De liefde

Een moedig mens is tevens een wijs mens.  

Hij durft de bergen te beklimmen, maar ook de onbekende dalen in te gaan.  

Hij treedt het zonlicht tegemoet, maar evenzo de duisternis en hij is altijd dezelfde moedige mens, in woord en in daad.  

Moed is een benijdenswaardige gave, omdat aarzeling, angst en ongeloof er volkomen door worden buitengesloten.  

De edele moed kent geen tegengestelden, want lafheid is de schaduwzijde van de menselijke, tijdelijke moedigheid.  

Iemand die deze goede moed bezit zal zonder aarzelen en vanzelfsprekend de tweede oerdeugd uitstralen: de liefde.  

In werkelijkheid is geen van de oerdeugden de eerste of de beste, zij zijn alle gelijk.  

Liefde kent moed en moed kent liefde.  

Men moet zich losmaken van het liefde-beeld der mensen, en zich concentreren op een gave die totaal belangeloos en volkomen onbaatzuchtig is.  

Zij wordt niet gedreven door enig eigenbelang, noch door eerzucht, noch door zelfstreling, noch door ego-bevrediging.  

Zij zoekt geen partner, noch verandert zij plotseling in haat als zij wordt tegengewerkt.  

De oerliefde is de lichtflits, de koestering, de verwekster en de bezielster.  

Zij is in staat vreugde te scheppen waar droefheid heerst en deze vreugde duurzaam te maken; zij kan moeilijke opgaven lichter maken en onmogelijkheden mogelijk.  

Liefde is een warmte die opstijgt uit de eenheid van gevoel en denken, een warmte die niet verdroogt noch verbrandt.  

Deze liefde maakt de mens niet afhankelijk van derden, maakt hem noch heerszuchtig, noch gepassioneerd; maar zij verbindt hem duurzaam met de geest.  

Niets is zo bindend als de geestelijke liefde.  

Niemand weet wat deze liefde betekent zo hij niet de geest in zichzelf heeft herkend, zijn kracht geproefd, zijn mateloze macht heeft ondergaan.  

De mens heeft lief terwille van zichzelf; hij zoekt in de ander hetgeen hem ontbreekt; of zoekt in het doel van zijn liefde een bevrediging, omdat zijn ego of zijn ziel rusteloos is.  

Allen die de liefde zoeken bewijzen ermede hun gemis aan het essentiële, alles vervullende geestelijke element.  

Liefde betekent voor de mens koestering, dan wel gekoesterd worden, het zichzelf wegschenken aan de andere, ofwel het in bezit nemen van de andere.  

De oerliefde zoekt geen van beide.  

Zoals de moed is zij zelfstandig, omdat zij een autonome gave is binnen de eenheid van de zeven oerdeugden.  

Ieder mens die de geest in deze zin zou liefhebben, zou onverschrokken en onophoudelijk de weg tot de vereniging met de geest bewandelen.  

Hij zou intuïtief alles nalaten wat de geest of de ziel kwaad zou berokkenen en zo zou hij zichzelf buiten 'de zonde' d.w.z. buiten de lichtloosheid of de onwetendheid stellen.  

De psychologische onderzoekers zeggen dat ieder mens behoefte heeft aan liefde, onverschillig in welke vorm.  

Liefde is de moeilijkst te verkrijgen oerdeugd, omdat zij rechtstreeks opwelt uit een denken des harten.  

De scheiding tussen hart en hoofd brengt geen vrucht voort.  

Haar rede is de heiligende verbeelding en haar sensitiviteit is louter liefde van een rein hart.  

Iemand die liefheeft wordt redeloos, zeggen de mensen.  

De mens die de oerliefde kent, heeft deze verstandelijke rede vervangen door een hartdenken, een geestelijke verbeelding.  

Tegen deze heiligende verbeelding kan het intellect niet op redeneren, het moet zwijgen, omdat het de geestelijke beeltenissen niet vatten kan.  

Deze oerliefde voegt samen: ziel en geest, god en mens, natuur en ego.  

Dit betekent dat de mens de natuur en aldus het leven, al het levende binnen de natuur liefheeft, hij wordt er één mede.  

Hij gevoelt het leed der gedoden en ondergaat de vernietigingsdrift der vervolgers.  

Niets maakt zo sensibel als de liefde, het is een gave die samenvoegt, dus die medeleven, het zich Ïn-leven in de andere of het andere bewerkt.  

Door de oerliefde kan de ziel zich in de geest verplaatsen en de mens zo boven zichzelf uittrekken. De begrenzingen vallen weg.  

Onbegrip is onbekend, deze mens kan zich laten overvloeien in zijn doel of medemens en gevoelt zijn leed en zijn vreugde.  

Deze liefde is zo moeilijk te verkrijgen, omdat de mens daartoe innerlijk sterk moet zijn; het mensen-leed ondergaan en weten niet te moeten ingrijpen vraagt moed en sterkte.  

Het zoeken naar liefde overal op aarde is het resultaat van innerlijke armoede, het gespleten zijn; deze hunkering naar liefde projecteert men maar al e graag in de spiritualiteit, hoewel dit geen succes boekt, omdat een zwakke ziel of een begerig ego geen van beide in staat zijn de liefde op te roepen.  

Liefde is een machtige kracht, zij kan anderen opwekken en zij kan door haar inzet ongekende vruchten afwerpen, maar zij is kieskeurig tegenover degene die haar bezitten wil.  

Zijn innerlijke lamp moet werkelijk brandende zijn en hij moet geen vrees kennen zo hij de wonderlijke wegen van deze geestelijke liefde bewandelen wil.  

Het overgrote deel der mensen wordt met hun god verbonden door plicht, door schuldgevoel, door angst.  

Slechts een enkeling heeft de geest (God) lief boven zijn naaste of boven zichzelf. Indien dit niet zo was zou er dan slechts zo'n sporadisch moment aan Hem worden gewijd?  

Alle andere zaken komen eerder.  

Plicht is de vervanger van de liefde tot de geest geworden en erotiek heet de vervanger van de liefde tot de medemens (Eros - erotiek: oorspronkelijk geestelijke essentie, momenteel verstaat men er zinnelijke liefde onder), daarna komt het humanisme dat veelal voortspruit uit eigenbelang, zelfs zonder dat de beoefenaar dit bemerkt.  

Liefde in spirituele zin bereikt in de mens hetgeen geen enkele andere gave vermag: het bindt hem vast aan de geest, hij kan van

deze verbintenis nooit meer loskomen. Ook tot zulk een verbintenis moet de mens in staat zijn, anders brengt het hem grote ellende, daarom is deze oerliefde sporadisch op aarde te vinden.  

Al zou de mens zeggen: 'Ik ben trouw aan de geest', 'ik lees dagelijks geestelijke literatuur', 'ik bid elke avond' of wat men anders verstaat onder spiritualiteit, het zegt niets omtrent een bezit der oerliefde.  

Zoals de moed is zij bereid de zwaarste nacht in te gaan of de felste dageraad des levens tegen te treden.  

Zij laat zich niet uitbuiten, maar vliedt weg zodra uit een kleinigheid blijkt dat de bezitter haar niet waardig is.  


De oerliefde vraagt standvastigheid, immuniteit tegenover haat of tegenstand; zij kweekt bescheidenheid aan, omdat zij voor zichzelf niets verlangt en dus geen eerzucht oproept, noch trots.  

Zij is edel in haar eenvoud en vooral trouw in haar verbintenis.  

Ontrouw of het verwisselen van doel kent zij niet, omdat er geen plaatsvervanger is voor haar geliefde: de heilige of de goddelijke geest. Zij is één met deze.  

Al die overwegingen, dat wikken en wegen, dat voor en tegen overleggen kent zij niet.  

Zij kent de geest en weet bij voorbaat aan wie zij zich bindt.  

Daarom is zij - zoals de moed - gegrondvest in de zekerheid.  

Echter anders dan de moed. De mens ondergaat het alsof men iets of iemand ontmoet die men altijd heeft gekend.  

Zij die b.v. de woorden van de wijzen of een bepaalde verlossingsweg herkennen, hebben daarmede polariteit, en het betekent dat zij in een oerverleden de geestelijke liefde verloren hebben.  

Nu willen zij, ten koste van alles, opnieuw een eenheid met die geest bewerken.  

Men kan natuurlijk van al de zeven oerdeugden een vluchtige flits bezitten, maar in ieder mens is altijd één gevoel, één gedachte, één niet te beredeneren intuïtie het sterkste.  

Bij hem die gevoelig is voor de oerliefde is dat die herkenning, het gevoel van: 'Dit was eens van mij, dat is in mij."  

Het moeilijkste is echter één te worden met datgene dat hij Ïn zich weet; de mens die speciaal verlangt naar de oerliefde kan beter eerst één van de andere oerdeugden opwekken.  

Want, zoals gezegd, de liefde is kieskeurig, zij kiest zelf uit.  

Dit is zelfs te herkennen in de zesde kaart van de Egyptische Tarot: Eros richt zijn pijl op het lagere wanneer het hogere met absolute zekerheid aanwezig is.  

Dat "hogere" is die zekere verbintenis tussen de ziel en haar geest.  

Zij is al met die geest verbonden op het moment dat de liefde komt inwonen.  

Hoezeer men ook zal trachten deze oerliefde te vinden, zij zal altijd ontglippen als men haar niets kan aanbieden.  

Zij lacht om plicht en beloften; zij wil het ego niet bevredigen en een mogelijk schuldcomplex niet nivelleren, zij is edel en daarom trots in de beste zin van het woord.  

Alles wat de mensheid gewend is onder liefde te rangschikken is een aanfluiting vergeleken bij de oerliefde.  

Zij verbleekt nooit en wordt dus nimmer een gewoonte.  

Zij straalt en leeft uit de geest die haar doorlopend vernieuwt, d.w.z. van nieuwe levenskiemen voorziet.  

Er zijn orthodox kerkelijke mensen die een onomstotelijke zekerheid bezitten van de dingen die de esotericus mogelijk absoluut verwerpelijk vindt, maar zij hebben op de naar weten, naar inzicht en naar de oerliefde zoekende individualist vuur dat zij een zekerheid bezitten. De ongedurig zoekende individualist is steeds doende zijn eigen grond onder zijn voeten weg te halen.  

Soms zonder dat hij een ander fundament als plaatsvervanger bezit en dan wordt hij de cynicus en de verbitterde.  

Op zulk een basis worden de oerdeugden niet gebouwd.  

Als de mens er met moeite of nauwelijks in slaagt de geest te naderen wil dat niet zeggen dat die geest NIET bestaat.  

Hetgeen de mens niet kent ontkent hij.  

Vooral de spirituele onderzoeker, die de wegen van de twijfel en de verdieping betreedt.  

Wanneer de mens verzucht: 'Ik zou de liefde willen kennen,' (in spirituele zin) is dat een bewijs dat hij ergens, diep in zijn hart, in een blijvende liefde, die alles vernieuwt, gelooft.  

Haak daarop in!  

En, zoals bij de moed, onderzoek uzelf en onderken hetgeen u van zulk een liefde-betoon tot de geest afhoudt.  

De geest is de kracht die uw ziel belevendigt, aanmoedigt.  

Nu, als u zich in deze woorden intens verdiept, is de geest om u en deze kunt u omzetten in de oerdeugd waar u contact mee hebt:

Moed; 

Heilbegeren; 

Liefde; 

Innerlijke adeldom; 

Oerkennis; 

Scheppend vermogen; 

Onveranderlijkheid. 

Tenslotte zal de kroon de zeven oerdeugden sieren: de Wijsheid.  

De natuurlijke deugden zoals geduld, waarheid, mededogen, enz. bevinden zich vanzelfsprekend in deze oerdeugden, die zijn als de wortels van de Levensboom die geplant zijn in de hemel.  

Eén wortel voert deze Levensboom reeds hemelse sappen toe, denk daaraan en concentreer u daarom op het leven schenken aan één wortel, alle andere komen dan vanzelf tot leven, wanneer uw Levensboom het levenselixer ontvangt.  

Zelfwerkzaamheid aan één dezer oerdeugden is veel meer waard dan ontelbare predikingen.  

Maar zelfwerkzaamheid verlangt energie, geestelijke energie, die wederom ergens uit voort moet komen: uit geestelijk voedsel.   

Maar wanneer de mens niet neemt wat hem voorgezet wordt, kan hij zichzelf ook niet voeden, nietwaar?  

Zoals bij het natuurlijke voedsel aangeraden wordt goed te kauwen, opdat de energie ten volle tot zijn recht komt voor het organisme, zo is bij het opnemen van de geestelijke voeding noodzakelijk de benodigde opname-apparatuur juist in te stellen en tenvolle te gebruiken.  

Denken en hart moeten absoluut en onvoorwaardelijk ingeschakeld zijn op de geestelijke trilling, zo vult men zich met spirituele energie.  

Uit die energie kan men de oerdeugd extraheren.  

Want zoals het zwakste in de mens door ziekte kan worden aangetast zo zal het sterkste door de geest kunnen worden geïntensiveerd.  

Iedere bezitter van een oerdeugd zal behoren tot de sterken voor wie niets onmogelijk is.  

Tafelblad van Asumus Stedelin, de z.g. 'Schaffnertisch', uit 1533.  

(Foto: Staatl. Kunstsammlung Kassel)  

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene