De afgunst of jaloezie

De zeven hoofdzonden vormen de enige belemmering op de weg tot de volkomenheid der spiritualiteit. Indien de spirituele mens zich de moeite wilde getroosten om de essentie van de zeven hoofdzonden te ontdekken, zou de spirituele weg in een oog- wenk voor hem open liggen. Het grootste obstakel ligt altijd voor het begin van de weg. 

'Alle begin is moeilijk', zo zegt volksmond. Het begin van de spirituele overgang gaat samen met een 'goed begin'. Zo de kandidaat zijn eigen hoofdzonde niet wenst of niet kan ontdekken, is zijn begin nog niet gemaakt. 

Dat zal hij in zichzelf bemerken.

Hij zal zichzelf wanhopig afvragen: "Waarom vorder ik niet op deze weg?" Het antwoord is eenvoudig: "Omdat hij zijn belemmering niet kent". Omdat hij langs een omweg de Weg betreden wil, en weigert, onbewust of bewust, de noodzakelijke voorwaarden te vervullen. 

De hoogmoedige weigert uit eigenwaan, de luie weigert uit gemakzucht. Beide kandidaten lamenteren en beklagen zichzelf, terwijl de schuld bij henzelf is gelegen. De oorzaak zoeken buiten het eigen zelf is een gewoonte van allen, die gevangen liggen binnen de ommuring van de zeven duivelen.

Er zijn velen die zich met de mond voor schuldig verklaren, maar in het hart anderen voor de schuldigen aanzien. Het erkennen van schuld moet worden gevolgd door het ervaren van berouw. Iemand, die gevangen ligt in een machtige hoofdzonde zal moeilijk schuld kunnen belijden, daar diverse hoofdzonden de berouw-belevenis tegengaan. 

Slechts de luiheid schijnt het berouw te stimuleren, doch de intense, opbrekende activiteit, die met het innerlijke berouw gepaard gaat, wordt door haar verafschuwd. Berouw - als innerlijke werking - kan slechts opstaan in de bewuste, spiritueel levende kandidaat. 

Daar waar de hoogmoed en ledigheid heersen, kan er geen berouw aanwezig zijn, want men gevoelt daartoe geen enkele reden. Het oprechte berouw kan de aanleiding worden tot een ingrijpen in de hoofdzonde. Slechts de inzichtvolle, intelligente mens heeft de moed om het berouw openlijk te bekennen, alle andere mensen worden ontkracht door hun hoofdzonde. 

Iedere hoofdzonde kan worden uitgedaan door het bewuste, spirituele berouw. Een berouwvol mens is niet aan te grijpen door de hoofdzonde, want in hem is op dat moment het ego achteruit getreden, zodat het contactpunt voor de hoofdzonde ontbreekt. Daarom is een berouwvol mens een gevoelig, openstaand mens, waarin woorden, indrukken geëtst worden. Op de werking van het berouw fundeerde men in oorsprong de biecht.

De biecht heeft de plaats ingenomen van het directe, intensieve gebed tussen de Schepper en de gevallen Lichtzoon. Een dagelijks gebed, woordeloos, als een vorm van concentratie, of verbintenis tussen God en de Lichtzoon ondermijnt de werking van de hoofdzonde. 

Maar zelfs dit gebed is een moeilijke opgave voor de gevangenen van de hoofdzonden. Het gebed vraagt concentratie, verbreking van materiële banden, openheid, nederigheid, oprechtheid. 

Welke van de zeven hoofdzonden zou deze instelling toelaten? 

Geen kandidaat - in de greep van zijn hoofdzonde - kan bidden. En als hij meent te bidden, vraagt hij slechts gunsten voor het  ego. Het ego bidt tot de egokracht, dat is wat men zo dikwijls een gebed noemt. 

Het ego zit in het nauw en vraagt uitkomst aan zijn krachtbron, om daarna wederom verder te gaan met het gewoonteleven binnen de greep der zeven duivelen. 

Niemand kan de Bron des Geestes of God vinden, zo het ego contact zoekt in de hemelen.

De derde hoofdzonde: afgunst of jaloezie is een vorm van innerlijke strijd, van een gevecht tussen het eigen ik en het ik van anderen, en tussen het ego en de ziel. In de koninklijke gevallen Lichtzoon is een machtig Vuur begraven, maar op het ogenblik dat de Lichtzoon dit Vuur tot eigen bevrediging aanwendde keerde de werking van dat vuur zich tegen hem. 

Uit deze tegenwerkende Vuuractiviteit komt de afgunst of de jaloezie voort. men noemt deze hoofdzonde dan ook wel "het gif van de dood'.

Jaloezie uit zich in velerlei vormen en verschuilt zich achter diverse schijnbaar edele handelingen. Niemand wil 'jaloers' genoemd worden, daar overal in de universele taal de jaloezie als één der ergste zonden wordt betiteld. 

Jaloezie is altijd daar aanwezig waar een waarachtig 'koninklijk' mens temidden van de massa opstaat. Zoals in de materie een mens jaloers kan zijn op andermans bezit, zo is in de spirituele wereld jaloezie aanwezig wanneer het Goddelijke Licht gegrepen wordt, indaalt. Materiële jaloezie is vanzelfsprekend een grove uiting van de spirituele jaloezie. 

Alle hoofdzonden zijn ontstaan door de tegenstelling: God en gevallen god. Een jaloers mens vindt niet louter bevrediging in zelfverheerlijking, in egocentrische doelstellingen, dat is hem niet genoeg, hij vindt vooral voldoening in het vernietigen van anderen, een normale uiting van een duivels geworden goddelijk vuur. In de jaloezie herkent men het meedogenloze gevecht tussen Licht-zoon en Schepper. 

Het strijden gaat altijd van de Lichtzoon uit, want hij wil zichzelf bewijzen en zo hij bemerkt dat het Absolute Licht zijn eigen licht blijft overtreffen, dan zal hij op alle mogelijke manieren trachten dat Licht te vernietigen, ongeacht de slachtoffers, ongeacht de werking in hem zelf. 

De jaloezie maakt van de mens een agressieve aanvaller en deze hoofdzonde komt dan ook veelvuldig voor in positief gerichte mensen. De afgunst is dikwijls een metgezel van andere hoofdzonde. Men herkent haar overal, maar slechts als hoofd-zonde vernietigt zij en spreidt zij een veld van gif, doden en gewonden om zich heen. Iedere spiritualiteit, opgestaan in een veld, dat doortrokken wordt door de afgunst, moet zich vanaf het begin beschermen tegen aanvallen. 

Slechts de aanwezigheid van het Licht, roept reeds jaloezie op. 

Daarom leeft er in de kandidaat, die het slachtoffer is van deze hoofdzonde doorlopend een hevige strijd. Hij kan nauwelijks tot Stilte komen, want zodra het Goddelijke Licht in hem opstaat komen er van alle zijden jaloerse situaties te voorschijn. 

Deze hoofdzonde zal soms de kandidaat innerlijk verscheuren, omdat hij de jaloezie, zo hij eerlijk is, kan herkennen en er verdriet van zal hebben. Het ego zal in hem verteerd worden door jaloezie op de ziel, vooral wanneer deze ziel werkzamer wordt. 

Dan zal het ego de jaloezie benutten om de kandidaat in situaties te maneuvreren, die ook uiterlijk zijn jaloezie zullen kunnen opwekken. 

Is de kandidaat niet op zijn hoede, dan vernietigt hij in een flits de arbeid van hemzelf en van anderen, doordat de jaloezie een brandend vuur is, een altijd levend, vernietigend vuur. De luiheid smoort iedere vorm van jaloezie, omdat de laatste activiteit vereist, maar de hoogmoedige maakt gebruik van de jaloezie in zijn medemensen om zichzelf te verhogen.

De hoogmoedigheid wil de troon bezitten, maar de jaloezie eveneens. 

Zij, in wie de jaloezie als hoofdzonde loeit, zijn gemakkelijk aan te wakkeren tot een blinde aanvalsmethode, omdat zij, in die stormloop, hopen tegelijkertijd de onderwerpen van hun afgunst te kunnen vernietigen. Is het verwonderlijk dat in een jaloers mens de ziel niet tot ontwikkeling kan komen? 

Naast de jaloezie zal er geen plaats zijn voor iets of iemand anders. Het zo machtige vuur in deze kandidaat moet zichzelf keren, het moet zichzelf vernietigen, wil er een open plaats komen voor de jonge ziel 

Uit alle hoofdzonden komen ellendige gebeurtenissen voort, maar uit de jaloezie komt de dood, als moedwillige vernietiging voort. 

Men kan in zich een zachtaardige afgunst gevoelen, een beroering, wanneer anderen iets bereiken, dat men zelf zo graag gewild zou hebben, maar dat is slechts een bijverschijnsel, een uiting van de werkingen van een andere hoofdzonde. 

Jaloezie, als hoofdwerking, vernietigt zonder meer. Het moet ver-nietigen, omdat de eigen aard dit vraagt. Zulk een mens wordt voortdurend van binnenuit opgezweept, omdat er doorlopend redenen blijven tot jaloezie, zolang hijzelf de volkomenheid niet heeft bereikt. 

De enige verdediging tegen deze hoofdzonde is de 'onthechting', in al haar aanzichten. Daar waar een mens zich niet aan iets hecht, noch spiritueel, noch materieel, vindt de jaloezie geen houvast. Wanneer wij spreken over 'onthechting', dan menen wij het afstand kunnen nemen van alles. Iedere vorm van fanatisme is in wezen jaloezie. 

Onthechting is echter iets geheel anders dan onverschilligheid. 

Bij het funderen van een 'gemeenschap' in spirituele zin wordt deze 'onthechting' tot een werkelijkheid. Kan dat gerealiseerd worden, dan komt men eveneens tot het elimineren van de kern-kracht der hoofdzonden, want de onthechte mens kan bidden op basis van de ziel, maar hij kan eveneens arbeiden op basis van de ziel. 

Geen van de hoofdzonden is te vernietigen door een bevel, maar zij zijn wel te ontzenuwen door hun hun kracht te ontnemen. Dit wordt nu gemeend met een Stilte tot meditatie of concentratie of welke aanduiding men daarvoor ook geven wil. 

Binnen deze Stilte moet de kandidaat zijn hoofdzonde ontkrachten door zich, naar beste kunnen, te vullen met ziele- essentie. Hij praktizeert op zulk een moment de onthechting door zich in gedachten en gevoelen los te maken van alle vorm. 

De hoogmoed kan dan niet aanwezig zijn, noch de luiheid, noch de jaloezie, want iedere opwelling vanuit deze drie hoofdzonden, belet de kandidaat reeds de Stilte te praktizeren. Spiritualiteit, die niet door de Stilte wordt verdiept, blijft vormendienst, een voortjagen van de ene vorm na de andere, terwijl het ego zijn samenspel met de hoofdzonde voortzet.

Binnen de Stilte kan men het ego, het natuurlijke ik, scheiden van de hoofdzonde en het neutraal, onberoerd plaatsen in de schaduw van de ziel. In werkelijkheid prefereert het reine natuurlijke ego de overschaduwing van de ziel, boven de overheersing van de hoofdzonde of de verbroken lichtkracht. 

Want deze overheersing brengt hem ziekten, vermoeidheid, disharmonie en ellende. De pelgrim kan dat bij zichzelf nagaan. Niemand is gelukkig met de overheersing van de hoofdzonde. Door zijn werking valt de mens in al die enerverende reacties, die hem wanhopig maken en waardoor de pelgrim wel eens geneigd is de spiritualiteit op te geven. 

Men kan door de nevenwerkingen van de hoofdzonde, de Goddelijke Realiteit niet meer duidelijk schouwen. In zijn perverse activiteit roept iedere hoofdzonde zijn mededuivelen te hulp, wanneer dat zo uitkomt, of hij bestrijdt hen, maakt gebruik van hen en profiteert van hen, alles aangepast aan de situatie. Deze drang tot het profiteren van anderen, van andermans krachten, gaven, capaciteiten en bezittingen, ziet men deze niet veelvuldig voorkomen onder de mensen? 

Het is de activiteit van de zeven duivelen, die zich als kameleons aanpassen aan de situatie en aan hun mededuivelen, zodra er voor hen enig profijt valt te behalen. Daarom grijnst achter iedere menselijke handeling: de hoofdzonde, die het ego leidt. 

Vriendschap wordt altijd mede geleid door de aanwezige hoofd-zonde in de betreffende vrienden. 

Het klinkt cru, maar het is de wet binnen deze zevenvoudige onheiligheid. Hij, die koste wat het kost 'vrienden' zoekt, zoekt zichzelf en zijn hoofdzonde te bevredigen. 

Vandaar dat hij, die zich van deze hoofdzonden wil bevrijden 'een eenzame' wordt, zoals alle wijzen zeggen. En eenzaamheid is  geen geliefde situatie, daar geen enkele hoofdzonde zich kan uitdrukken binnen de eenzaamheid. De werking der hoofd- zonden zoekt altijd het directe contact met zijn medeschepselen om zichzelf te kunnen realiseren. 

In de eenzaamheid wordt de hoofdzonde op zichzelf terug-geworpen en bij de wijze mens zal hij afketsen op zijn onberoerde zieletrilling. 

Jaloezie zoekt slachtoffers, hoogmoed zoekt dienaren, luiheid zoekt medestanders.

Slechts de zielbewuste wijze mens zoekt niemand dan de Absolute, niets dan het abstracte, niets dan de Harmonie, waarbinnen geen enkele hoofdzonde kan gedijen. 

Want Harmonie IS Stilte en activiteit in één. De hoogmoed  wenst slechts harmonie tussen zichzelf en zijn horigen, de luiheid wenst harmonie als stilstand, de rust zonder beweging. 

De jaloezie wenst de harmonie van de dood, zoals de overwin-naar, die het laatste slachtveld overziet. 

De spirituele harmonie, waarnaar de pelgrim uitziet, is de even-wichtigheid tussen de tegenstellingen, en deze kan slechts gerealiseerd worden, wanneer de hoofdzonde zijn listen en lagen niet uitspeelt. 

De Diepe Vrede van Bethlehem is de grootste Harmonie, de innerlijke geboortestonde, nadat in barensweeën de tegenstanders eindelijk neerknielden. 

De Diepe Vrede van Bethlehem zij om u en in u!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene