Vijfde hoofdstuk

"Zij die volhouden dat om een juiste reiniging  van de elementen en principes te volbrengen, men het subtiele moet behouden en het dikke moet wegwerpen, zijn onjuist. Er  is niets overbodig in ons proces. De kinderen der wetenschap moeten beseffen dat het vuur en de zwavel zijn verborgen in het midden van de aarde en dat men haar (de aarde) met haar geest moet wassen om daaruit de balsem, het vaste zout te extraheren, die het bloed vormt van onze Steen."  


Ziedaar het alchemische pleidooi om het lichaam, de aarde, niet te verwaarlozen, want dit "vaste zout" vormt het bloed voor onze Steen. 

Is het niet verwonderlijk dat zovelen esoterici achteloos aan hun lichaam voorbijgaan, terwijl zij zich met ijver concentreren op hun ziel? 

Hoe kunnen zij daarmede verbinding krijgen wanneer het lichaam, de aarde in een onzuivere staat is? 

Geeft het "bloed" niet het leven aan de Steen? 

Is ons ego niet de eerste middelaar om met het spirituele leven in contakt te komen? 

De "aarde" moet gezuiverd worden met haar eigen "geest". 

De "geest" van deze aarde is ons ego, ons denken, onze emotie. 

Zoals de paranormale mens weet dat hij door middel van zijn wil zijn paranormale gaven niet kan ontplooien, zo zou de esotericus moeten weten dat zijn wil behoort tot het drie-dimensionale rijk en niet in staat is zijn kracht buiten deze begrenzing te projecteren. 

Een zuiver en natuurlijk ego, in een harmonisch en gezond lichaam vormt het ideale begin-instrument voor de zoeker. 

In ons denken moeten we leren geest van materie te scheiden, zoals men moet leren door middel van het intellect niet de dingen des geestes te grijpen. 

Het "laat los!" of "laat gaan!" is de meest primaire taak in het gehele proces. 

Zodra men bemerkt dat er een geweldige wilsinspanning nodig is om de spirituele begrippen te omvatten, of zodra men vermoeid geraakt van een denk-inspanning om de wijze raad van de alchemist te volgen, roept men direct de raad van de wijze heks uit de "Faust" in zijn gedachten: "Laat gaan - laat los!". 

Op het moment dat men zijn concentratie overgeeft verstaat men plotseling de alchemische betogen. 

Wij moeten leren onze geestelijke kracht los te koppelen van onze stoffelijke macht. ,

De gevangene moet vrijgelaten worden. 

De eg-mens moet geen beslag leggen op zijn goddelijke gevangene, hoezeer hij ook begeert diens gaven te bezitten. 

De spirituele weg is niet moeilijk, zij is slechts tegengesteld aan onze inborst. 

Juist die voortdurende inspanning om "iets" te bereiken, om het begeerde doel te realiseren vervult ons met die vermoeidheid en met rusteloosheid.  

De alchemist is voor alles in de spiritualiteit ontspannen, d.w.z. hij begeert niets, hij wil niets, hij jaagt niet achter een doel aan. 

Hij is bezig met de opgave van het moment.  

Elke sleutel is actueel op ieder moment van de dag; reinigen, distileren, geest en stot scheiden, het aardse zuiveren met zijn eigen geest.  

Dat zijn opdrachten voor de volwassen spiritualist. 

Als we iemand horen zeggen: "Ik weet dat ik dit of dat eigenlijk laten moet, maar ik vind het nog zo prettig  of nog zo lekker!" dan moet deze daarmede doorgaan. 

Slechts wanneer men zegt: "Ik houd ermede op, want het staat mij tegen", is het moment van ommekeer aangebroken. 

Reiniging van de aarde of het ego is daarom een kwestie van groei, inzicht, instelling, en nooit van een van buiten opgelegde verplichting. 

Mentale vervuiling komt van binnenuit, niet van buitenaf, zo ook de reiniging. 

De geest van het aardse is de reiniger, zoals de heiligende individuele geest de verbintenis is tussen ziel en Schepper. 

Een doodziek mens grijpt naar allerlei middelen ter genezing, een psychisch wanhopig zoekend mens doet dit in de spiritualiteit. 

Hij is een gemakkelijker prooi voor de misleiders, evenals de lichamelijk zieke gauw het slachtoffer wordt van de kwakzalvers. 

De mens moet een grens bereikt hebben wil hij een sprong in de duisternis wagcn. 

Spirituele adeldom en stoffelijke reiniging, mentaal, emotioneel,   en kwa voeding, gaan altijd samen. 

"Dat is het geheim van deze Sleutel", zegt de alchemist, "dat het bloed van onze steen eigenlijk het vaste zout is. 

Deze ontdekking ontvangt men pas na een juiste verwerking en een langzame distilatie." 

Langzaam gaat de pelgrim opwaarts, zijn bewustzijn ontvouwt zich als de bladeren van een bloem, één voor één, en zo gaat men het spirituele van het stoffelijke soheiden. 

Hoevele mensen zullen er zijn die een grens trekken tussen spiritualiteit en materialisme? 

Verlegt men zijn materiële begeren niet al te dikwijls in de spiritualiteit? 

Zijn de onderlinge concurrentie, het elkander overtroeven, de minachting, de streberei minder onder de zg.esotericie en gelovigen dan bij de materialisten? 

De maatschappelijke verhoudingen reflecteren zich in de religieuze bewegingen. Zoals dezelfde verhoudingen zich voortZetten in de tussensfeer, het etherische lichaam van onze planeet. 

Actuele radio- en t.v. uitzendingen geven daar een duidelijk beeld van. 

Ook in zijn denkbeeld omtrent het "leven na de dood" scheidt de pelgrim of de zoekende mens het materiële niet van het spirituele.  

Hij is daartoe niet in staat, omdat zijn denken zich krampachtig tracht te bewegen buiten zijn begrenzingen en daarin niet slaagt. 

Het intellectueel willen omvatten van de spiritualiteit bindt de mens aan de biologische wet van oorzaak en gevolg; niet slechts de universitair geschoolde mens is intellectueel, men kan heel goed een intellectuele instelling hebben zonder dat men een bestaande scholing vormt. 

Elk mens is hetzij overwegend intellectueel, hetzij overwegend emotioneel, beide disposities leiden naar een onbegrip van de spiritualiteit, dus opnieuw: reinig de aarde met zijn eigen geest.  Controleer het zo noodzakelijke allereerste instrument, begin niet aan de verkeerde kant. 

De alchemist citeert deze woorden van Hermes Tresmegistos om de kandidaat attent te maken op de werking van de Derde Sleutel: 

"Om de zwavelachtige vorm te verkrijgen is het voldoende om de waterachtige ziel te vermengen met onze azijn, totdat inderdaad de samenstelling is verdwenen, dat is de sleutel tot de vernieuwing." 

Azijn is oorspronkelijk druivensap; de "waterachtige ziel" bezit iets van spirit en maakt dus van de azijn een spirituose, levend water, zoals men ook wel zegt. 

Uit  dit "levende water" moet de azijnachtige smaak volkomen zijn verdwenen.  

Het oude lichaam moet zijn krachten verliezen, de ziel moet daarvan geen kleur en geen smaak meer bezitten; de woorden van de spirituele mens moeten geen enkele impressie uit het ego meer doorlaten. Het ego moet dus uit geen van zijn handelingen, gedachten en emoties te voorschijn treden. 

Dat is de vernieuwing.  

Een ego-mens is géén ziele-mens, maar de ziele-mens drukt zich uit door middel van de aardse zintuigen,

en dat kan hij zonder dat er enige egocentrische smet aan kleeft. 

Wij doen zo vaak ons uiterste best om niet egocentrisch te zijn en wij kristalliseren in deze pogingeri, zij worden een "must", een onontkoombare dwang of verplichting, doch zij leiden tot niets, omdat de gedachte onwillekeurig wegzwerven naar de begeerten des harten. 

Men kan zichzelf dwingen in een spiritueel harnas te leven en zich inbeelden zo een geestelijk mens te zijn, maar onze microkosmos verraadt onze innerlijke standing, en ons aurische lichaam toont onze gekleurdheid, en zo belanden we toch daar waar we thuishoren. 

Hoe zouden we kunnen denken dat de Schepper te misleiden zou zijn door onze schijnheiligheid? Of door onze plichtmatigheid? 

Ook de alchemist wijst duidelijk naar de onontbeerlijkheid van de waarheid heen: de waarheid is nooit te loochenen voor God. 

Noch voor moeder natuur, de wet van "oorzaak en gevolg" is voor de biologische mens onontkoombaar. 

Onze aura of ons etherisch lichaam behoort tot de biologische natuur en hij die in zijn hart geen spiritualist blijkt, beland in de sfeer der materialisten, hoezeer hij zijn streven ook op een spiritueel doel scheen te hebben gericht. 

Tussen begeren en heilbegeren ligt een ontzagwekkende wereld. 

Begeerte sterft met de existentie van het ego; heilbegeren leeft met de groei van de ziel en sterft nadat geest en ziel opgegaan zijn in het geestelijke rijk. 

Heilbegeren en begeren kunnen niet naast elkander bestaan. 

Zonder begeerte komt men echter niet tot heilbegeerte. 

"Ik begeer te zijn" zo roept de individuele mens. 

AIs hij een evenwichtige individualist is geworden, kan hij overgaan tot heilbegeren, eerder niet. 

Zolang de mens niet begéért te zijn, zal hij spiritueel niets bereiken. 

Het ene gaat aan het andere vooraf. 

De alchemist maakt de lezer erop attent dat er "geen groter contrast is dan het vuur en het water, niettemin moet de wijze kandidaat vrede tussen deze twee vijandern brengen, die elkaar in de grond hartstochtelijk liefhebben." 

Uit beide aanzichten moet de geest geextraheerd worden,  d.w.z. water zowel als vuur geven trillingen af, als water verhit wordt komt er stoom vrij, waarin zowel de hitte als het water aanwezig zijn. 

De samensmelting van de tegengestelden geschiedt altijd in een krachtige verbranding; harde ervaringen haalt de waarachtige mens uit zijn ruwe bolster; nood-omstandigheden dwingen de mens zich te tonen zoals hij is; in het felste van het gevecht grijpen de vechters naar hun laatste wapen. 

Overal, in de schijn-spiritualiteit, in de maatschappij, in de religieuze bewegingen, in de ontmoeting van mens tot mens EN in de spiritualiteit herkent men deze wet. 

Om spiritueel aan het omzettingsvuur overgeleverd te worden moet de kandidaat echter allereerst zijn drie materialen bezitten: het vaste zout, puur en sterk voor de offerande in het vuur; de door een geestelijke inspiratie geanimeerde ziel, het water afgescheiden van elke aardse invloed; en het zwavel, de geest puur in zijn brandbaarheid. 

Mercurius is dan weer de vertegenwoordiger van de ziel dan weer de afgezant van de geest, hij is de boodschapper; hij kan rood zijn als het bloed of het lichaam, hij kan geel zijn als de zwavel, of de geest en wit als de reine ziel of blanke zwaan. Ook kan hij zwart zijn als het dode lichaam, de raaf in de kolf; Mercurius, de duivelse en de goddelijke beweegt zich overal.

Volgens de alchemische filosofen is de geest Hevah en het lichaam is Adamas (Eva en Adam), het vrouwelijke of het water moet het vuur of het mannelijke doven, terwijl het vuur het water moet verhitten.  

Uit hen beiden komt de nieuwe soort voort. 

Met een essentie van beiden erin verborgen.   

Geloof - Adamas en Hoop - Hevah brengen Eros of de Liefde voort. 

Deze Liefde is voorwaarde voor het voortbestaan van het nieuwe leven, of de vrucht. 

Zodra de kandidaat samensmelt met zijn geestelijke verbeelding, of inspiratie, groeit in hem een nieuwe substantie: de liefde tot zijn Schepper. 

Te verstaan als een belevendigende verbintenis tussen mens en God, of het "wandelen met God." 

Het vrouwelijke wordt altijd erkend als de meest effectieve en bezielende kracht: Hevah is beslissend voor de verdere ontwikkeling op het spirituele Pad. 

In de mens is het negatieve principe beslissend voor het spirituele welslagen. 

Uit  angst voor de macht van de giftig geworden negatieve kracht, vlucht de positieve kracht; het vuur ontvlucht het water; de vereniging van man en vrouw, van het natuurlijke positieve en het natuurlijke negatieve element is verworden tot een gevecht terwille van de existentie van de soort. 

In dit gevecht gebruiken beide soorten dikwijls hun laatste en verborgen wapen.  

De existentie-drang van de natuur dwingt hen daartoe. Wanneer de geestelijke levens-drang net zo machtig zou zijn in de mens, zouden negatief en positief zich gemakkelijk laten verenigen, want positief - het denken van de mens; en negatief - de emotie van de mens, zijn in wezen elkanders geliefden. 

Zij komen beide uit één levensessentie en om deze essintie te ontdekken moet men hen samensmelten onder de dwang van een geweldig geestelijk vuur.  

Dat vuur maakt van de mens geen fanaticus, omdat fanatisme sterft met de oude Adam, hij blijft achter op de bodem van de kolf; en het maakt van hem geen slappeling, noch een dweper, 

maar door de vereniging van water en vuur wordt hij pas werkelijk levend. Een wijze, een eenling, een vreemdeIing op aarde, maar tevens een gelukkig mens, omdat hij immuun is gewrden voor de bewogenheden en de onwevenwichtigheid van de negatieve, zowel als van de positieve uitspattingen op aarde. 

Hij is noch dom noch gevoelloos, maar zowel het denken als de emotie hebben een andere kracht ondergaan en zijn dus veranderd in een geestelijke stimulans. 

De spiritualiteit wordt zowel met het denken als met het hart verstaan, omdat zij beide één zijn geworden in het geestelijke vuur. 

"O Licht der Lichten, gij zijt in mij en om mij," zo roept deze mens woordeloos uit en hij die zichzelf herkent in dit Licht en dit Licht in zichzelf onderken, hij is verbonden aan het Rijk des Lichts en hij vreest noch het leven op aarde, noch het leven achter de sluier. 

Het is te hopen dat velen in de komende jaren tot dit inzicht zullen komen, want de tijden worden zwaar nu noodgedwongen de sluier tussen leven en dood weggetrokken zal worden. 

De mens wordt geforceerd tot een grens gebracht, omdat de tijden vol worden, maar zij die voorbereid zijn bewegen mede op het ritme der tijden en grijpen de kans die hun geboden wordt.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene