Het denkbeeldige vuur

De elfde aanraking is het Denkbeeldige Vuur. 

Het paradijs, dat zich tussen het wezenlijke en het onwezenlijke bevindt, wordt opgetrokken tot in de oorspronkelijke levenssfeer Gods, waaruit het eenmaal is nedergedaald. 

Zich voegen doet men met het hart. 

Het hart gaat dienen en nu zal het denken zich daarbij aansluiten, een innerlijke bewogenheid, die veelal snel kan worden volvoerd indien het hart accoord is gegaan met het dienen, het zich-voegen naar het Licht. 

In het denken woont demon of deus. 

Als deus zich opnieuw in het denken vestigt, heeft deze een in- èn uitgang gevonden aan de voet van de levensboom in het paradijs. 

Dit is een symbolische taal, maar tevens de werkelijkheid. Indien deus zich opnieuw in het denken bevindt, verbreidt zich daarin de aloude heerlijkheid, waaruit een stroom van geestelijke energie van onderen naar boven en vice versa het gehele organisme doortrekt. Edele gedachten en geestelijke inspiraties vervullen Prometheus. Hij leeft in de heerlijkheid Gods. 

Anders gezegd: hij heeft in zich en om zich een goddelijk-geestelijke levenssfeer geschapen, waaruit hij doorlopend put. De Troon Gods, zoals de Kabbala deze beschrijft, vormt zich uit denkbeeldige trillingen in het geheiligde denken en zo "ziet" hij die Troon Gods niet alleen buiten, maar ook in zichzelf. Omgeven door Licht en schouwende de Troon des Lichts, zou, bij een onwaardige pelgrim, een soort geëxalteerde mystificatie kunnen ontstaan, waarin hij meent zelf God te zijn. Merkwaardigerwijze komt zoiets nogal eens voor bij mensen, die tijdens een epileptische aanval zichzelf inbeelden dat zij "geroepen", dan wel een "Zoon Gods" zijn. 

Niet voor niets wordt epilepsie de "heilige ziekte" genoemd. 

Er zijn diverse zg. heiligen en geroepenen, die tijdens een epileptische aanval tot hun waan kwamen. Dezulken worden gevaarlijk voor hun naasten, omdat hun waan hen van alle realiteitszin ontdoet en zij bovendien een taal gaan spreken, die geïnspireerd wordt door een lichte vorm van schizofrenie. 

Wie zal controleren wat zijn naaste hoort of ziet? 

Wie zal beoordelen wie geroepen wordt en wie niet? 

Wie is uitverkoren? 

In werkelijkheid worden we allen geroepen tot een innerlijke, geestelijke opdracht, tot het terugkeren naar het Vaderhuis als de godenzoon die we waren. 

Maar de beste beoordeling ligt toch wel in de conclusie of leer èn praktijk samengaan, waarbij echter tolerantie in acht moet worden genomen met betrekking tot het welgemeende trachten om te worden zoals men ideëel beoogt. 

Zolang iemand streeft, moet hem een kans worden gegeven. Daar waar hij noch streeft, noch op enigerlei andere wijze tracht zijn leven en zichzelf te ver-edelen in de beste betekenis van het woord, zullen alle schoonklinkende woorden klanken zijn uit holle vaten. Dan wordt er een komedie opgevoerd, die nauwelijks van de realiteit is te onderscheiden en waarin hijzelf en de toeschouwers overtuigd geloven. 

Zulke imitatoren zijn onbereikbaar voor raad en leringen en als zij niet door keiharde omstandigheden tot de realiteit kunnen worden teruggebracht, lijkt niets hen in dit leven meer te kunnen helpen. 

Dit is geen harde, meedogenloos schijnende wet, maar een gevolg van een zelfbedrog, dat coûte que coûte wordt volgehouden. 

Deze, eertijds wellicht serieuze pelgrim, maakt een blijvende levenswerkelijkheid van de oorzaak die tot de zondeval leidde en zoals die in het Gnostieke Evangelie van de Pistis Sophia wordt beschreven. 

De Sophia geloofde in een vals licht, maar ontdekte weldra dat zij zich had vergist, waarna zij zich intensief gaat inspannen om haar fout te herstellen. De imitatie-Prometheus wenst zijn vergissing niet te belijden en houdt halsstarrig vol, dat het licht, waarin hij gelooft, het ware Licht zou zijn. 

Zo omgeeft hij zich met een schijnlicht, een schijnheiligheid en een schijnspiritualiteit. Het zal moeilijk zijn om door deze vermomming heen te breken en tot de kern van de realiteit te geraken, waar de echte mens zich verbergt. 

Deze mens blijkt dan volkomen tegengesteld te zijn aan degene, die hij naar buitenuit toont. Zijn gedachten en woorden getuigen van een denkbeeldige wereld, waarin hij wenst te geloven, doch die hij noch kan, noch wil uitdragen. 

Een schijnheilig mens leidt aan een verborgen zelfoverschatting en een geraffineerde vorm van hoogmoed. Hij is degene, die zegt "geroepen" te zijn, zonder dat hij in werkelijkheid enig idee heeft van de betekenis daarvan. Hij getuigt niet van het Licht, maar hij getuigt van zijn denkbeelden omtrent een licht. 

Iemand die de realiteit van het geestelijke Licht kent, doorziet hem dadelijk. En dat is pijnlijk voor beiden. 

Door het Oordelende en het zich Voegende Vuur te negeren, viel hij in de afgrond van het Denkbeeldige Vuur. Hierdoor week het grote lichtende en verwarmende Kosmische Vuur terug. Waar licht en warmte afwezig zijn, blijven nog slechts holle klanken en schone theorieën, waarin geen hart is. 

Hij zal dit echter niet bemerken, omdat hij denkbeeldigheid en realiteit niet meer onderscheidt. 

Om hem is waarlijk een licht, een bleekgrijze, isolerende wolk, waarin de kleurnuancen van de verwerkelijking ontbreken. Zijn tijd brengt hij door met zichzelf te verheerlijken, zelfs al zou hij zg. bescheiden woorden spreken, de trilling achter zijn woorden bevestigt het tegendeel. 

Hij meent werkelijk, dat hij volmaakt, dan wel heilig is en ziet enigszins neer op al die aardwormen, die hem om zijn zg. heiligheid adoreren, omdat hij in zijn hart weet dat hij hen bedriegt, zoals hij zichzelf bedriegt en hen daarom eigenlijk minacht. 

Een Prometheusmens blijft echter de dienaar, ook al schouwt hij het Licht rond Gods Troon. Hij houdt te allen tijde de poort naar de etherische wereld geopend, zodat hij nimmer zichzelf insluit, waardoor de binding met het universele geestelijke Licht verbroken zou worden. 

Dc ouden zeiden, dat deze elfde beproeving, zo hij doorstaan zou worden, omgeven was met een grote luister. Inderdaad. 

Hij, die deze elfde fase als winnaar verlaat, zal "het Gelaat Gods zien". 

Ook op de heenweg tot de Olympus was daar al sprake van: op een gegeven moment komt Prometheus zo dichtbij het Licht der Lichten dat hij daarin het Gelaat Gods kan ontwaren. Nu ziet hij echter datzelfde Gelaat van uit het dal der schaduwen, waarin hij ronddwaalt met zijn brandende vliertak op zoek naar verdoolden. 

Deze Prometheus is gereed om zelf een bouwmeester te worden, een aandrager van het Vuur, dat de motor des levens in beweging houdt. Hij is de ootmoedige dienaar en tegelijkertijd de hoge, moedige medebouwmeester van het Al, die zijn "kleine kracht" volkomen in dienst stelt van het ene waarlijke doel van de schepping: Lichtzonen terugbrengen tot hun lichtende Vader. Voor hem is er geen bazuingeschal of bewondering. 

Voor hem is er slechts het nooit aflatende geluid van de vele stemmen, die om hulp roepen en het geweeklaag van harten en zielen, die dreigen onder te gaan in geestelijke armoede. 

Zijn vrede ligt in het gewonde hart, dat wordt geheeld. 

Zijn triomf is de omzetting van demon in deus. 

Zijn heerlijkheid bevindt zich in de geest zelf. Hij ziet waarlijk het Licht der Lichten op de Heilige Berg, die voor velen een legende is geworden en hij hoort waarlijk de stem van zijn Vader die zegt: "Ziet, hij is mijn uitverkoren zoon in wien Ik welbehagen heb!" 

Dat betekent immers niets anders dan: Hij is degene die de terugweg-tot-Mij tot het einde toe bewandelen kon en hij is degene, die Ik vertrouw tot aan zijn laatste uur en in wiens handen Ik de verborgen boodschap aan al de Mijnen leggen kan. 

Hij is in vrijheid aan Mij gebonden door middel van de liefde van zijn ziel en daarom kan hij zelfstandig, met alIe risico's daarmede verbonden, het Licht halen, dat de Mijnen verlichten zal. 

Op hem zal de uitstorting van Mijn Geest rusten. 

Van nu aan tot aan het einde zijner dagen zal hij van Mijn Licht mogen getuigen, omdat zijn tehuis Sancta Spiritus op mijn Rots der zekerheid is gebouwd. Op deze wijze de Vader des Lichts weder te vinden is een onbeschrijflijke ervaring voor iedere Prometheus. 

Moge dit ook voor jou werkelijkheid worden, metgezel!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene