Eerste hoofdstuk

Wanneer wij in dit boek de Zes Sleutels van de geheime hermetische leer gaan behandelen, dan gaan wij ervan uit, evenals de middeleeuwse schrijver, dat de lezer bestaat uit waarachtige discipelen, mensen, die bereid zijn de spiritualiteit voorrang te geven boven materialisme.

Eigenlijk behoren dezulken dus tot degenen die de enig mogelijke beslissing hebben genomen en waarachtig "mens", het schepsel van de zesde dag of van de zesde Tarotkaart, zijn geworden.

Voor hen die deze beslissing nog niet hebben genomen, is het nutteloos de Eerste Sleutel te bezitten; zij kunnen er niet mee omgaan en de inhoud van de alchemische brief blijft toegesloten.

Voor alle anderen bevatten de Sleutels de oplossing, het gaat er slechts om of en hoe men hen hanteren kan.

Theoretische oplossingen zijn er genoeg; wijze woorden en raadgevingen vullen literatuur en heilige plaatsen, niettemin is er niet veel veranderd in de wereld en slechts weinig in de luisterende en lezende mens.

Omdat de mens slechts intellectueel geïnteresseerd is en kennis verzameld als een gierigaard, menende daardoor rijk te worden.

Gierigheid is de hoofdzonde van Saturnus, die de "wachter aan de tempel" wordt genoemd of "de wachter aan de poort".

De bewaker van de eigen innerlijke Tempel van de mens, waarin de inwonende God of Geest woont, is eveneens Saturnus, symbool en synoniem van Satan of onheiligheid.

De sleutels die de alchemist aan de zoeker overdraagt, worden in handen gelegd van zijn ego, die de poort opent in dienst van de ziel.

Het ego van de mens gaat niet zelf de innerlijke Tempel binnen, noch passeert hij de poortwachter, maar de ziel doet dit. Alles wat het ego kan verrichten is dienstbaar zijn aan de wensen van de inwonende god, ziel of geest en voor deze de sleutel hanteren.

Het ego laat de ziel vrij en Saturnus verandert in Christus, wanneer de ziel het wachtwoord spreekt, maar daartoe moet zij echter vrij zijn, zij moet zich kunnen ontplooien tot een zelfstandig wezen.

Waarachtige discipelen van Hermes zijn mensen, die zich bewust zijn van hun inwonende God en bereid zijn zelf terug te treden, opdat de ziel hen voorbij kan snellen naar de Hoogten, of langs hen heen de poort door.

De Zes Sleutels openen de gevangenis, waaruit de ziel vlucht en de waarachtige mens is bereid haar vrij te laten. De egocentrische mens, nog niet sprekende over de luciferische ziel, die het ego overheerst, heeft geen behoefte aan sleutels en de luciferische ziel vindt het niet nodig zijn gevangenis, die hij tot een comfortabel oord heeft gemaakt te ontvluchten.

De waarachtige discipelen van Hermes zijn degenen, die gevoelig zijn voor intuïtie en ge-weten, en verheugd elke raad aanvaarden, die hun Lichtzoon dichter bij zijn oorsprong brengt.

Zij zijn bereid zelf daarvoor consequenties te accepteren, zij leven niet meer uitsluitend voor het eigenbelang, zij zijn innerlijk, als ego, toebereid.

Toebereid door het leven, door ontdekkingen en eerstehands kennis. Zij wachten slechts op de alles doorbrekende raad van de wijsheid. Voor hen zijn deze sleutels, die de ernstige alchemist hen overdraagt in de veronderstelling tegenover zijn broeders te staan, die, evenals hij, de ziel haar vrijheid terug willen geven.


Wij citeren: 

"De Eerste Sleutel opent de duisteren gevangenissen, waarin het zwavel is opgesloten.

Deze Sleutel kan het zaad van het lichaam afscheiden en vormt de Steen der Wijzen, door de conjunctie van het mannelijke en het vrouwelijke, van de geest met het lichaam, van het zwavel met 

Mercurius."  


De alchemist spreekt over niets anders dan over de ziel of Lichtzoon. Het zwavel is het geestvuur, de verborgen vurige ether, die zich om de mens heen en in hem bevindt, hij is opgesloten in geheel de natuur, de geest gods, het sulfur, de geestzon, de onaardse trilling of ether die zich langs de natuurlijke banen aan de mens kan bekend maken.

De "donkere gevangenissen" zijn alle natuurlijke vormen, die zich van deze "geest" niet bewust zijn. 

Onwetendheid is de grootste "zonde" staat er in het Boek Henoch.

Het onwetende ego houdt zijn gevangenis duister en dicht, niet uit kwaadaardigheid, maar louter omdat het onbekend is met de aanwezigheid van het geestelijke geheimenis binnen zijn gevangenis.  

Het staat "buiten het licht" en is dus duister; allereerst moet het dus deze onwetendheid afleggen en dat is de voorbereiding, die de waarachtige discipel van Hermes reeds heeft ondergaan.

Een onwetend ego luistert niet, het heeft ingrijpende ervaringen nodig. Een wetend ego is bereid te leren, en de Eerste Sleutel zegt dit ego wat het moet doen of niet doen.

De geest of het zwavel scheidt het "zaad van het lichaam"; het "mannelijke en het vrouwelijke", de "geest en het lichaam" worden samengebracht door de Steen der Wijzen.

Er zijn drie alchemische operatieve werken: 

"zaad en lichaam scheiden" - "geboorte van de Steen der Wijzen" - en door hem "geest en lichaam" of "zwavel en Mercurius"  samenvoegen.

Het gebruik van de Sleutel, die de obscure gevangenissen opent, plaatst de discipel dus voor deze drie werken, die eigenlijk een eenheid vormen.

De alchemist voegt eraan toe: 

"De wijze filosoof spreekt in dubbelzinnige termen, zodat zij die niet de ogen van een lynx hebben, zich erin verwarren als in een doolhof en soms nooit meer daaruit ontsnappen."

Voor de waarachtige discipel geeft hij nog een verklaring voor de drie werken:

"Het is een waarheid dat in elk werk die wijze beoefenaar het lichaam moet losmaken van de geest. Hij moet het hoofd van de raaf afhakken en het zwart bleken en het witte rood maken."

Het begin ligt altijd in het "afhakken van het hoofd van de zwarte raa".  Het "zaad scheiden van het lichaam" is één van de werken, voordat men dit zaad kan scheiden, moet echter de "raaf zijn hoofd missen". 

Saturnus, Lucifer, ego, Satan, onverschillig welke "lichtloze" leider,  moet onthoofd worden, ontdaan worden van zijn leidende functie.

"Ik verlies mijn hoofd", roept de mens uit, als hij niet meer gericht kan denken en handelen. Dit is een zwakke afspiegeling van het eerste werk van de wijze alchemist.  

In de spiritualiteit moet het ego zijn leidinggevende positie verliezen, zoals in kwaadaardig-luciferische daden het ego eveneens "zijn hoofd verloren" heeft.

Waarom kan dit wel in onheiligheid en niet in heiligheid?

Waarom stelt het ego zich beschikbaar om instrument te worden voor de onheiligheid en sputtert het tegen bij heiligheid?

Eenvoudig, omdat de "heiligheid in de mens" vrijwel nooit zo sterk is als de "onheiligheid" of "onwetendheid" in de mens. 

Om de "raaf" zijn hoofd af te hakken, moet men deze eerst zien te vangen, hij moet getemd zijn en vrijwillig tot de mens komen; het ego moet willen.

Tegen zijn wil kan men hem niet het hoofd afhakken, omdat een geforceerde dood nooit de waarachtige levenloosheid brengt.

In de natuur is dit precies zo: gewelddadig gedode mensen leven etherisch voort, totdat zij werkelijk bereid zijn te sterven.

Veelvuldig komt men ego's tegen, die op zulk een geforceerde wijze het hoofd is afgehakt, om met de alchemist te spreken, maar zij zijn daardoor niet minder sterk geworden, integendeel, hun ego-drift heeft zich slechts verplaatst in andere delen, in andere uitdrukkingen.

Vooral onder de esoterici herkent men dezulken, die rond lopen met hun hoofd onder de arm en prat gaan op hun onthoofdingen; zij bedrinken zich aan hun martelaarschap, aan hun ego-loosheid en aan hun ego-overgave, maar zij zijn opgeblazen als ballonnen, hun ego adorerende, omdat het zijn hoofd mist. 

Dat is schijn-spiritualiteit, schijn-alchemie of welke andere benaming men daar ook aan wil geven.  

Zij hebben nog geen "ogen van een lynx" en zullen vrijwel hun levenslang opgesloten blijven in het labyrint van de onbegrepen terminologie, die een doolhof voor hen is geworden, waarbinnen zij zich vermaken met nutteloze experimenten.

De middeleeuwse alchemist waarschuwt de discipel daarvoor.  

Verstaat de discipel deze waarschuwing?  

Ik weet het niet!  

Ik ben niet zo arrogant om te veronderstellen, dat de lezer - juist hij - voorbestemd is om de Sleutels praktisch aan te wenden.  

Ik probeer de alchemische taal te verduidelijken, hopende dat wellicht enkelen het alchemische werk zullen beginnen, met alle consequenties daaraan verbonden.

Een consequentie is voor de schijnalchemist een angstaanjagend obstakel, voor de waarachtige discipel is het een begeleidend verschijnsel van zijn arbeid.

Het ego, als leidende macht, vindt de mens in zichzelf, maar ook om hem heen. Zijn essentie, zijn kernkracht is de drijvende macht binnen de natuur. De natuur is als een gigantisch lichaam, zoals de mens zelf een persoonlijk lichaam heeft, en binnen natuur en mens moet die drijvende, egocentrische, overheersende macht "onthoofd"  worden.

Saturnus, de "archont, die de duistere gevangenissen bewaakt",  maar die tevens "tempelwachter" is, omdat hij de laatste is die gepasseerd moet worden, voordat de discipel de innerlijke Tempel en de buiten-zodiakale sfeer kan binnentreden, moet ontkracht worden. 

Saturnus is dienaar van de onheiligheid geworden; Lucifer, de onheilige gevallen ziel, vindt hem altijd naast zich.  

Lucifer en Saturnus zijn één geworden en de eerste moet worden "omgezet", terwijl de andere moet worden "omgewend" .

Er is een - om met Paracelsus te spreken - transplantatio en een transfiguratie; het veredelen of transplanteren van het zijnde en het totaal wegsterven van iets, opdat daaruit iets nieuws geboren kan worden.  

Als deze terminologie mogelijk te ingewikkeld is en daarvoor intellectuele inspanning is vereist, kan men het ook eenvoudig zeggen: het ego moet van een "onwetende" opklimmen naar een "wetende" natuurlijke schepping en de ziel moet zich omzetten van een "luciferische onheilige" tot een "christocentrische heilige".  

Het ego sterft niet, het verandert en treedt terug; binnen dit levensveld heeft men het ego nodig voor de existentie.

Omdat het terugtreedt uit zijn caverne achter het voorhoofd, geeft het die ledige ruimte over aan de ziel, maar deze ziel moet allereerst van luciferisch, d.w.z., arrogant, god-wederstrevend, worden tot een terugkerende Lichtzoon. 

Een luciferische ziel dwingt het ego zijn plaats achter het voorhoofd van tijd tot tijd aan haar af te staan, maar een terugkerende ziel wacht totdat het ego dit vrijwillig doet.

Dat is het verschil.  

Daarom duurt de tweede weg langer dan de eerste weg.  

Bij beide is de natuur het instrument en de ziel is de inzet van het experiment. 

De Eerste Sleutel zegt slechts dat de mens alle saturnale macht moet verwijderen en deze raad is gegeven aan hen, die daartoe bereid en voorbereid zijn. Het succes van het alchemisch werk is daarvan afhankelijk.  

Men kan nu niet vragen of de mens daartoe bereid is, want het antwoord daarop kan men niet direct geven, niet in een impuls, onder invloed van hogere, geestelijke trillingen.  

Het resultaat spreekt gewoon voor zichzelf.  

En zelfs een verduidelijking van de alchemische taal zal niet kunnen voorkomen dat degenen "die nog niet de ogen van een lynx hebben", verward geraken in intellectueel, filosofische uiteenzettingen en theorieën.  

De Sleutel ligt pas in de handen van de mens wanneer hij deze Sleutel ziet, en iemand die een Sleutel ziet wil hem gebruiken.  

Want, in werkelijkheid, zoekt iedereen naar een sleutel, zonder te beseffen dat deze binnen het bereik ligt.   

De alchemist is geen atheïst; soms lijkt dit misschien zo, maar hij ging altijd van de overtuiging uit dat met behulp van de geest, het sulfur, de arbeid verricht kon worden.  

Het "opensluiten van de obscure gevangenissen" kan elk ego, dat bereid is deze geest te gehoorzamen. Zodra hij het "licht" toelaat, wordt hij van binnenuit verlicht, vanuit die gevangenis, waarin het zwavel of het sulfur licht geeft.  

De inwerking van dat Licht vormt de Steen der Wijzen; een Steen is een mineraal, waarin alles aanwezig is: de materie, de omzettende geest of het vuur en de middelaar of de ziel, de schoot, waarin de geest de bevruchting bewerkt.  

De Steen der Wijzen is het latente, nog niet ontplooide oerlichaam binnen het ziele-atoom. Dit ziele-atoom is nog neutraal, wit, het heeft niet de kleuren van denk- en gevoelsbewogenheid, maar het gaat door die kleurige wereld heen, wanneer het "zwarte of het saturnale"  tot "wit" moeten worden. Tussen het zwarte en het witte ligt het zeven-kleurenschema.  

De geest kleurt deze "witte steen of ziel rood", als teken dat het geestelijke vuur haar omzet. Rood is de kleur van het menselijke bloed, maar ook de kleur van het vuur.  

De"koning" moet zich in het vuur begeven; het ego treedt terug, maar de ziel moet zichzelf van alle smetten schoonwassen in het geestvuur.  

Niet het ego "zondigt"; het "Ik heb schuld, ik heb schuld" in sommige rituele gebruiken, ritmisch uitgesproken, opdat de mens zich van zijn schuld bewust zal worden, is een foutief geïnterpreteerde alchemische waarheid en die leidt tot frustraties van het ego.  

Schuldbesef is een gave van de ziel en daar tegenover bezit zij de geestelijke kracht om dit schuldbesef uit te doen. Het ego blijft altijd heen en weer rennen tussen het zg. goede en het zg. kwade en laadt door frustratie allerlei ballast op zich, hetgeen niet nodig zou zijn.  

Zodra de ziel tot inzicht komt, belijdt zij schuld en schuld belijden betekent een directe herverbintenis met de geest.

Het ego, de natuurlijke mens kent dit niet. 

Tegenover zijn schuldbelijdenis staat het verrichten van het schijnbaar goede, dat het kwade nooit opheft, maar slechts tijdelijk vervangt.  

De ziel, de inwonende god van de mens, belijdt zijn arrogantie, die het ego mogelijk heeft verziekt, maar het is altijd de ziel die daarin verandering kan brengen door zijn intuïtie en ge-weten als leiders te aanvaarden.  

Het ego heeft een hekel aan intuïtie zowel als aan het ge-weten.  

Zij zijn hinderlijk op een egocentrische weg.  

Berouw is goed, mits komende vanuit de ziele-kern!

Dan kan men berouw direct omzetten in een verblijdende, innerlijk belevendigende activiteit, die nooit de mens ziek zal maken of verbitteren.  

Elke pelgrim die toebereid is of bereid is een geestelijke weg te gaan, heeft in diepste wezen berouw. Misschien zegt dit woord hem niets, maar zijn ziel berouwt haar leiding en wil terug, daarom wordt hij, als ego geconfronteerd met diverse geestelijke mogelijkheden. En niemand, die vanuit deze kern zoekende is, kan verward geraken in terminologie, want termen zijn uiterlijke voorhangsels, waar de zoekende ziel doorheen schouwt.

Ook de luciferische zielen doorschouwen deze voorhangsels!

Waarom zou er anders door de eeuwen heen altijd zo'n oppositie geweest zijn tegen de gnostiek b.v.?

Luciferische zielen herkennen een ziele-bevrijdende leer.  

Voor hen kan men niets verbergen. Integendeel!

Zij herkennen geestelijk licht en willen het bezitten om zichzelf te versterken. Het ego heeft daarmede niets te maken, het wordt slechts gemanipuleerd. De mensheidshistorie wordt door ego's geschreven, maar door luciferische zielen bedacht.  

De Eerste Sleutel kennen deze luciferische zielen en daarom wordt er - via de natuurlijk saturnale middelaar - pogingen gedaan om de mens daarvan te weerhouden.  

De mensen die door de terminologie verward zijn, zijn niet belangrijk voor deze luciferbezielden, maar zij, die achter de dingen schouwen en innerlijk daardoor verlicht worden, zij zijn de moeite van de tegenstand waard.  

Daarom is de waarachtige discipel van Hermes het kruis of kruisgang waard en, zoals de Catharen zeiden, "het Kruis is een middel in de handen van de duivel". En is die duivel iemand anders dan de tegenstander Gods, die Adamas van zijn goddelijk Licht beroofde, om dit tot zijn eigen ontheiliging aan te wenden?

Zoals in de middeleeuwen kan de discipel zeggen: De waarachtige Cathaar ontkent het bestaan van het Kruis, omdat hij het in zichzelf en om zich heen overwonnen heeft. Doordat hij Satanaël onthoofde en het instrument van Satan deze uit de krachtloze handen viel.

De overwinning op het kruis betekent daarom "Het Leven" en nooit de dood.

De Eerste Sleutel is synoniem aan het zien van dat kruis, het accepteren, maar tevens zijn pijniging en bedreiging negeren.  

De Via Dolorosa is een innerlijke weg, waartoe de waarachtige discipel van Hermes bereid moet zijn, omdat juist hij het kruis krijgt opgelegd en de bereidheid daartoe alleen al opent de "obscure gevangenissen", waarin zich zijn Verlosser bevindt.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene