De dauw als levensschenker der ziel

Elk normaal mens hangt aan het leven; d.w.z. heel zijn organisme is erop ingesteld dat dat leven in hem blijft kloppen. 

Iemand die deze levensessentie tracht te verzwakken of bovenmatig uit te putten, is dan wel wordt ziek. 

Levensmoeheid is een ziekteverschijnsel en levensuitbuiting even-eens. 

De mens behoort in een normale wisselwerking te staan met het leven en hij moet accepteren dat hij op aarde is en trachten zo veel mogelijk van zijn leven te maken. 


Een nuttig leven in dienst van de medemens of in enigerlei ander opzicht bevordert het innerlijke evenwicht van de mens en brengt tevredenheid in hem. Tevredenheid is rust, zij kan stilstand betekenen, maar dat is niet noodzakelijk. 

Ontevredenheid brengt onrust en wanneer men de oorzaak der ontevredenheid niet kent, parasiteert men op zijn levensproviand; het organisme raakt uitgeput, er worden geen nieuwe levenssappen toegevoegd, de levenstrillingen worden zwakker, de gedachten worden depressief, de wil verzwakt en de mens stelt zichzelf buiten het normale natuurlijke levenspatroon. 

Geestelijke onrust is ook een vorm van ontevredenheid; maar een ieder die beseft waartoe hij op aarde is en waartoe ieder mens geestelijk geroepen wordt, kan iets met die ontevredenheid doen, nl. anders gaan leven. 

In de alchemie - de geestelijke omzetting - wordt de dauw beschouwd als de levensschenker der natuur. (Alchemie: omzetting der metalen als basis voor een geestelijke weder-geboorte.) 

De zon kan te heet zijn, de regen kan te intensief vallen, de koude te hard zijn, de aarde te droog, maar de dauw blijft onveranderlijk dezelfde: een levenssap waarin geheel de natuur zichzelf tot een herschepping baadt om de hitte en de storm, de koude en de droogte opnieuw te kunnen trotseren. Dat is het geheim des levens.  

De mens moet zich openstellen om het sap des hemels, de geestelijke trilling te kunnen ontvangen.  

Zonder deze geestelijke trilling wordt hij een slachtoffer van de elementen, van de harde omstandigheden, de bittere ervaringen, de pijnlijke ontmoetingen.  

Slechts hetgeen van Boven komt, het onveranderlijke iets dat niemand kan imiteren schenkt de mens voldoende levenskracht om het leven als een gezond, sterk en edel mens te doorstaan. 

Wij hebben in onze literatuur gesproken over de zeven oerzonden, die aangeboren gedegenereerde eigenschappen die in natuur en mens ontstaan zijn door de overmacht van egocentriciteit en hebzucht.  

Zij zijn gevormd onder de inwerkingen van de meedogenloosheid der levenselementen, waarbij de dauw, het levenssap des geestes onvoldoende werd toegevoerd.  

In die dauw, dat geestelijke levenssap dat, zoals de alchemist zegt, een geheimzinnige samenstelling van water en vuur, d.w.z. zoutachtig water is, zijn de heiligende of genezende deugden aanwezig. 

Elk van die deugden is in staat een oerzonde te vernietigen of te vervangen.  

Niemand behoeft geslachtofferd te worden door hoogmoed of jaloezie, drift of gierigheid, gulzigheid of luiheid of de meeslepende passie van de wellust en niemand kan door één van hen worden gepijnigd zolang de dauw des hemels voortdurend wordt aan-gezuiverd. (Zon - hoogmoed; Mars - drift; Venus ñ wellust; Maan - luiheid; Saturnus - gierigheid; Mercurius - jaloezie; Jupiter - gulzigheid.) 

Velen menen dat het voldoende is zo af en toe iets spiritueels aan te horen of er, wanneer het zo gelegen komt, over te mediteren of van gedachten te wisselen, maar de dauw valt iedere dag. 

Iedere dag heeft de geest van node.  

De mens heeft iedere dag geestelijk voedsel nodig om al die 

kwalen, al die egocentriciteit, hebzucht, misvatting en zelfoverschatting te voorkomen.  

Alle gedachten die uit de één of andere oerzonde voortkomen brengen psychische dan wel fysische kwalen mede.  

De dauw des hemels, het onontbeerlijke levenssap voor de ziel in de natuur heelt de mens in alle opzichten. 

Ieder mens is ziek, hetzij psychisch, hetzij fysisch. 

Iemand, die zijn denken geconcentreerd houdt op een egocentrisch doel, op eerzucht, eigenbelang, vernietiging of materiële overmacht, is psychisch ontspoord.  

Weinigen storen zich aan die ziektebeelden, omdat de mens ermede verzoend is geraakt dat spanningen, levensstrijd en al die uitingen van de oerzonden eenvoudig een begeleidend levenspatroon zijn.  

De humanistische opvatting is daaruit voortgekomen: het lief-hebben van de levensstrijd om de strijd zelf.  

Dat betekent niets anders dan je schikken in de afwezigheid van de dauw of de geestelijke essentie en vanuit jezelf, vanuit het ego, natuur van de natuur, de levenselementen der natuur te bevechten.  

Hard tegen hard, moed tegenover teleurstellingen, harde zelf-handhaving tegenover uitbuiterij, en het bijstaan van hen die gebukt gaan onder de levensstormen.   

Het doel ?

Zich leren te schikken in de afwezigheid van de geest en het leven te nemen zoals het komt: goed dan wel kwaad, geluk dan wel ongeluk.  

Maar de mens vergeet dat het leven, HET leven, erin oorsprong nooit zo heeft uitgezien. 

HET leven is niets anders dan een in- en uitademing van energie en vooral van het prana of de levensadem.  

Een levensenergie die uit de hemel of het "Boven" komt en die pulseert door de mens in het hier "Beneden" en daarna weer terugkeert tot het Boven. Het gevecht des levens, de strijd om het bestaan, is een bijkomstig verschijnsel, dat langzaam maar zeker onnatuurlijke en zelfs geestbelemmerende dimensies heeft aan-genomen, zodat de mens geforceerd wordt al zijn tijd, al zijn energie en zijn aandacht te wijden aan deze uitwassen, terwijl het Leven zelf in zijn eenvoudige uitdrukking aan hem voorbijgaat.  

Hoevelen verzuchten dat het leven is als een snel voorbijvlietende stroom en aan hen voorbijgaat?   

Hoevelen menen dat zij nog nimmer geleefd hebben, hoewel hun dagelijkse leven uit niets anders bestaat dan de strijd om het bestaan?  

intuïtief beseft de mens dat de strijd om het bestaan het waarlijke leven niet is.   

Nu rest hem niets anders dan te wachten op zijn A.O.W., zijn pensioen en de oudere leeftijd om het leven te herontdekken. 

Is dat niet tragisch? 

Het is het resultaat van de afwezigheid van de dauw des hemels, die de mens, evenals elk schepsel in de natuur, moet herscheppen.  

Levenskracht komt altijd vanuit de geest, nooit vanuit het ego; daaruit komen slechts tegenstand, hardheid en zelfhandhaving; de laatste wetenschappelijk-biologische ontdekkingen bewijzen dat. 

Waarachtige levenskracht waarin de zeven oerdeugden of de zeven arcana besloten liggen, komt uitsluitend uit de dauw des hemels, het voedsel der goden. 

Een mens die zichzelf van binnenuit openstelt doet dit met hart en hoofd, er is geen onderscheid tussen hart en hoofd in dat moment, zij zijn beide tot de hemelen gekeerd en zo ontvangt het denken de verbeeldende hoop en het hart de stimulerende energie. 

Eén moment van waarachtige openheid tegenover de geest verjaagt elke depressie, schenkt het hart rust en het denken inzicht. 

Als eerst het geloof in de geest er maar is, dan kan door een enkele verdieping dit geloof in weten veranderen. 

En vanuit zulk een weten vraagt de mens om de blijvende aanwezigheid van de geest. 

Dan valt er een tevredenheid over hem, die niets te maken heeft met gezapigheid, maar die is als een innerlijke rust. 

Dagelijks verbindt zulk een mens zich opnieuw met de hemelen, die zijn oorsprong zijn, het land van zijn geest en zo is er geen sprake van een afsluiting van de levenskrachttoevoer, noch van een gespannenheid door een disharmonie tussen de in- en uitademing van de levenstrillingen.  

Irritatie, ergernis, spanningen zijn altijd het gevolg van een disharmonie, een tegenstand die zich stelt tussen de mens en hetgeen hij wil of verlangt. 

Als die tegenstand niet op natuurlijke wijze kan worden opgeruimd, wordt hij tot een diep ingewortelde ergernis, die allerlei organische kwalen medebrengt. 

De mens gevoelt dat hij tekort schiet.  

Meestal geeft hij de schuld aan de vermeende tegenstand, maar in werkelijkheid schiet hij tekort, wordt hij onmachtig, omdat de omstandigheden hem beletten te zijn die hij zijn wil of omdat allerlei gesuggereerde mogelijkheden hem in een dwangpositie manoeuvreren of omdat hij eigenlijk te lui of te gemakzuchtig of te weinig levenskrachtig is om verandering in zijn toestand te brengen. 

Eerlijkheidshalve zou men echter moeten erkennen dat de oorzaak in de mens zelf ligt, in zijn onkunde of in de afwezigheid van de geest die hem de oerdeugden overdraagt.

Vanuit die oerdeugden zou hij op een ongeëvenaarde wijze zijn tegenstanden kunnen opruimen zonder eventueel zijn mede-mensen daardoor kwaad te berokkenen.  

Want dat is de mens eigen: het verzetten van de schaakstukken, het afschuiven op de schouders van de minderen.  

Levenskracht is niet hetzelfde als meedogenloze zelfhandhaving ten koste van de zwakkere broeders.  

Levenskracht is Levenskunst.  

De levenskunst is het eigendom van de wijs geworden mens, maar nooit van de gezapige of de profiterende mens, die ofwel niet waarlijk leeft ofwel zijn weg plaveit met slachtoffers.  

Levenskracht brengt een gezond denken mede en dat betekent reeds een denkwereld die niet gecentraliseerd is om het ego en zijn belangrijke handhaving, maar de gedachten cirkelen om het Zijn. terwille van het Zijn zelf. En het zijn is altijd een kwestie van samengaan, het tezamen bewegen op de wind, het tezamen zich openen voor de zon, het tezamen zich tooien van de velden.  

Hoewel verschillend van aard en aanleg is er één ding gemeenschappelijk: het zich baden in de dauw des hemels en het zich daardoor herscheppen.  

Vermoeidheid, lusteloosheid, vluchtigheid en onwetendheid zijn het gevolg van de afwezigheid van deze dauw, de voeding der goden.  

Laten zij, die menen zo goed zonder geestelijk voedsel te kunnen, zich afvragen of zij, als Zoon of Dochter des Hemels zich waarlijk hemels gelukkig gevoelen en of hun lichaam is als een krachtig bouwwerk, dat alle spanningen kan wederstaan?  

De ziekenhuizen en psychiatrische inrichtingen, om maar te zwijgen van de mensen daarbuiten, liggen vol met hen die het leven niet kennen of niet begrepen hebben 

Onze maatschappij is doortrokken van spanningen, tegen-natuurlijke tegenstanden die er niet behoren te zijn, maar die zich gemengd hebben in het menselijke levenspatroon en waar hij onder gebukt gaat. 

Is het niet logisch dat de mens sterker dan ooit tevoren de dauw, de hemelse essentie, nodig heeft?  

Het individu, de zeer autonome mens, die zich boven de gezapigheid en de onkunde van de massa heeft uitgewerkt, heeft zijn denken ontwikkeld en hij ontdekte meer dan zijn medemensen, daardoor werd de onnatuurlijkheid, de onkunde en de degeneratie van het geestelijk menselijke wezen voor hem steeds duidelijker en dit zou hem tot een obsessie kunnen worden, want de vloedgolf van de neergaande stroom komt op hem aan en hij kan deze niet tegenhouden.  

Laat hij bedenken dat de hemelen zich nog boven hem uitspannen en dat een geest die uit Geest is voortgekomen nimmer van het voedsel der goden verstoken zal zijn, omdat de Geest de zijnen nooit laat vallen.  

Trouw is een gave des geestes, een oerdeugd.  

De mens, zelf verwekker van de oerzonden, gelooft niet meer in het bestaan van de goddelijke deugden, omdat hij hun werking en hun zegening is vergeten.  

Wanneer men blind is geboren kan men de stralende pracht van de zonneschijn niet indenken, nietwaar?  

Geen mens is zonder zonden, ook niet één!  

Dat betekent woordelijk: Er is geen mens die zich niet tijdelijk buiten het licht, buiten de geest stelt.   

In een wereld waar de Geest en de herinnering daaraan weggehoond wordt en men zich behelpt met een vervormde echo, is het zoeken naar de dauw des hemels of naar de geest, bijna ondoenlijk.  

De mens zoekt maar al te dikwijls de waarheid of de geest in zijn naaste zonder te weten wie en wat die geest en die waarheid zijn.  

Wat is heilig en wie is een heilige?  

Zijn degenen die door de mensen worden vereerd heilig?  

Neen! Een ieder zoekt zijn geliefde spiegelbeeld of zijn aanbeden denkbeeld.  

Het heilige is echter iets abstracts, een trilling, een gewaarwording, een sensatie, die in een flits de mens heiligt of zegent, geneest dan wel bemoedigt.  

Uit die sensatie of die zielsverrukking komen aantoonbare vruchten voort: de mens wordt edel, bescheiden of lankmoedig.  

Hij wordt veranderd.   

Is het u nooit overkomen dat een enkele druppel van deze dauw des hemels u plotseling in een ander mens verandert, met andere gedachten, andere inzichten en vooral bezield van moed?   

Doch snel daarna zal de mens weer verder leven met de vervluchtigende herinnering en duikt weer onder in zijn gewoonte-leven en de miserabele gedachten en de spanningen, de moedeloosheid keren weder alsof zij nooit zijn weg geweest. 

De geest is in hem uitgewerkt, de dauw heeft zijn arbeid voor een wijle gedaan.   

Zoals in de natuur een ochtend van dauw voldoende is voor een enkele dag, zo is een teug van het elixer der goden voldoende voor een snel voorbijgaand moment in een mensenleven. 

Daarom moet men dagelijks van het voedsel der goden eten, opdat men niet terugkere tot de trog der varkens, maar integendeel dat tegennatuurlijke voedsel verafschuwe.   

Eén enkele oerdeugd, een enkele gave komende uit het wonder-bare godenelixer is voldoende om de mens uit zijn minder-waardige bestaan op te heffen, mits die gave volkomen is en niet gemeten is naar mensenmaatstaven, maar voldoening vindt in de ogen der goden.  

Eén enkele gave, voortgebracht door een aanraking des geestes en vervolmaakt door het voortdurend zich voeden met het elixer der goden is voldoende om de mens, als schepsel des geestes, terug te brengen naar de bron des Levens.  

Waaruit geen ziekte en geen innerlijke spanningen voortvloeien, waarin geen meedogenloosheid en egocentriciteit verborgen liggen, maar die heiligt zoals de Schepper van deze bron heilig IS!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene