De oerkennis en het scheppend vermogen

De onwetendheid is er de oorzaak van dat de mens zijn eigen mogelijkheden niet kent en dus een toevlucht neemt tot imitatie.  

Heden meent men dat de vogels méér oriëntatie-gevoel hebben dan de mens, maar een mens die met de natuur verweven is vindt ook zijn plaats van bestemming altijd weer.  

Het menselijke organisme bezit het vermogen om zich in iedere omstandigheid en in elke situatie te schikken, mits er niet van buitenaf wordt ingegrepen.  

Aanpassingsvermogen is een ingeschapen eigenschap der natuur, het medebewegen met de veranderingen in de natuur.  

Zelfs dit vermogen heeft de mens verloren.  

Hij beweegt veelal tegen de natuurwet in en ontneemt zichzelf daarmede opnieuw een ingeschapen gave: soepele weerstand, die geen spanningen oproept.  

Oerkennis is het gevolg van openheid of ontvankelijkheid en wanneer er iets ontvangen moet worden vereist dat een ontvangst-apparaat.  

Wanneer de geest de ziel iets wil overdragen moet daarvoor een instrument aanwezig zijn; een ontvankelijke ziel kan luisteren, niet slechts met de oren, maar met het gehele organisme.  

Geestelijke trillingen dringen namelijk de gehele mens binnen; zijn huid, zijn gehoor, zijn ogen, zijn smaak, zijn gevoel nemen hen op.  

De geestelijke trillingen spreken tot de zeven werkelijkheden (Uit het 'Boek Henoch') in de mens en maken zich aan hem bekend zonder dat daarvoor uiterlijke zintuigen aanwezig behoeven te zijn.  

De oerkennis maakt daarvan gebruik om de mens zich bewust te maken van hetgeen hij weet of wist.  

Oerkennis is als het zich bewust zijn van de geest achter elke vorm van leven, die geest ervaren, herkennen en kunnen omvatten. Men kan niet zeggen: 'Ik moet mijn ziel bewust maken.'  

De mens moet zich allereerst bewust worden van de aanwezigheid van zijn ziel.  

Het woord "ziel" zegt niet iedereen iets.  

De ziel is datgene waaruit men tot geestelijk beleven kan komen; zij is, als men de egocentriciteit terzijde stelt, de kern waaruit de mens de geest zoekt.  

Het bezit van een ziel is voorwaarde voor het opwekken van één der oerdeugden en iemand die zich niet interesseert in de ziel kan beter ieder spiritueel pogen vergeten en zichzelf bevredigen in een vormendienst.  

De mens met een ziel, bewust dan wel onbewust, krijgt het in het leven altijd moeilijker dan de mensen die slechts met het ego te maken hebben.  

De problematiek verschilt.  

Eten, drinken en vrolijk zijn voldoet de ego-mens, maar de mens met een ziel kan zichzelf niet bevredigen aan de vleespotten van onze welvaart, hij vraagt méér of iets anders.  

Dat is voor zijn naaste veelal een onbegrijpelijkheid of wordt voor hemzelf soms een ergernis, maar niettemin brengt het hem op de weg van de spiritualiteit.  

Zou hij iets van de oerkennis bezitten dan behoefde zijn zoekersweg niet zo lang en zeker niet zo grillig te zijn, hij zou dan slechts wachten op een bevestiging van hetgeen hij reeds wist.  

Er zijn mensen, ook kinderen, die met zekerheid zeggen: 'Ik behoor niet hier op aarde!'  

Dat is een vleugje oerkennis.  

Uit deze vage vermoedens, die niettemin onweerlegbaar zijn, gaat het kind of de mens zoeken naar een andere wereld, een sfeer waarin hij dan wel thuis zou behoren.  

Dat is een bewijs dat de rest van deze oerkennis verloren is gegaan en zo verdiept hij zich in allerlei hypothesen, die hem geen van alle bevredigen.  

Hij zal de totale bevrediging op aarde nooit vinden, hoezeer zijn maatschappelijke omstandigheden zich ook zouden verbeteren.  

Hij gaat uit van de kennis: 'Ik behoor hier niet!', dus zal hij een verdieping, een verruiming en meer bevestiging van die kennis zoeken.  

Zo komen allerlei leringen tot hem waarin hij het bewijs zoekt van zijn eigen weten. Dat is de oerkennis-zoeker.  

Hij zal aansluitingspunten vinden in enkele leringen en die brengen hem op weg.  

Zijn weg is echter totaal anders dan die van degenen die de goede moed zoeken, of liefde, of heilbegeren, of adeldom.  

Hij zoekt zijn eigen horizon te verwijden, hij wil steeds grenzen verbreken, doordringen tot een innerlijke bron die hij aanwezig weet, maar die hij niet kan bereiken.  

Hij is ontevreden met zijn eigen levensstaat, onverschillig welke positie hij bekleed, omdat hij wéét: 'Dit is alles schijn, imitatie.'  

Aldus groeit er in hem ook een vorm van onthechting.  

Eerzucht bezit hij niet, bezitsdrift kent hij niet, onrust is ook niet zozeer zijn zwakte, maar wel is er in hem een grote innerlijke honger en vooral een onophoudelijke drang tot weten.  

Die drang verandert met zijn ervaringen, hij verlegt zich op steeds spiritueler doelen en zo wordt hij steeds consequenter en vooral principiëler.  

De mens die de oerkennis wil bezitten gaat langs de paden van innerlijk onderzoek tot de wijsheid.  

Het is het onderzoek van een criticus: hij legt al wat hij verneemt voor aan zijn innerlijk Tribunaal (Geweten en intuïtie) en vraagt: Is het waar, is het niet waar?  

Juist omdat hij een vleugje oerkennis bezit is hij in staat tot beoordelen, na een verinniging met zijn ziel.  

Voor hem komt uit zijn ziel eigenlijk die dringende impuls: 'Ik behoor hier niet.'  

Niemand twijfelt minder aan zijn ziel dan deze mens.  

Ook het zeer jonge kind kan deze sterke overtuiging bezitten.  

Het is ervan overtuigd dat het uit meer bestaat dan uit een lichaam alleen.  

Wee de ouders, die deze kennis van het kind niet serieus nemen.  

Zij hebben direct voor hem afgedaan en het zal ergens anders een bevestiging van zijn kennis zoeken.  

Het zal zelfstandig zijn weg zoeken, want deze kennis maakt hem tot een individu, een autonoom wezen.  

Het zal zich later nooit overgeven aan een vormenreligie of een massale belijdenis, noch aan enige vorm van slavernij, want het bezit te veel reflecterend vermogen en zijn innerlijke kracht is te geconcentreerd.  

Het wordt geen mens die zich vult met aangeleerde kennis, maar hij zal zeer sterk selecteren; zoekt slechts waardige leringen, oorspronkelijke kennis en daarom wordt hij kieskeurig.  

Veelal bezit hij een extra zintuig om de gnosis of de directe kennis uit haar bedekking op te delven en zo wordt hij van binnenuit tot de oerkennis geleid en vergroeit daarmede.  

Uit zichzelf kan hij haar toelichten en uitspinnen, hij behoeft niets te leren.  

Oerkennis onderscheidt zich van intellectuele kennis door haar onbegrensdheid, zij is niet gebonden aan vaststaande begrippen, ook ligt zij niet vast in een taal of een woord, zij kan zich bekend maken onder allerlei aanduidingen.  

Een enkele geestelijke beroering kan de oerkennis in een ziel opwekken.  

Wijdse verten openen zich en plotseling doorschouwt deze mens de waarheid: het zijn, het niet-zijn, de kosmos, zichzelf.  

De natuurlijke gave van het natuurlijke schepsel blijft beperkt tot de begrenzingen van de natuur, maar de oerkennis stijgt daar bovenuit.  

Het intellectuele denken kan haar niet grijpen.  

Deze oerkennis werkt samen met een andere oerdeugd: Het scheppende vermogen.   

Niet: de vermenigvuldiging, neen, het vermogen om beelden, vormen, klanken en kleuren te scheppen uit het etherische veld, niet uit het onzichtbare veld van onze aarde zoals scheppende kunstenaars soms kunnen doen, neen, scheppen uit het geestelijke veld dat de gehele natuur doordringt.  

De scheppingen bezitten dan altijd iets van de geest.  

Zielen herkennen deze geest en worden erdoor geïnspireerd.  

Een enkel woord kan deze geest bezitten en zij kan in een aanraking zijn.  

Het scheppende vermogen als oerdeugd is in staat door een minimale overdracht de naaste te bezielen en de bezitter zelf is altijd de grote bezieler, de herschepper van zielen of de hersteller van gebroken of zieke zielen.  

De oerkennis zoekt de geest, het scheppende vermogen straalt deze geest uit.  

Deze oerdeugd is één van de allerschoonste en meest goddelijke, d.w.z. meest krachtige ten opzichte van wereld en mensheid.  

Het scheppende vermogen baant een weg voor zijn bezitter, het doorklieft de beletselen en zo kan men bemerken hoe degenen die hiervan een vleugje bezitten dwars door zware omstandigheden hun weg omhoog onherroepelijk vinden.   

Zij beschikken over een onophoudelijk stromende bron en het lijkt of zij niemand als steun van node hebben maar, integendeel, anderen hebben hem of haar nodig om wegwijs te worden in de chaos der tegengestelden.  

Scheppen is maken hetgeen er voorheen niet was.  

Beelden scheppen die het geestelijke of volkomene tot de mensen brengt.  

Het ongelooflijke laten zien. 

Niets is echter ongelooflijk.  

Het geloof van de mens is slechts te klein.  

Wie zal zeggen wat geloofwaardig is?  

De één gelooft in God, de ander in de materie en beiden hebben gelijk.  

Hetgeen de mens gelooft aanwezig te zijn is aanwezig, zeker in spirituele zin.  

Alleen de intellectuele wetenschap gelooft niet, zij rangschikt feiten die de uiterlijke zintuigen, en dan nog slechts die van de wetenschapsmens, waarnemen.  

Voor de ziel zijn alle ervaringen des geestes een onomstotelijke waarheid, de betrokkene gelooft daarin, omdat hij zichzelf erdoor veranderd, of aangeraakt, of geappelleerd weet.  

De psyche van de mens, sommigen noemen het ziel, sommigen noemen het geest, is de waarlijke kern van de mens.  

Om die kern heen bevindt zich het lichaam, het organische denken, de organische emotionaliteit, maar uit die psyche komen ook krachten voort die veel sterker zijn dan enige organische macht.  

Deze krachten beïnvloeden het lichaam en belemmeren dan wel bevorderen de werkingen van de organen.  

Dit heeft de medische wetenschap bevestigd.  

Maar de psyche is ongrijpbaar, het is niet de egokern, de emotionele motor waar de psychiaters zich mede vermaken.  

De psyche is diegene die hier niet thuishoort.  

Of de spirituele zoeker zich nu ergert aan zijn vreemdelingschap op aarde, of zich belemmert gevoelt in zijn ego-drang, of zich verheugd gevoelt met zijn sensibele psyche, het is van ondergeschikt belang, want deze psyche kiest toch zijn eigen weg.  

Er zijn mensen die menen dat het ego deze psyche de wet voor-schrijft, maar dat is een waan.  

Elk ego dat in staat is de psyche een wet voor te schrijven heeft nooit met de psyche te doen gehad.  

De macht van de mens ligt in deze geheimzinnige psyche, het restje onaardsheid dat hij bezit en dat hij ontheiligd heeft, dan wel opnieuw heiligen wil.  

Een mens die zijn houvast in het leven is kwijtgeraakt kent niet meer het onderscheid tussen deugd en ondeugd, zijn psyche leidt hem, noch misleidt hem, zijn natuurlijke organisme als instrument voor de psyche is defect geraakt.  

Een door de ziel geïnspireerd mens zal zijn evenwicht niet verliezen, omdat de "kleine kracht" (Kleine kracht Davids, de geestelijke kracht der Lichtzonen) hem beheerst.   

Er zijn zoekers die zeggen: 'Als ik de Gnosis niet kende zou ik zelfmoord plegen.'  

Maar dat betekent eigenlijk: 'Als ik mij niet bewust geworden was van deze "kleine kracht" en de gigantische grootsheid waartoe zij behoort, zou het aardse leven mij niets zeggen.'  

Innerlijke zekerheid kenmerkt de gnosticus. (Belijder van de gnosis of directe geestelijke kennis)  

Een gnosticus is een potentiële oerdeugden-drager.  

Een gnosticus is iemand die in aanleg alle oerdeugden in zich omdraagt en daarom zeggen alle hem iets.  

Hij wil graag de goede moed bezitten om zijn wankelmoedigheid te overwinnen; hij wil de liefde kennen om zijn ziel met de geest te verbinden, op basis van vrijheid; hij wil het heilbegeren bezitten, omdat dit hem losrukt uit de verwarring der misleiding; hij wil geestelijke adeldom bezitten om onaantastbaar te zijn; en hij wil de 

oerkennis doorgronden om zo zijn broeders voor te kunnen lichten.  

Hij beseft echter dat hij niet alle oerdeugden bezitten kan en ook hij weet dat één enkele zonnestraal in staat is om hem tot de zon des geestes te geleiden.  

Zo zal hij een uitgesproken gnostiek mens worden die één oerdeugd alomvattend vertegenwoordigt.  

De oerdeugd maakt altijd gebruik van "s mensen natuurlijke pre-dispositie, omdat er dan minder tegenstanden opgeworpen worden.  

Dan verandert de specifieke geaardheid van deze mens in een heiligende geaardheid, deugd en ondeugd worden afgezwakt, hoewel zij aanwezig blijven zolang de mens op aarde is.  

Het natuurlijke instrument is opgebouwd uit de tegenstellingen, uit deugd en ondeugd. 

Hun wisselwerking bevestigt de natuurlijkheid, maar zij moeten elkander nooit bestrijden.  

Bestrijdt nooit uw uitgesproken ondeugd, die u wellicht ergert, maar versterk uw deugd en laat deze uw ondeugd doen verzwakken, in de schaduw stellen.  

Versterkte ondeugd bewijst dat de deugd zwakker is.  

Een evenwichtig en natuurlijk gezond mens met een normaal ego heeft de balans van deugd en ondeugd in evenwicht.

Zoals de mens een minimum aan slaap moet hebben om de dag te kunnen verdragen, zo zal ieder mens zijn eigen balans moeten vinden tussen deugd en ondeugd.  

Ondeugd is een positieve gave, deugd is een negatieve gave.  

Deugd komt voort uit ontvankelijkheid, ondeugd ontstaat door afgeslotenheid.  

Mensen die zichzelf verontschuldigen door te zeggen dat een medemens hem verleidt tot ondeugd, kennen zichzelf niet.   

Hun grootste ondeugd is hun willoosheid ten opzichte van het deugdelijke.  

Dat is geen excuus voor hun verkeerde handelingen.  

Het is mogelijk dat dezelfde mensen in andere opzichten wel wilskrachtig zijn.  

Iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen leven, voor zijn omstandigheden, zijn handelingen.  

Het ego is een afgescheiden deel, een zelfstandige kern.  

Verliest het die zelfstandigheid dan is het onevenwichtig, ziek of overwoekerd door de ondeugden.  

Een spiritueel gevoelig mens, zal dan ook in de eerste plaats zorgen dat hij onderscheid kent tussen deugd en ondeugd, dat hij zijn lafheid en zijn moed kent, zijn zwakte en zijn kracht.  

Als hij weet hoe hijzelf is en bovendien de ingeboren zekerheid der ziel bezit, behoeft hij nooit te vrezen dat zijn spirituele weg zal mislukken.  

Zijn "kleine kracht" zal zich aan hem bewijzen en als hij daarin gelooft en er zich door laat leiden, zal hij bemerken hoe hetgeen hij verlangt steeds naderbij komt.  

Eerst als een bijna onmerkbare verandering, dan als een bewuste instelling, dan als een consequente levenshouding en tenslotte als een spirituele onveranderlijkheid, die zich niettemin steeds in zichzelf vernieuwt en hem verfrist en bemoedigt als levend water en bezielt als een lichtend Aurora dat hem onweerstaanbaar tot zich trekt.  

Dan zal hij zijn natuurlijke grenzen overschrijden en worden tot een geestelijk mens, die weet waar hij thuishoort.  

Dan zal hij vol vreugde de taal der alchemisten kunnen bevestigen: Roseae Crusis, ik ken U, mijn Heer!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene