Negende hoofdstuk

"De Vierde Sleutel verandert ons water in aarde; er is  op aarde slechts dit enige water dat door een simpel koken tot aarde wordt." 

Dit zijn de mysterieuze regels waarmede de Vierde Sleutel begint:   

"het water der alchemisten is altijd de ziel, de reine Diana."   

Zij wordt wel eens uitgebeeld door een hert, omdat de legende zegt dat "het hert, door zich te reinigen met de heldere waterstromen, de draak uit het donkerste der aarde kan overwinnen." 

Het water is altijd het symbool geweest van reinheid, ontvankelijkheid en spiritualiteit. 

Heel anders dan het vuur, dat een symbool is van levenskracht.  De overleveringen vertellen immers van een tweevoudige doop: die van hetwater en die van het vuur.   

Eigenlijk kunnen we deze terugvinden in de alchemie, waer altijd sprake is van de eenheid: water en vuur; 

maar alle begin ligt in de ontvankelijkheid die zich moet laten "opwarmen" door het water of moet koken, totdat het vastheid of "aarde" wordt. 

Uit het unieke "water" der  alchemisten ontstaat dus een andere aarde, omdat dit water in zichzelf reeds "de sulfur" bezit die hitte geeft, reinigt, en het onreine verbrandt. 

Wij zijn, als spiritueel zoekende mensen, dikwijls noch reine

aarde, noch rein water, noch rein vuur. 

Laten we nu van het standpunt uitgaan dat we "reine aarde" zijn geworden, harmonie naar de natuur.  

Dan volgt de tweede fase: deze reine aarde vermengt zich met "ons ziele-water" waarin toch iets van het sulfur of Gods geest aanwezig is en zo komt daaruit, door de verhitting des geestes 

weer een andere aarde voort, een ziele-aarde. 

Dan bezitten we dus twee "vaste" lichamen; een duurzame natuurlijke aarde, en een duurzame natuurlijke ziel, geboren uit het sulfur-water. 

Een duurzame, geestelijk gerichte ziel is niets anders dan een sterk levende, de mens leidende ziel. 

De materie waarin zij is ingedaald, kan haar niet meer besmetten.  

Waarmede is gezegd dat wij, als natuurlijk mens, die ziel niet meer kunnen beïnvloeden. 

Reine, harmonische aarde kent haar taak, matigt zich geen arrogante eerzucht aan, zij blijft bij het natuurlijke, want de "materie kan zich verfijnen, etherisch worden, maar zal nooit materie-loos worden, omdat haar verlangen op de materie blijft gericht, het zijne zoekt het zijne." 

Deze alchemische uitspraak bevestigt meteen dat persoonlijkheidscultuur, het aanleren van methoden, vormen, nooit kan leiden tot ware spiritualiteit. 

Materie blijft materie. 

Slechts de ziel kan zich verheffen tot de geest "omdat zij een trilling des geestes of sulfur" in zich omdraagt.  

Vergelijk een biologisch mens nooit met een spiritueel mens.  De biologische mens verlangt niet naar het spirituele, waarom zou hij? 

Wat ons naar het spirituele doet verlangen is de ziel in ons, zij zoekt het hare, zij wil terug keren naar haar oorspornkelijk tehuis. 

Haar invloed maakt van de mens een spirituele zoeker, en onder haar stem kan deze mens zijn levenswandel veranderen en in harmonie komen met de natuur; niet zich verlagen tot een instinctief leven, dat is geheel wat anders.   

Maar zichzelf evenwichtig maken, onderscheiden wat van de natuuri is en wat tot de geest behoort. 

Zichzelf niet bedriegen door te menen dat hijzelf, als biologisch mens, geestelijk is.   

Natuur, ziel en geest moeten een eenheid worden, waarbij het lagere zich langzaam maar zeker ondergeschikt maakt aan het hogere: natuur aan ziel en ziel aan geest. 

Maar het lagere moet afleren onheilig te zijn, afleren het onheilige te aanbidden, het te voeden. 

Kwaad en goed staan daarbuiten. 

Wie is goed? Ook niet één! 

Het goede bestaat niet in zichzelf; deugd en ondeugd houden de natuur in leven, maar zowel deugd als ondeugd moeten zich verheffen tot louter een 'zijn'; een schaduw zowel als een lichtzijde behoort tot de natuur.  

Vergeet nooit dat ondeugd niet "slecht" behoeft te zijn.  Traagheid noemt de mens een "ondeugd", maar het heeft ook zijn goede kanten. 

Traagheid noemt de mens een ondeugd: waarom? 

Omdat het niet strookt met de heersende wetten van onze  maatschappij. 

Vele ondeugden komen uit de innerlijke onevenwichtigheid des mensen. 

Elke ondeugd kan omgezet worden in deugd en elke deugd in ondeugd, zij zijn geen van beide duurzaam.  

Buiten hen staan natuurlijk de oerzonden, onheiligheid, die te maken hebben met een bezoedelde of onheilige ziel. 

Oerzonden zijn slechts uit te roeien door de vleug van heiligheid, of de adem des geestes.  

Iemand die zijn ziel laat spreken bestrijdt de onheiligheid of de oerzonden, die elk op zich de mens verzieken.  

Het reine ziele-water doen koken totdat het aarde wordt, is de opdracht voor de mens die reeds toegestemd heeft in een ziele-Ieiding. 

Wij zijn zo dikwijls verward in allerlei bijwerkingen, nevengedachten, opgedrongen wetten en aangeleerde plichten dat we spiritualiteit en biologische geaardheid niet uit elkaar kunnen houden. 

We proberen ons lichaam, en ons ego strenge wetten op te leggen opdat op deze wijze spiritualiteit of heiligheid ons deel zou kunnen worden. 

Welk een waan! 

Spiritualiteit en daarbij heiligheid komt van binnenuit, nooit van buitenaf.   

Zelfs het lichaam dwingen elke dag te mediteren of boete te doen leidt de mens een waanwereld binnen. 

Slechts de individuele vrijheid bewijst wie de mens is. 

Ook zijn hunkering naar de geest komt uit zijn persoonlijke vrijheid. 

Spirituele mensen behoeft men niet te verplichten het spirituele te zoeken of levend te houden.  

De innerlijke stem wordt dringender door de confrontatie met de geest, of door de invloed van de ziel; 

en zo zoekt elk mens zijn weg, baant hij zich woordelijk een smalle doorgang door de onwetende menigten, dwars door hun spot, hun onbegrip en hun haat.  

Want in de menigten leven de oerzonden: jaloezie, drift, hoogmoed, gulzigheid, gierigheid, luiheid en wellust . 

Uit hen ontstaan bijwerkingen die méér zijn dan ondeugden. 

Haat staat tegenover liefde, zo beweert men, maar die liefde is niets anders dan wellust, anders zou er geen haat tegenover kunnen staan en naast wellust leeft de jaloezie.  

De schaduw, en de lichtzijde van de natuur zijn geen van beide slecht, zij hebben hun taak. 

Waarlijke liefde brengt smart mede, nooit haat, en smart is de ziele-aandoening die de parel te voorschijn brengt.  

Dag en nacht zijn tegengestelden, maar tevens samenwerkers, en een eenheid in hun arbeid; in onszelf zijn de tegengestelden vijanden die ons verzieken en uiteenscheuren.   

Zodra we ontdekken dat onze innerlijke tegengestelden in wezen één zijn en tevens medewerkers, komen wij in harmonie met hen.  

Wij accepteren hen dan en zien hun schoonheid.  

Hij die de rijkdom van de nacht kent, zijn stilte die doet rijpen, schuwt haar niet.   

Zo is het ook met smart en alle mogelijke tegenstanden. 

Hij die de zegen van het medebewegen kent, roept geen tegenstanden op, maar ontmoet slechts smart door onbegrip bij de onwetenden. 

Weerstand roept weerstand op, daardoor komt strijd, spanningen, verdriet zonder noodzaak. 

Het "water moet koken totdat daaruit de aarde overblijft", het zekere, de kern, dat waarop men bouwen moet, moet overblijven. 

Zo gaat het in een mensenleven, zo gaat het in de mens zelf.  

In veel mensenlevens is de beweging, de beroering, het "koken" zo intensief, dat er tenslotte een kern overblijft. 

Harde ervaringen zijn de hitte des levens. 

Daaruit kan wijsheid geboren worden, meent de alchemist, maar niet altijd.   

Er zijn velen die uit de hitte vluchten, het kookproces schuwen, maar elk mens krijgt zijn ervaringen. 

Daaraan ontkomt men nooit, het is een natuurwet en tevens een aanleiding tot het geestelijke proces, want in wezen zijn de natuur, (de tijdelijke dochter der goddelijke natuur) en de geest één. 

Hoe intensiever de mens zich met de geest bezighoudt, des te heviger wordt de hitte van zijn leven, dat is een wet.  0

Omdat hitte reinigt, en uit de verassing de kern te voorschijn komt. 0

Hebt u niet allen bemerkt hoe noodsituaties, smart, harde leringen iets achterlaten in uzelf? 

Blijft er iets bitters over, dan is het proces niet goed verlopen, de "omzetting" heeft zich niet geheel voltrokken.   

Dan kunt u bemerken hoe u innerlijk daar nog steeds mede bezig bent.  

En het einde is pas in zicht wanneer u geen weerstand biedt, zich overgeeft en zegt: Voilà, het ìs nu eenmaal zo en ik houdt er "wijsheid" aan over. 

Dat is een praktische ervaring, en een afschaduwing van het zo ingrijpende geestelijke proces. 

Slechts de zich met de geest confronterende mens kent deze ervaring; hij wordt herkend door het Licht, en direct beproefd.   Het gaat niet om maatschappelijke tegenstanden, niet om door mensen ingestelde wetten, de ervaringen gaan veel dieper.   

Dat wat de mens schept kent deugd en ondeugd, dan weer is er schaduw dan weer licht, dan weer voordeel dan weer nadeel. 

Wij moeten, bij elke ervaring, als een phoenix uit de as herrijzen.  

Meestal zijn we gewonde, kaalgeplukte, moeizaam fladderende vogels die elke keer weer neervallen en tenslotte de herinnering aan de vleugels en de hemelen vergeten.   

Is dat niet de opzet van het onheilige? 

Dat het heilige vergeet ooit uit de hemel te zijn neergedaald? "Houdt uw hart beschermd, houdt uw hart rein, reinig de drie lichamen zodat de geest erin een woning zal vinden....." 

Overal komt men zulke regels tegen en veelal citeren of herhalen wij ze zonder werkelijk te ervaren wat zij menen.  

"Kook het water met geduld", zo zegt de alchemist. 

"Het geduld zit in het gebeente", staat in het Boek Henoch.  

De mens moet zich langzaam wennen aan de hitte des vuurs, aan de aanrakingen des geestes. 

Om geestelijk te worden moet hij zich blootstellen aan een veranderingsproces, van binnenuit wordt dit aan hem voltrokken. 

AIIes wat we van binnenuit bereiken, ervaren, overwinnen, houdt stand. 

Dat is de liefdeverbintenis tussen ziel en geest. 

Daar tegenover staat geen haat. 

En zou er in ons ego een irritatie, een haat tegenover deze verandering optreden, dan wil dat zeggen dat onze natuurlijke "aarde nog niet rein is." 

Dan moeten we deze irritatie rustig voor bij laten gaan, niet  belevendigen, geen gedachten eraan besteden, niet kastijden noch ons erin  baden; het onreine trekt weg zodra het reine overweegt, het "zware lichaam wordt opgeheven zodra het verenigt wordt met een sterk licht lichaam". 

Het sterke "lichte lichaam" is hier op de eerste plaats de ziel, etherisch, bestaande uit de wind en Gods Adem.  

Maar "het zware lichaam" wordt licht door verdeling, "hoewe het nooit materieloos kan worden." 

Het moet medebewegen. 

Het ego moet begrijpen waarom het gaat, zonder weerstand en angst te koesteren. 

Beide aandoeningen komen uit een hoofdzonde voort. 

De natuur kent zelfhanhaving en existentiedrift, maar alle natuur wéét dat zij vergankelijk is, en koestert daarvoor geen angst. 

Angst voor de dood kent de natuur niet, er is slechts soms angst voor de manier waarop die dood kan komen. 

Wreedheid is een ontaarding binnen de natuur. 

Maar de mens kan angst voor de dood hebben louter om het onbekende waarvoor hij wordt geplaatst. 

Dat is een angst der onwetendheid. 

Een onwetendheid die door het brein wordt herkend. 

Het dier weet niet dat het onwetend is. 

Slechts de door het denken begenadigde, of ook wel gepijnigde mens ontdekt zijn onwetendheid. 

De overgave aan het spirituele is omgeven door allerlei vormen van angst, doordat de onwetendheid het brein kwelt.  

Maar de ziel weet. 

Innerlijk bezit de mens een weten en hij kan dit opgraven uit de ziel, het blijft in hem over als een stille duurzaam lichtende vlam, zodra hij zich aan de hitte blootstelt en de ziel en de geest laat doen hetgeen zij willen doen. 

Daarin sterft de angst. 

Weerstand is angst, protest is angst, behalve in situaties van onderkenning natuurlijk: verzet tegen ziele-moord en tegen slavernij komt voort uit een innerlijk weten. 

Maar daar tegenover staat dan een alternatief: de aanvaarding van de vrijheid en de individuele verantwoordelijkheid tegenover die ziel. 

Als men wetende is, is het een oerzonde dit weten te negeren.  Dan zijn wij lui, de oerzonde van de maanwerkingen. 

Het "zilver moet levend zijn", zegt de alchemist, kwikzilver of de zilverenlevensstroom. 

Levend zijn wil zeggen "innerlijk bewegen", actief doen hetgeen men van binnenuit mòet doen.   

Iemand die zijn spirituele weg afbreekt staat stil, dat is een oerzonde; een zich aan luiheid overgevende mens staat stil. 

Al degenen die zich slaafs aan een autoriteit overgeven staan innerlijk stil - de oerzonde van de luiheid.  

Aan luie mensen vraagt de geest niets meer, zij worden buiten zijn opwekkende vuur gesloten.  

Zodra zij echter uit hun luiheid ontwaken kan de geest weer daar zijn, met zijn actieve vuur, zijn reine water, en dat gehele proces dat louter innerlijke activiteit vraagt.  

Wanneer Henoch spreekt over "ijs dat brandt", is dat in wezen een alchemische uitspraak. 

Het is de vereniging van water en vuur; ijs is de verharding van water, verharding van de ontvankelijkheid en slechts het vuur, de hitte van de indringende geestelijke ervaring kan hier wat uitrichten. 

Komt zulk een ervaring niet dan is de mens deze nog niet waardig, hij kan verstarren, zichzelf smelten in emotionaliteit, maar de geest blijft afwezig, de vier innerlijke, individuele natuurlijke elementen hebben dan niet hun natuurlijke aard bereikt. 

Emotionaliteit, of verharding is onreine ontvankelijkheid, troebel water, het moet veranderen in erbarmen, of rustige innerlijke bewogenheid, zoals een meer kan rimpelen wanneer men er een steentje in werpt, maar altijd zijn rust weer herstelt. 

De reine ontvankelijkheid kan het onreine opvangen en tòch rein blijven, omdat de geest, het sulfur er in essentie in aanwezig is. 


Dat is de arbeid van de Vierde Sleutel: ziele-ervaringen, diep ingrijpende leringen, aan het vuur blootstellen dat in ons aanwezig is, en er de grond van wijsheid uit overhouden.  

De aarde van het tweede lichaam, het ziele-lichaam. 

De grond die "aan de overzijde van de Jordaan ligt", zoals we wel eens geschreven hebben.  

Daartoe moeten we de Jordaan kunnen oversteken, met zijn stromen en zijn verraderlijke draaikolken. 

Denk niet aan de Jordaan in Israël. 

De Jordaan en het Jordaanwater werden door al de gnostieken als symbool gebruikt. 

wanneer Johannes zegt: "Hij komt van de overzijde der Jordaan", kan dit van toepassing zijn op elk mens die zichzelf herkent as komende uit het Andere Land waarin de Adem Gods aanwezig is.   

Dat land, zijn aarde dragen we in ons, laten we er wat mede doen zodat wij onze geboortegrond hervinden zullen!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene