Het reinigende vuur

Een Prometheusfiguur gevoelt de behoefte om zijn vlammende vliertak van de Olympus omlaag te voeren tot in het dal, waar onwetenden in duistere onbewustheid handelingen plegen, die hen steeds hechter aan de uitzichtloosheid van een voortdurende op- en neergang ketenen. 

Vuurdragers worden echter lang niet altijd met een verheugd welkomgeroep begroet, daar een binnenkomst van licht in een vervuilde omgeving, ook een vervuilde astrale omgeving, feiten openbaar maakt, die vaak liever worden verzwegen. 

Hetzelfde doet zich voor in de mens, die met een ontluisterende waarheid wordt geconfronteerd. Bindingen met lagere emoties, met instinctieve begeerten en egocentrische doelstellingen, veroorzaken een zodanig dichte astrale mist rond de betrokkenen, dat zij niet meer in staat zijn heilig geestelijke, of lichtend edele gebeurtenissen te onderscheiden. 

Hun zicht naar buiten is dan letterlijk en figuurlijk verduisterd door de hen omgevende onreinheid en levenssituatie waarin zij eventueel verkeren. 

Het bestaan van een legendarische Heilige Berg, een Olympus, een Mont Salvat, een Meru, is voor hen een fantasie geworden, waaraan slechts mystieke dwepers geloven. Het idee een "godenzoon" te zijn. wuiven zij weg met een sarcastisch gebaar van de hand, onderwijl wijzende op zichzelf en hun omgeving, waarin de onreinheid en mensonwaardigheid hoogtij vieren. 

Zij zoeken hun heil in het aardse slijk, hun ruggen gekromd van het bukken naar verborgen aardse schatten, hun blikken gefixeerd op het "beneden", terwijl aan de hemel de zon stralend de geest vertegenwoordigt en drijvende wolken langs hemels blauw fluweel ervan getuigen, dat grijze gedachten kunnen zijn als zij, tijdelijke voorhangsels, die de schoonheid van het lichtend heilige een ogenblik verbergen, doch altijd weer worden verdreven door de wind, die etherische levenszaden meevoert op zijn reis, hoop plantende waar voorheen wanhoop was. 

De wereld is onwetend en moedeloos geworden door de ijzeren heerschappij van egoïstische machten, die van mensen slaven maken, hen het ontwaken-in-weten trachten te beletten, hun begeerte naar bezit stimuleert en hen zo neerdrukt in het naar goud belovende slijk, echter de verzadigd-gouden glans van het heilige goud mist. 

Toen de begeerte naar materieel goud de mens ging regeren, verdween uit zijn hart en zijn ziel de herinnering aan het heilige goud, waaruit wijsheid wordt geboren en waaruit "gouden harten" worden gesmeed. Hij verloor zijn geloof in een "andere Wereld", een wereld van menswaardigheid, spiritualiteit en een oprecht geloof, dat vrij kan groeien zonder door de zweep van religieuze heersers te worden belet. 

Smart is voorwaarde voor zonde-vergeving, zo werd hem geleerd en dus verdroegen de onwetenden de vertrapping, de kansloosheid en de ontkrachting. 

Hij, die zo overtuigd geraakt van zijn eigen minderwaardigheid en zo gebukt gaat onder zijn schuldbesef, vraagt niets, houdt zich ziende blind, rebelleert niet, maar loopt als een blind paard in de gewenning van de tredmolen. Doch overal, temidden van de dom gehouden menigten, bevinden zich Prometheusfiguren, mensen, die hun oerherinnering niet laten doden, mensen, die gedreven worden door een uit zichzelf levende innerlijke Vonk, mensen, die een levende ziel bezitten, waarin "het kwikzilver der alchemisten" leeft, een ongrijpbaar element, uit zichzelf lichtend en brandend, dat hen steeds opnieuw opwekt zich niet te laten uitdoven, niet te laten maken tot robots van een schijnbare welvaart, doch die in werkelijkheid het levensprincipe wurgt en zo louter existerende, vegeterende en imiterende kweekt. 

Er zijn mensen, die méér nodig hebben dan brood en spelen alleen. Lichamelijke oververzadiging leidt tot geestelijke onderverzadiging. Heiligenbeelden kunnen de oorzaak worden van het vergeten van de opdracht voor de mens zelf: zijn heilig of heel worden. Interessante leringen en materiële waarden kunnen hem verstrikken in uiterlijke vormen, waardoor de kwijnende innerlijke vorm onbeacht wordt gelaten. 

De uiterlijke bedekkingen moeten suggereren, dat daaronder een "schat" verborgen is. Leert echter de mensheidshistorie niet, dat wijzen zich nooit tooien met uiterlijke versierselen, maar dat eerder armoede hun deel wordt? 

Wie zal zich laten bedriegen door zulk een vertoon van schijnwaarden? 

Helaas, vrijwel allen, uitgezonderd degenen, die door hun innerlijke Vlam worden geleid. Flonkerende pracht en praal verbergen geen heiligheid. Het is de eenvoud die de wijzen siert. 

Wie durft in een intellectuele tijd als de onze, in een welvaartsmaatschappij, waar iedereen jaagt op hetgeen zijn naaste bezit, zijn voorkeur voor de eenvoud te bekennen? Eenvoud en waarachtigheid zijn twee kinderen uit één nest. Waarachtigheid is een woord, dat de verborgen kracht van het "ware-acht-zijn" uitdrukt, een symboliek die slechts aan de ware wijzen werd geopenbaard, zoals de ouden zeiden. 

Een ware "acht zijn" *) is als een "verloren zoon" zijn, een vergeten kind, een niet "geachte", maar één die tenslotte tot de herkenning van zijn eigen edele afkomst komt. Zulk een waar"acht"ige mens kan een Prometheus worden. Hij, die onbeacht door de groten van de wereld, het licht gaat halen voor zijn naasten. 

In tegenstelling tot het gedrag van de wereldmachten en tot dat van de, door de onwetenden aanbeden "groten", is zijn gedrag totaal niet op de eigen bevrediging gericht; hij zoekt geen slaven, maar medestanders, gelijken, zichzelf niet tellende idealisten, die bereid zijn alles in de waagschaal te stellen terwille van een geestelijke verwerkelijking. 

Alle vormen van idealisme zijn een afspiegeling van deze geestelijk-altruïstische inzet, maar ook dit idealisme en zijn belijders worden in onze maatschappij niet geduld. De basis van wereld en natuur is momenteel: het parasiteren op en het profiteren van de naasten. "Eten of gegeten worden" is de leuze, en deze vindt zijn verdedigers in hen, die zeggen, dat heel de natuur op dit principe is gefundeerd. 

Daarbij wordt de oude overlevering van, "de leeuw en het lam die tezamen spelen en de duif en de slang, die beide even vredig waren in het tijdperk van Saturnus" met een lach teruggewezen naar het land der fabelen, waar slechts mystieke vromen in geloven. 

Waarom wordt het ene "sprookje" wel als waarheid aanvaard en het andere niet? 

Omdat men voor het ene meent bewijzen te bezitten, terwijl voor het andere nog geen bewijzen voorhanden zijn. 

Nog niet ..... misschien morgen wel. 

Waarom moeten we wachten tot morgen, wanneer we geloven willen in hetgeen we van binnenuit zeker weten? 

Wie bepaalt wat we wel en wat we niet geloven moeten? 

Hij, die wenst te geloven wat hij wil en wenst te denken hoe hij wil, betekent een gevaar voor machten, die existeren dank zij de onderworpenheid der massa's, onverschillig of deze onderworpenheid sociaal dan wel religieus wordt bedreven. Een onderworpene, die begint na te denken, wenst veelal zijn ketenen af te werpen; zijn onderscheidingsvermogen breidt zich uit, zijn wensen worden levendiger en als hij gelijken ontmoet stimuleert dit zijn moed. 

Kortom, een zeer bedenkelijk gedrag in de ogen van de massaregisseurs. Aan een geestelijk ontwaken gaat heel dikwijls een sociaal en religieus ontwaken vooraf. Er zijn analogieën te herkennen tussen het sociale, het religieuze en het innerlijk spirituele gedrag van een mens. 

Rebellie is een inzet tot vrijheid, maar geen doel op zichzelf. Ketterij is een inzet tot religieuze vrijheid, maar geen actie tot zelfbehoud. De spiritueel gerijpte mens zal erin slagen, zelfs in barre omstandigheden, zijn innerlijke vrijheid te bewaren. Men kan hem alles aandoen, men kan hem vernederen, pijnigen, maar zijn geestelijke vrijheid kan niemand hem ontnemen. 

Dat is de kracht van de individuele geest, die wordt gevoed door de grote Geest. 

Zij, die louter op zelfbevrediging zijn gericht, ontbreekt het aan deze onbegrensde en lichtende geest. Niemand is gevaarlijker voor de zichzelf bevredigende en op macht beluste overheersers dan hij! 

Het is de grootsheid van de Schepper, dat Hij zijn schepselen een innerlijke vrijheid heeft ingeschapen, een denkkracht, een wens en een wil, die zowel zijn gelijken als Zijn tegenstanders konden worden. 

In vele schepsels werden zij tot tegenstanders van de Schepper, waardoor de "val in de chaos" werd veroorzaakt, een "val", die vele geestelijke zoekers nog heden belast, want waarom wensen zij terug te keren naar een "Land", een "zijnstoestand" die hen eigenlijk, gezien de tijdelijkheid binnen de natuur, onbekend zou moeten zijn? 

Waarom ergeren sommigen zich aan hun eigen "onvolmaaktheid"?  

Waar zoekt de mens naar? Waar zoekt u naar, lezer?! 

Waarom zijn velen zo bang voor individualiteit, voor die zg. arrogante houding tegenover God? 

Waarom geloven velen, dat men zijn Schepper slechts kruipend tegemoet kan treden, bittere tranen wenend om zijn oermisstap? 

Waarom geloven zo weinigen in een vergevensgezindheid van die "liefdevolle" God? 

Wie heeft de mens gesuggereerd, dat deze God slaven zoekt inplaats van zijn "gelijken", gevallen, maar wederkerende godenzonen? 

Hoogmoed tekent de gevallen godenzoon, maar de hoge moed is de gave van de wederkerende godenzoon. De edele moed, die hem rechtop doet staan als de waardige eik, licht om zich heen spreidende. Zulk een godenzoon zal de religieuze molochs overbodig maken, want hij volgt de raadgevingen van zijn ingeschapen vlam. Deze vlam dringt hem de summier betreden weg tot de legendarische Olympus te betreden, waar ijverzuchtige goden Het Licht bewaken. 

Zijn zij in werkelijkheid niet zijn broeders, onwillige godenzonen, begerig naar eigen macht, een wereldmacht? Staat de Prometheusmens in feite niet op tegen zijn gelijken? 

Slaven behoeft hij niet te vrezen! Het zijn de onwillige, arrogante, bezeten godenzonen, die hij vrezen moet, zij die een godenwereld willen stichten in een sfeer waar godenzonen niet thuishoren. Zij zijn het, die verhelderend spirituele leringen gevangen nemen in intellectuele bombarie, in schone frasen, in gecompliceerde manœuvres, opdat de zoekende godenzoon bezig gehouden en misleid en vermoeid zal worden. 

Hierdoor gaat hij vergeten dat de waarheid eenvoudig is. 

De Prometheusmens zal echter glimlachen en zich door die misleidende methoden niet laten strikken, omdat hij wéét hoe eenvoudig de geest arbeidt. Omdat hij wéét wie en wat geest is! Hij heeft geen behoefte om aan de hand van een autoriteit deze geest te onderzoeken. Is een vonk van die geest niet in hem? Waarom zou hij zich laten suggereren, dat hij een "zondaar", een domme of een incapabel mens is? 

Elke Prometheusmens weet, dat "de kleine kracht" zich in een wonderbaarlijke grootsheid omzet, zodra hij de eerste stap op de Olympusweg zet. Wie zou hem willen suggereren dat DE geest Zijn Vonk niet zou leiden? 

"God laat niet varen de Werken Zijner Handen" is een veel geciteerde uitspraak. Zou DE geest dan Zijn geestelijke Vonk voorbijzien? 

Het geloof in deze inwonende vlam verliezen, is het ergste dat een gevallen godenzoon kan overkomen, daar hij hierdoor de verbintenis tussen het Kosmische Vuur en zijn kleine vonk verbreekt. 

Dit geloof zich laten vertegenwoordigen door allerlei religieuze autoriteiten, is de grootste fout die hij kan begaan, een fout, die slechts een verdwaalde, onzekere, door schuldbesef gebukt gaande godenzoon kan begaan. 

Hij, die met zijn innerlijke blik, gedragen door het inwonende licht, het uitzicht op de geestelijke verten kan ophouden, zal gelukkig zijn. Zijn wereld zal geen grenzen kennen, zijn geloof zal ademen door de inspiratie van de hoop en zijn liefde tot de geest zal hem tot dankbaarheid stemmen. Hij zal daardoor nooit prat gaan op zijn eigen kennis, noch vol grootheidswaanzin menen, dat hij de uitverkorene mens is. Integendeel. 

De wonderen aan hem betoond, zullen hem steeds opnieuw manen tot bescheidenheid, omdat hij bemerkt dat "hoe meer hij weet" des te duidelijker het wordt, dat hij niets weet. 

Daarom zal elke Prometheusmens beginnen met zijn emoties en denken te reinigen van elke gesuggereerde invloed. Hij moet zijn eigenwaarde weer herstellen en zich losmaken van de idee "dat hij een stumper, een minderwaardige, een zeer ikzuchtig creatuur" zou zijn. Juist dit voortdurend met zijn eigen onwaardigheid bezig zijn, maakt hem tot een ikzuchtige, maar ook tot een afhankelijke van zijn overheersers. Iemand, die zichzelf minderwaardig acht, wordt de moed tot het Vuur-halen ontnomen. 

Hetgeen precies de bedoeling is van de onverlaten, die hem willen gebruiken als geestelijke melkkoe. Maar nu staat er voor deze machtsmisbruikers een wederkerende godenzoon, een Prometheus! 

Hij heeft de werkelijkheid van het inwonende vuur aan zichzelf bewezen gezien en hij roept alle kracht van dit vuur op, om daarmede zichzelf te reinigen van al die suggestieve bemoeienissen, die hem van binnenuit willen ontkrachten, louter uit ijverzuchtige vrees. 

Hij moet nu, via die toch al sterke inwonende vlam, een cordon van rein Licht om zich heen bouwen, opdat geen enkele ontkrachtende suggestie daar doorheen kan breken. 

Opnieuw zal hij vertrouwen op de inwonende "kleine kracht", de Davids' kracht, een kracht die Goliath kan vernietigen. Het Reinigende Vuur is als een warme gloed, die van binnenuit opklimt en eigenlijk alles verbrandt, waaraan men voorheen waarde hechtte. 

De schijnzekerheden vallen weg, het schijnhouvast valt weg, de hulp van buitenaf lijkt weg te vallen, kortom, dit reinigen is als een vuilverbranding, waarin slechts de as overblijft om daarmede een nieuw leven te gaan voeden. 

Zulk een reiniging zal van tijd tot tijd in een mensenleven plaatsvinden. Sommigen komen er doorheen, anderen niet. Een Prometheus moet zelfstandig denken en handelen. 

Zijn eigen verantwoording nemen. Zijn eigen consequenties aanvaarden. 

Hij kan zich niet verschuilen achter iets of iemand. De mens in deze zesde fase beseft dat maar al te goed. Hij verbrandt het ene en herstelt het Andere.

Hij gooit oude schoenen weg, omdat hij wéét op nieuwe te kunnen wandelen, hoewel hij deze nog niet aan zijn voeten heeft. Dat is nu het werken met abstract weten. 

Het volgen van een ingeschapen ideaal. 

Dit is de kracht van een innerlijke zekerheid, die men echter niet aan derden kan overdragen, omdat ieder deze zekerheid in zichzelf moet optrekken. 

Als dit Reinigende Vuur zijn werk heeft gedaan, zal deze Prometheus duidelijk zijn opdracht zien, en als 't ware de Godenberg kunnen herkennen via zijn bezielende verbeelding. Het Reinigende Vuur ruimt de laatste beletselen in een mens op; het laat hem breken met een hinderend verleden, met door ingrijpende gebeurtenissen verziekte gedachten. 

Het reinigt zo totaal, dat men meent een volkomen nieuw leven te beginnen. Hetgeen ook de opzet is van het Reinigende Vuur. Slechts degenen, die geen afstand kunnen doen van geliefde denkwijzen, van vermeende steunpilaren, of van uiterlijke onderscheidingen, zullen pijn gevoelen bij deze reiniging. 

Doch deze Prometheusmens gevoelt eerder opluchting. 

Wat is schoner dan een nieuw begin als het het Goede Begin is? 

Dat dit het Goede Begin wordt weet hij zeker. 

Het is in hem als een lichtende kracht, een bron van eeuwig voortvloeiende Kennis, een schouwen achter de dingen en een begrip en vergevingsgezindheid tegenover zijn naasten. Onverzettelijkheid gevoelt hij slechts tegenover zijn onwillige gelijken, zij die willens en wetens de onwetenden misbruiken en de zwakken misleiden.  

Dit Reinigende Vuur heeft een enorme uitwerking: het toont de misleidingen. Het scheidt het onheilige van het heilige, maar vooral het kwaadaardige van het goddelijke. Het maakt deze mens slechts voor een kort moment eenzaam, het moment waarin de laatste vermeende zekerheid of schijn wegvalt en in hem en om hem alles zijn bedekking verliest. 

Reiniging maakt geestelijk naakt. 

Is het wellicht daarom, dat de mens eeuwenlang zijn naaktheid niet heeft willen zien? Ja, op gezag van sommige religies, niet heeft mógen zien? 

Met de profanering van het heilige gooien we heden al onze bedekkingen van ons af, geestelijk en lichamelijk. Door gebrek aan onderscheiding kennen we de grens niet tussen het profane en het heilige, tussen het onbeschaamde en het bescheidene. 

Het heilige laat zich niet provoceren, al menen vooral arrogante, gevallen godenzonen, van wel. 

De, in het reinigingsproces staande Prometheus, herkent zijn gevangenis tot in de fijnste details en daarom zal hij de reiniging rustig voortgang laten vinden, ziende hoe muur na muur wordt afgebroken, bemerkende ook, hoe geliefde beelden stuk voor stuk worden ontmaskerd. 

Hij zal hoogstens denken: Ook dàt, mijn God? 

Er zal een lichte weemoed door hem heengaan, als hij bemerkt hoe weinig er zal overblijven en hij zal van tijd tot tijd door een vleug van twijfel worden overvallen, menende dat ook die kleine, maar sterke en lichtende zekerheid, die hem bezielt, door dit Vuur zal worden aangetast. 

Hij zal door gebed of meditatie, door concentratie of eenvoudig door een positief, op de geest gericht denken, deze kleine vlam-in-hem beschermen, koesteren en bemoedigen. 

Reinigen betekent strijd tussen het reine en het onreine. 

Tot aan het moment waarop men de Innerlijke Strijder voor zich laat strijden en het reine zich eenvoudig terugtrekt in zijn eigen licht, waardoor het onreine kan wegvallen, zonder dat de innerlijk reine vlam zal worden beroerd. 

Hij, die zijn boeien afwerpt, roept strijd op. Zij. die iets behouden willen, verzetten zich tegen degene, die de onthechting predikt. Zij, die uit schijnlicht een wereld willen opbouwen, protesteren tegen de ontmaskering door het Licht. Iemand, die de goden het, door hen misbruikte, vuur wil ontstelen, kan rekenen op een tegenaanval. Er zijn talloze demonen, die het demonische koesteren en niet meer willen terugkeren naar deus, hoewel deze hun oorsprong is. Zij zijn de gevaarlijkste tegenstanders, omdat zij werken met intelligentie. 

Hun goddelijke vuur is een demonisch vuur geworden. 

Hun deus is demon geworden. Doch ook zij zullen eenmaal terugkeren, maar, "als door vuur heen". 

Niemand ontkomt aan die ingrijpende, omzettende verandering. Een verandering, die werkelijk ondergaan wordt, alsof men door vuur heen gaat. Een Prometheus, die zelf het Reinigende Vuur heeft doorleefd, zal dit aspect ook toevoegen aan zijn brandende vliertak. Hij zal altijd strijden voor het gerechte, het eenvoudige en waarachtige en kijkt dwars door opsmuk en schijnheiligheid heen. 

Hoevelen zullen zijn oprechtheid en waarheidsliefde waarderen? 

Hoevelen zullen ermede accoord gaan, dat hun maskerade wordt herkend? 

Niettemin kan het Reinigende Vuur de zegen van de herkenning medebrengen, vooral bij hen, die door de fakkel van deze Prometheus plotseling de waarheid zien, hun situatie, hun slavernij, hun miserabele toestand, die hen niet waardig is. 

Zulk een ontwaken van eenlingen stemt tot vreugde. 

Dan telt de tegenstand niet meer, noch het lijdzame verzet. 

Dan telt nog slechts die ene, die door de reinigende uitstraling van de fakkel zijn ketenen begint af te werpen. Deze eenling heeft veel meer waarde dan de horden die krachteloos, individu-loos, de instructies van de machtigen volgen. 

Hun blikken zijn levenloos geworden, hun denken onmachtig, hun emoties aan banden gelegd en hun lichamen vechten vruchteloos tegen de aandoeningen, die hun gevangen geest hen aandoet. 

Een gereinigde Prometheus kent geen angst om zichzelf. 

Wat kan hij nog verliezen? 

Angst is het deel der schapen en der slaven. 

De weg tot aan de top van de Heilige Berg vraagt onbevreesdheid, de weg-omlaag eveneens. Zal er geen tegenzin zijn om opnieuw onder te gaan in dit dal der kermenden? Zal er geen heimwee zijn naar het Licht, zal er geen angst zijn dat de fakkel zal doven? Ja en nee. 

Elke hieraan gewijde gedachte wordt direct weggenomen. Dat is de zegen van het Prometheus-zijn. Zijn zorg is zijn fakkel. 

En zijn fakkel is hijzelf. 

Zijn fakkellicht moet rein blijven, helder lichtend, warmte verspreidend. Heel zijn leven, zijn hoop en zijn vreugde liggen verborgen in zijn opdracht: de fakkel lichtend houden. 

Daar hij weet, dat deze fakkel ontstoken is aan het Kosmische Vuur, beseft hij dat Schepper en kosmos over dit licht waken. 

Is er een grotere zekerheid mogelijk? 

Wat men zijn ego ook verwijt, het is onkwetsbaar geworden als het zich heeft verborgen in het Licht der Lichten. 

Is het daarvan niet een dienaar geworden, zoals de tijdelijke natuur een dienares is van de Oernatuur? Een dienaar telt zichzelf niet, noch de spot, die hem treft, maar hij gevoelt zich gekwetst zodra zijn Heer wordt beledigd. 

Prometheus' Heer is het Al. 

Het is Het levende, dat zich in de schepping en de schepselen bevindt; het is Het geestelijk levende, dat zich in zijn naaste bevindt. 

Voor dit Levende zal hij strijden, via het Levende in zichzelf. Reiniging brengt afscheid mede. Reiniging brengt dikwijls een breuk met het vertrouwde mede. 

Wat is het vertrouwde? Brengt het vertrouwde je tot de Schepper, mijn vriend? 

Indien niet, laat het dan weggenomen worden door het Reinigende Vuur en zie niet om, want het gaat heen vanwaar het is gekomen, uit de schaduwwereld, waar het oplost in de grote mist. 

Maar jij, jij bent Licht! 

Een Prometheus! Een godenzoon, die wenst terug te keren. Daarom ben je bereid je àlles te laten ontnemen, dat je op die weg zal tegenhouden. 

Niet jij bent de reiniger, maar het Licht reinigt. Niet jij beoordeelt hetgeen je belet, maar het Licht beoordeelt dat. Láát de grote Reiniger zijn gang gaan. En wees stil, heel stil. 

Waak over je fakkel, koester je vlam. Fluister in de eenzaamheid met deze innerlijke Vlam in de taal der goden en beluister hoe de ether de klanken komt halen, om ze verder te dragen langs de onbegrensde hemel, waaraan het licht nooit ondergaat. 

Reinigen is nieuw worden. Reinigen is als het schouwen van de gebroken grijsaard naar de baby, en beseft dat dit eens een mens zal worden. Zo zal ook jij zien naar die kleine Vlam en wéten, dat deze eens het grote Vuur zal worden, de kosmos verlichtend, de kosmos doorreizend, kloppend aan de deur van alle zielen, die eenmaal medereisgenoten waren, maar nu de herinnering aan hun vleugels hebben verloren. Laat het Reinigende Vuur het onreine uit je wegbranden, Prometheus en houd je onbeweeglijk. 

Ook de pijn van het verleden zal vergeten zijn als je gereinigd bent. 

Zie ver vooruit, Prometheus, laat je bijlichten door je fakkel, en verlicht degenen, die menen dat slechts duisternis hen omringt. 


*) Zie: Ursprung und Weisheit der Zahlen, Uitg. Ercee-Verlag, Haarlem.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene