Het brandende vuur

Zo staat Prometheus in de weldadige aanraking van het Harmoniserende Vuur en ziet hij uit over het innerlijke Meer der Heerlijkheid. 

Doch ook deze aanraking gaat voorbij en zijn inwijding dringt hem om niet stil te staan bij deze ervaring, maar te onderzoeken hoe hij die Diepe Vrede kan doorgeven. 

Dan ontmoet hij het Brandende Vuur. 

Het is niet de bedoeling van een innerlijke ontwikkeling, dat de mens zich blijvend dompelt in een vredes- of gelukservaring, maar temidden van deze rust en stilte komt in hem de behoefte om zijn Pad verder te exploreren. 

Het ogenblik van geestelijke balseming is voorbijgegaan in de seconde, waarin hij denkt: "Nu moet ik tot mijn Schepper gaan en zeggen: Vader, ik heb gezondigd!" 

Terugblikkende beseft hij duidelijk, hoe hij "buiten het Licht" heeft gestaan en, zich krachtig gevoelende, heeft hij de moed om de werkelijkheid van zijn situatie binnen de Chaos te overzien en kan hij, van onderenop, zijn energie omhoogbrengen tot daar waar deze de hemelse energie ontmoet, zo zijn "slangendans" uitvoerende bij de muziek van zijn ziel. Een "slangendans" uitvoeren is de Dans van Shiva dansen, de gereinigde energie vanuit het ruggenmerg omhoogbrengen en samenbundelen met de geestelijke energie, die het bovenste gedeelte van het ruggenmerg vult en met deze energie een kroon vormen rond het hoofd. 

Dit is wat men ook wel noemt: optrekken van het slangenvuur. Niettemin is het iets geheel anders dan de diverse yoga-oefeningen willen doen geloven, daar een geforceerde samenvoeging van natuurlijke en geestelijke energie leidt tot een kortsluiting tussen natuur en geest, waardoor de mens uiteenvalt "in het midden van de 8", in dat kruispunt dat beide nullen met elkander verbindt, zodat hij zichzelf niet meer begrijpt, dan wel wartaal gaat spreken, omdat het boven en het beneden van elkander zijn gescheiden. 

Een Prometheusmens in de achtste fase van de aanrakingen van het Kosmische Vuur is echter gereed om het beneden en het boven te verbinden; hij is rijp om de smalle doorgang tussen dat boven en beneden te passeren. 

Occulte methoden trachten de mens van buitenaf tot een forceren van deze smalle doorgang te brengen, zonder dat hij het wachtwoord kent. 

De Dans van Shiva betekent een sterven en een geboren worden.  De dans-activiteit bewerkt dit proces. 

Het is een serie van handelingen, die vooral voortkomen uit de innerlijke reiniging, de Diepe Vrede en de rechtschapenheid van deze inwijdingskandidaat. 

Het is een etherische vuurdans. 

Het is een levensnoodzaak, die de Shiva-danser met de rug tegen een muur plaatst en hij beseft dit ten volle. Het is een eenzame levensdans. 

Het is vreesloos de dood in de ogen zien en binding maken met een eeuwig leven. Het betekent alles opgeven en met een schijnbaar niets opnieuw beginnen. 

De dans begint in de Voorhof, in het bekken, daar waar de natuurlijke energie zich samenbalt. Elke begeerte moet uit die Voorhof verdwijnen en plaats maken voor een evenwichtige, stil levende warmte. Het is alsof de wortels van een lotus zich dieper wortelen in een vruchtbare, zwarte aarde, vol van geheimenis, zwaar van zon- en maanlicht, devoot het komende Leven koesterende. 

Twee levensbeginselen strijden in deze aarde om de voorrang: het geestelijke en het natuurlijke leven. Pas wanneer het in de Voorhof vredig is kan het voorhangsel van de Middentempel opgetrokken worden, eerder niet. 

Prometheus moet opnieuw een schepper worden, inplaats van een voortbrenger zijn. Hij moet begrijpen hoe hij zelf kan scheppen uit niets, hoe hij alle mogelijkheden van de drie Tempels kan aanwenden om een Creator te zijn, die over het Levensbeginsel beschikt. 

Na deze Shiva-dans zal hij niet meer kunnen leven naar de wet van de tijdelijke natuur, maar zal hij uitsluitend leven via de impulsen van de Oernatuur, die zijn tijdelijke natuur liefdevol omvat houdt. 

Uit die instinctieve natuur is alle begeerte verdwenen. 

Zelfs het "heil" begeren heeft zijn intensieve drang verloren en bestaat alleen nog uit heil, helen. 

Het zijn slechts de waardige kandidaten, die hier kunnen doorzetten. De keuze, die reeds lang geleden lijkt te zijn beslist, spitst zich hier toe in het leven zelf. Zijn "leven geven" wordt een reëel begrip. 

Elk natuurlijk schepsel begeert te leven. Zijn levensstrijd en zijn doodsangst bewijzen het. Zijn wens om zichzelf te omringen met allerlei aspecten van een comfortabele, tijdelijke existentie bewijst het. 

Als een onrijpe Prometheusmens de realiteit van de achtste fase herkent, wendt hij zich van de vuur-inwijdingen af en wil terugkeren tot een louter natuurlijke existentie, en het liefste al zijn verzamelde kennis bedekken door een teug vergetelheid. Helaas, iemand die de zevende fase heeft doorgemaakt kan niet meer vergeten. Zijn herinnering en vooral, zijn gelukservaring, kwellen hem. 

De achtste fase is ook de beproeving van een Judas, die zich omgekeerd verhangt, nadat hij ten volle had beseft hoezeer hij doende was om compromissen te sluiten, hoezeer hij demon wilde versieren om te suggereren dat hij een deus was. 

De triomf van de zevende fase brengt de consequentie mede, dat de achtste fase wordt gepasseerd ofwel dat de vuurfasen worden tot een foltering, een innerlijke pijniging, waaraan niet valt te ontsnappen, ook niet door allerlei methoden en misleidingen van het onwillige ego. 

Dit achtste Vuur maakt van de kandidaat of een wijze Prometheus, een Heerser over hemel en aarde, dan wel een twee-Herendienaar die zichzelf belachelijk maakt en waarmede men eigenlijk medelijden moet hebben, omdat hij probeert God en zichzelf bewust te bedriegen. 

Zulke mensen treft men dikwijls in het intellectuele occultisme, de kennis die van buitenaf komt, de opgelegde methoden, de op vernietiging en zelfverheerlijking gerichte magie, de dwingende yogamethoden, die de mens verleiden om waarlijk met vuur te spelen, een spel dat hij niet beheerst. 

De falende Prometheusmensen uit de achtste fase zijn te herkennen aan hun sterke en hoogmoedige persoonlijkheid, aan hun zelfgenoegzaamheid en hun vaste overtuiging van de eigen onfeilbaarheid. Dit alles dient om hun intuïtie en geweten tot zwijgen te brengen. 

Ootmoed, bescheidenheid en nederigheid zijn hen onbekend. Zij kunnen niet zeggen in de diepe betekenis van het woord: "Vader, ik heb gezondigd!" 

Hun hoogmoedige rechtop staan is als dat van een onwillige Godenzoon, een Eén, een stam die van binnen het rottingsproces volgt, en daardoor niet de capaciteiten en materialen bezit om weerstand te bieden tegen storm en bliksem. Hij wordt geveld, doch bemerkt het niet en blijft zich gedragen als een opgerichte, trotse schepping. 

Zulk een Prometheus verbeeldt zich, dat een sterk bekken, een actieve Voorhof, voldoende is om de zang van heiligheid en onthechting te zingen. Maar zulk een Voorhof werd ontheiligd door hetgeen deze achtste fase geforceerd is binnengegaan. 

In dat bekken leven instincten, die niet bereid zijn te wijken voor intuïtie, noch te erkennen dat zij behoren tot de tijdelijke natuur en dus de deemoed van deze tijdelijke natuur behoren te tonen. Instinkt is een natuurlijke gave, niets om mede te pronken. 

Het is de gave van het dier, maar tevens een vanzelfsprekend bezit van de natuurlijke mens. In een gereinigd bekken woont opnieuw het natuurlijke instinkt, maar het drukt zich wel uit onder leiding van de intuïtie. 

Een waardige Prometheus kiest hier vanzelfsprekend voor de geestelijke inwijding, die via het "geven van zijn leven" gaat. 

Nu komen hem de ervaringen uit de vorige beproevingen van pas, want onderkent het hart niet haarscherp hetgeen geestelijk en natuurlijk is? 

Weet het hart niet onfeilbaar hoe de deemoedige natuur te verbinden is met de goddelijke natuur? Het hart ligt in de Middentempel. 

De thymus ligt daar eveneens, achter het sternum. De thymus helpt mede natuurlijke energie te veranderen in geestelijke energie. Bij geestelijk handelende mensen is de thymus zeer actief, verandert hun bloed, voegt hogere lichttrillingen toe, maakt het organisme geestelijk sterk en stimuleert het geestelijke weerstandsvermogen, waardoor het geestelijk individuum groeit. 

Het hart luistert naar de ziel en arbeidt met het veranderde bloed, waarin de thymus mede de lichttrillingen brengt. Vanuit het hart gaan de "telexberichten" naar de hersenen; een hartdenken komt opnieuw tot leven en spoort vooral de rechterhersenhelft aan tot irrationele activiteit. 

Dan gaat deze Prometheusmens leven met hernieuwde beeltenissen, die hij waarneemt via zijn rechterhersenhelft en de pinealis. Die hervonden ziele-beeltenissen boeien hem voortdurend. 

Zij rukken hem los van de uiterlijke beeltenissen, van de begeertevormen en van nutteloze denkbeelden. 

Het Harmoniserende Vuur heelde het hart en bracht het in een goede conditie om de kandidaten door het Brandende Vuur te helpen. 

Het hart brandt zijn liefde voor ziel en geest in hem. Zijn hart is als een doorlopend bezielend vuur en wordt bij de wijze Prometheus als een "gouden" hart. 

Een "gouden hart" verzoet alles. 

Zonder dit "gouden" hart komt men niet door de achtste fase. Een "gouden" hart is dienstbaar aan de naasten en de ziel, aan de Schepper en de edele natuur. Het leent zich niet tot vernietiging. 

Onverschillig van wat of wie. 

Het "gouden" hart helpt Prometheus door de hitte van de felle strijd tussen de beide levensbeginselen, die hem zou kunnen beschadigen, heen. Onderleiding van dit "gouden" hart, waarin de intuïtie en het geweten waken onder instigatie van de ziel, laat Prometheus de hevigheid van dit Brandende Vuur over zich komen en het zijn Voorhof heiligen. 

Als alles goed gaat, zal hij kunnen getuigen van een levensomzetting en zal hij mede-Prometheusen kunnen helpen door het Behoudende Vuur van zijn "gouden" hart. 

Behouden worden als dóór vuur heen, dat is de opdracht waaraan Prometheus gehoor geeft. Hij zal kunnen aantonen dat het ene vuur, het instinctieve vuur der begeerten en der driften niet licht, maar schaadt of vernietigt. 

Het Brandende Vuur brengt het licht van de hemel mede, een hemelvuur waardoor zijn fakkel lichtend blijft. 

Wie kan beter getuigen van de Dans des Hemels waarin de aarde tot as wordt, vruchtbare as, dan hij die deze dans heeft gedanst? 

"Ik ben niet degene, die deze Dans danst", zegt Prometheus, "maar Gij in mij." 

De tijd van compromissen is afgelopen. Het is nu het ene inruilen tegen het andere. Een Prometheus is ook een begeleider voor de lichtzoekers. Zelf het Brandende Vuur doorstaan hebbende, zal hij immuun blijken voor alle beproevingen en zo met zijn naasten hun Vuurfasen kunnen binnengaan zonder dat dit hem beroert. 

Hij zal degenen herkennen die op dit moment suprême, in dit zo belangrijke ogenblik, de verleiding niet kunnen weerstaan om een verraad te plegen, alvorens zich, na veel heviger beroeringen, berouwvol omgekeerd verhangen. 

Het lijkt zo schoon iemand te zijn, hoewel men weet dat men niemand is. Het is zo verleidelijk zich te tooien met waardetekenen, hoewel men weet dat al deze tekenen door het Brandende Vuur zouden vergaan tot as. 

Dus moet dit Brandende Vuur worden vermeden, wellicht kan het worden geïmiteerd, met behoud van de onderscheidingen op het uiterlijke kleed. In de beproeving van dit Brandende Vuur moet Prometheus werkelijk de Broederhand des Lichts bezitten, anders kan hij deze zware beproeving niet doorstaan. 

Gelukkig hij, die hier weet wat overgave betekent. Het overgeven van zijn leven in geestelijke Broederhanden is de enige mogelijkheid om met behoud van hart en ziel aan de "overzijde" te komen. 

Als begeleider kan Prometheus zijn kameraden dienen door zijn vooruitziende blik, zijn rust, zijn waardigheid. De daad zelf ligt op de schouders van elke pelgrim. 

Het komt erop aan hoe men de vorige fasen heeft doorleefd. Imitatie zal altijd leiden tot falen en vooral een pijnlijk falen, want de waarachtigen herkennen de schijnheiligen. De schijn van heiligheid en waarachtigheid op zich laden gaat vergezeld van liefde voor uiterlijke ceremoniën, onderscheidingen en imponerende gewoonten. Een ieder neme nu zijn eigen verantwoordelijkheid in handen. 

In dit Brandende Vuur voltrekt zich een scheiding of een vereniging en beide zijn definitief. 

Zij, die er niet in zijn geslaagd hun Voorhof te reinigen, worden door de Wachter-op-de-drempel weerhouden de Middentempel of het heilige te betreden. 

Daarom imiteren zij heiligheid in hun Voorhof. Alles wat zij doen komt vanuit een onheilige natuurdrift, die zich hult in spirituele theorieën, die echter zijn vernietigende kracht niet kunnen verhullen. 

Vernietiging zonder wedergeboorte is antigeestelijk zowel als tegennatuurlijk. Pelgrim èn begeleider op de weg tot de Olympus zijn is zwaar, zeker als men een Prometheus is, die vooruit ziet, die herkent wie geoordeeld en wie toegelaten zal worden. 

Een Judas herkennen en hem toch zijn doel laten uitvoeren, vraagt inzicht en geduld, maar dit moet geschieden, opdat ook hij lere. 

Wie ziet gaarne degenen, die lang aan zijn zijde gingen, degenen met wie hij levenservaringen en geestelijke beproevingen deelde, de geestelijke vernietiging dan wel de imitatie-spiritualiteit binnengaan? 

Geestelijke vernietiging is als het verteren van een jong, teer plantje, dat moedig zijn kopje boven de grond steekt, wetende dat de lentezon het liefdevol zal bijstaan in zijn groei, maar als het te voorschijn komt, blijkt het een hete zomerzon te zijn, genadeloos brandende, zijn jonge blaadjes verschroeiende. Omwille van de naasten ontstak Prometheus zijn fakkel, omwille van hen wordt hij aan de rots geketend en aan die rots hangende, zijn lever (leven) wegvloeiende door de aanval van de door de goden gezonden adelaar, ziet hij hoe zijn Licht wordt misbruikt, hoe erom wordt gevochten en hoe slechts enkelen hem groeten en een vonk van zijn fakkel voor heilige doelstellingen bewaren. 

Zij, die weten en niet luisteren, zij ketenen de Prometheusmensen aan de rots, zij pikken zijn lever weg, maar zijn lichtbroeders voeren het "leven" weer toe, opdat de tijden vol zullen worden en zullen begrijpen dat de eeuwigheid hen tenslotte toch zal opnemen. 

Het zijn de wakenden, die geen acht slaan op de roep. 

Zij, die slapen zullen rustig verder hun dromen dromen. Maar zij die waken en weten, zij die de Hemelboog zien en zij die het Aurora verwachten en uit egocentrisch zelfbehoud terugslaan zolang zij nog kunnen, zij zijn de demonen. 

Goden, die demonen werden. 

Zij hebben godennamen en demonische kwaliteiten. 

Zij zijn discipelen, adepten en toebereiden. Zij zijn degenen die de achtvoudige Zaligspreking beluisteren en geen acht (!) slaan op zijn waarheid. Zij zitten rond het Vuur, warmen zich, trachten zich erdoor te verlichten, maar wensen niet het Vuur te worden, noch zelfs een vonk van dat Vuur. 

Zij verschuilen zich in de schaduw en zeggen, als de haan driemaal kraait ten teken dat het moment van de beslissende keuze is gekomen: "Ik weet van niets, ik ken Hem niet!" 

Het is de verloochening uit angst. 

Een Prometheusbegeleider, die met zijn fakkel het dal der schaduwen binnenging kan zich, na de passage door het Brandende Vuur, naast de Hemelwachter plaatsen en allen datzelfde Brandende Vuur zien ingaan en elke keer als de Hemelwachter het wachtwoord vraagt en de neofiet het schuldig moet blijven, weet de Prometheusgids dat zijn tijd van totale opgang nog niet is gekomen, maar dat zijn leven nog verder dienen moet als hulp voor zijn naasten. 

Zij, die overwinnen, zijn met weinigen. 

Zijn er ooit, in de mensheidshistorie, veel Prometheusmensen geweest, zichzelf wegcijferende mensen, die het Licht haalden ondanks hetgeen henzelf treffen zou? 

De wereld heeft de geketenden niet lief, noch de deemoedigen of de waarheidslievenden. En zij die de wereld liefhebben minachten hen, die de wereld loochenen, omdat zij een andere Wereld schouwen. 

Wie zal een Prometheus liefhebben? 

De zwakken klemmen zich aan hem vast terwille van zijn kracht. De arroganten haten hem om die kracht. 

Slechts de gelijken zullen hem liefhebben, gezien hun harten en zielen één zijn met de zijne. 

Een Prometheus is een kind des Vuurs. 

Vuur is een element, dat vernietigen en tegelijkertijd herscheppen kan. Het is het element van de bliksem, waarin "water in vuur kookt en vuur in water brandt en noch het ene opdroogt, noch het andere wordt uitgedoofd" *), en het is als het Oog des Heren, dat vernietigt en herschept. 

In de achtste Vuur-aanraking ondergaat een Prometheus deze essentie van het vuur als een geheim van het geestelijke Vuur. Iemand, die dit Vuur of deze Bliksem kan beheersen is een totaal nieuwe mens geworden, een wezen van een herschapen hemel-aarde, waarbij noch de hemel, noch de aarde afzonderlijk tot activiteit zullen komen. 

Uit zulk een Brandend Vuur heel te voorschijn komen, betekent ingewijd zijn, de naam der ingewijden ontvangen: "Prometheus!" en de mensen kennis, heil, licht en waarheid brengen. 

Zij, de weinigen, die Prometheus genoemd kunnen worden, zulIen neerknielen voor het altaar in de Middentempel, hun middentempel en zij zullen voor het altaar hunner ziel, in het heilige woud der mysteriën, hun Naam over zich horen uitspreken als een bevestiging. 

Ook dit is een oordeel, een eindfase. 

Dat zal de negende fase worden, het Vuur waarin Prometheus de heremiet of de wijze wordt, waarin drie individuele tempels het gewijde vuur zulIen ontvangen. 

Het is een slotfase vóór de apotheose van het licht. 

Hij, die dit Brandende Vuur heeft doorstaan, wenst geen eerste meer te zijn, hij wenst niets meer dan te zijn. 

Te zijn als de wedergeboren eerste Zoon in het kleed van de wijze of de heremiet, de negende kaart uit de Egyptische Tarot van Memphis. 

Te zijn als een lichtende fakkel in de beschermende handen van Zijn Schepper en Hij zal beslissen wáár die brandende fakkel zijn licht zal spreiden. 

Al ontnemen zij, die licht behoeven, een Prometheus zijn licht, al ontnemen zij hem zijn leven, het zal hem worden teruggegeven, opdat er nimmer een tekort zal zijn aan leven en licht. 

Hij, die zichzelf niet telt, schuwt het Brandende Vuur niet, noch interesseert het hem of hij aan de rots zal worden geketend, want zijn "opdracht" is hem heilig: godenzonen begeleiden op hun terugweg. 

De ene, die gaat, verzacht de pijn die ontstaat vanwege al degenen, die zich onwillig afwenden. 

Zult gij die ene zijn, mijn vriend? 


*) Das Buch Henoch - Uitgeverij Ercee.

1970 - 2018, copyright Henk en Mia Leene