenwaan.

De religieuze hiërarchieën van deze wereld zijn sterke voor-beelden van deze hoofdzonde. Zij bewegen zich binnen een ommuring en zijn geworden tot stilstaand water, giftig, niet meer in staat te absorberen. Of zij zijn als een ommuurd vuur, dat slechts in toom kan worden gehouden door een uiterste wilsinspanning, een vertoon van beschavingscultuur. 

Hoogmoed wordt tegelijkertijd genoemd met ijdelheid. De zonde der ijdelheid is een uiting van hoogmoed. Alle betekenissen van het woord 'ijdel' zijn op deze mens van toepassing. 

Hij is ijdel als ego, hij streelt zijn ego, siert het op. Maar zijn koninklijkheid is ijdel, leeg. 'IJdelheid der ijdelheden, er is niets dan ijdelheid', staat er in de Prediker. Dit is een diepzinniger uitspraak dan men vermoedt. Niet slechts van toepassing op leegte of op uiterlijke sierzucht. 

De ijdelheid bedekt de spirituele leegte. Van buiten ijdel betekent van binnen gevuld met hoogmoed, ijdelheid. Het is dan de ijdelheid waar omheen zich alles moet bewegen, gelijk de planeten om de zon. Omdat de innerlijke leegte hem kwelt, probeert de spirituele hoogmoedige zich te vullen met kennis, andermans kennis. 

Uit zijn innerlijke leegte kan nooit een schepping voortkomen, slechts imitatie, pralen met andermans veren, niets dan ijdelheid. De hoogmoedige mens is armer dan de armsten en hij kan vergeleken worden met de gemeente van Laodicea. 

Hij is ellendig, en hij weet het niet en zo hij het weet, omdat hij nog levend Licht bezit, toont hij het niet, maar bedekt zich door  de ijdelheid, hoewel hij naakt blijft. 

Niemand is beklagenswaardiger dan deze hoogmoedige mens, die gevangen genomen is door de eerste hoofdzonde en niemand is moeilijker te bereiken dan hij, want de berg waarop hij troont, is moeilijk te beklimmen door zijn naasten en hoewel hij meent op deze berg dichter bij de hemel te zijn, is er geen contact tussen God en hem. 

Zijn lichtglans wordt door hemzelf in stand gehouden, door zijn wil gevoed en door zijn ijdelheid omstraald.

Deze hoogmoed kan zich verbergen in de meest verfijnde theoretische spiritualiteit, daar ook deze zonde met de mens meegaat tot aan het einde. Iedere hoofdzonde is als een Judas, die zijn meester kust om zichzelf te verheffen. 

De zeven hoofdzonden willen, ieder voor zich, een rijk op aarde stichten, een koninkrijk met zeven tronen, waarop zij kunnen zetelen als vorsten. Daarin zijn zij gedeeltelijk geslaagd, want kosmisch gezien, tronen zij als duivelse koningen aan de hemel, regeren op aarde, regeren de mensheid, verheffen zich in ieder mens. 

Dat is het gevolg van de daad der Lichtzonen, die geleid worden door zeven zondige leiders, zeven leiders die zichzelf buiten het Licht plaatsten. 

De vervloeking rust als een belasting op hen, een vervloeking die zij over zichzelf opgeroepen hebben. Iedere hoofdzonde is als  een vervloeking, waaraan men zichzelf laaft, een inzichtloosheid, waarbinnen men zichzelf bedriegt. 

De wetende, spirituele mens, die zich blijft vereenzelvigen met één der hoofdzonden, is waarlijk een vervloekte. Hij gaat voort met hetgeen lichtloos is en hij weigert de waarheid te aanvaarden, omdat hij bang is of hoogmoedig of lui. 

Met andere woorden: omdat hij zozeer met zichzelf bezig is, dat hij het Inzicht via de trilling des Lichts niet kan absorberen. 

Zij, die menen deze Waarheid des Lichts wel te kunnen absorberen, zij bewijzen het. 

Daarmee roepen zij een 'halt' toe aan iedere inmenging van een hoofdzonde. 

In deze situatie moge u staan, pelgrim!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene