Pythagoras, een gnostieke realist

"Beschouw al de tijd, dat gij niet aan de Godheid 

denkt, als voor u verloren. 

Zolang gij wenst, dat uw naaste jegens u zal zijn, 

wees ook alzo jegens uw naaste. 

Hetgeen God u geeft kan niemand van u 

wegnemen. 

Doe niet en zelfs denk niet hetgeen gij niet wenst 

dat God zou weten. 

De ziel wordt verlicht door zich de Godheid 

te herinneren. 

Gij hebt in uzelf iets dat gelijk is aan God, 

gebruik derhalve uzelf als een tempel Gods 

wegens datgene in u wat Gode gelijkt....."  0

  Uit: Gulden verzen van Pythagoras.

"Acht voornamelijk degenen uwer vrienden die meer uw ziel dan uw lichaam bijstaan."  

(Demophilus - Pythagoreeër) 

In dit boek is het niet zozeer de bedoeling de groten te citeren dan wel hun actualiteit te toetsen aan onze tijd. 

Niets is actueler dan de onveranderlijke geest, altijd nieuw en toch zo oud als de wereld. Alle woorden die uit deze geest voortkomen dragen zijn eeuwigheidstempel en aldus kan men de ziel, die door de geest wordt geïnspireerd, eveneens eeuwig, onbegrensd en dus tijdloos en onthecht noemen. 

Alles wat de mens zijn begrenzing doet verliezen, alle gedachten, handelingen, woorden die onvergankelijke waarden bevatten, komen uit de ziel en de geest. 

Zij, die de ziel bijstaan zullen altijd in staat zijn de onvergankelijkheid te schouwen, de Lichtzoon in een mens te herkennen en zo zal hun wijsheid daaruit bestaan, dat zij kortzichtige onwijsheid verdragen en vergeven. 

De Timeaus van Plato, die zulk een onaantastbaar geschrift vormt met betrekking tot Atlantis, behelst de scheppingsleer van Pythagoras. 

Al de Lichtzonen interesseerden zich voor de kosmos, de natuur en de ongeschreven wetten en waarden, die erin besloten liggen. 

Het: "Zo boven zo beneden" was de basis van alle universele wijsheid. Iemand, die behoefte gevoelt aan vriendschap wenst reflectie; zoals het hemelse zich in hem reflecteert, zo wenst hij zichzelf in de naaste of soms in zijn leven te reflecteren. 

In Pythagoras zal menige geestelijke zoeker zichzelf herkennen. 

Deze kwam als jongeman in opstand tegen twee dwaasheden: het noodlot, de voorzienigheid, en het leven van de mensheid dat eruit zag als dwaasheid, smart en slavernij. 

De priesters schermden met de straf van de voorzienigheid; de gelaten mens zag in alles het noodlot, en de oppervlakkigen noemden alles dwaasheid, hoewel zij smarten leden en zich als slaven gedroegen. Daarom weerklonk in zijn hart al jong de kreet, die heden menigeen slaakt: vrijheid! 

De vrijheid van het individu dat kan kiezen tussen hemel - voorzienigheid - en aarde - noodlot - en zich onthecht aan smarten, slavernij en dwaasheden. De vrijheid om zich los te rukken van de denkdwaasheid der menigten en de arrogante geleerdheid van de priesters. 

Pythagoras is één van de enigen die het ontvankelijke principe, de goddelijke Vrouwe, ere deed toekomen. Hij is de vereerder geweest van de zwarte madonna, die de reflectie is van de witte madonna, en in haar zag hij de bruid van het mannelijk-eeuwige; zij zijn niet van elkander te scheiden; afgescheidenheid maakt zowel het mannelijk eeuwige tot een falsificatie, als het vrouwelijk eeuwige tot een misleiding. 

De eenheid is de geboortegrond van alle leven, want slechts de eenheid is in staat een tweeheid te scheppen die niet elkanders vijanden zijn. 

De mens is verdronken in de veelheid en kan, langs de weg van de getallen, niet terugkeren tot de eenheid, omdat hij de innerlijke waarde van de getallen heeft vergeten. In de schepping legde de grote Architect de ziel der getallen vast, opdat de mens erin zou lezen en deze getallen in zichzelf ook zou herkennen. 

Ook hij is een schepping op zichzelf, gehouden aan de wet van de heilige getallen, die zich alle voegen naar een eenheid: het hart. Gelijk de planeten en de sterren, de getijden en de kringloop der seizoenen onderworpen zijn aan de zon. 

Hoe kan men God herkennen als men Apollo, de geestelijke zon, niet ziet? 

Hoe kan men Jupiter, die het kind is van de liefde tussen het goddelijke en het aardse, als zijn vader herkennen als men zijn eigen hemelse gaven niet zoekt? 

Jupiter is de vertegenwoordiger van de triade, die overal te herkennen is en waarin alle leven zijn oorzaak vindt, zoals de Druïden zeiden. Dit is niet uitsluitend een theorie of een leerstelligheid, maar de overdenking van een verlichte ziel: geest, ziel en lichaam geven tezamen het leven zin; geest, ether en materie (natuur) behouden de schepping. 

Zonder ontvankelijke ziel kan de geest de natuur niet omvatten en het leven zal heengaan. 

Elk lichaam leeft bij de genade van een ziel, die contact houdt met de geest. 

Men kan zeggen: ik geloof niet aan God of de geest, maar levende bewijst men gebonden te zijn aan de geest. 

De Stoïcijnen zeiden: de oorzaak van leven ligt in de ziel en deze ziel vindt haar inspiratie in de geest. Nu kan men honderdmaal een geestelijke zoeker zijn, wanneer men niet geïnspireerd wordt door de ziel, is men geen zoeker, maar een dolende, iemand zonder bestemming. 

Het geestelijke zoeken komt uit de ziel en nergens anders vandaan! Het ego zoekt bevrediging, tijdelijke genoegdoening als reactie op teleurstellingen en onbevredigdheid. De ziel zoekt de Diepe Vrede, die wortelt in de geest en die zich uit in het geluk des harten. 

Alle begeerten die het hart verzieken ontnemen de mens zijn kans op deze Diepe Vrede, op dit onaardse geluk. 

Laten we ons niet vleien met de gedachte dat we geestelijke zoekers zijn als ons hart nog uitgaat naar materiële dingen. "Elke gedachte die niet aan de godheid is gewijd betekent verloren tijd."    (Pythagoras) 

Bij al onze daden, gedachten en woorden behoort God onze getuige te zijn. Ons leven zal aldus doortrokken worden van de geest en het moment zal komen waarop elke godloze gedachte ons smart berokkent. 

Dit is de hoogste vorm van vrijheid, dat de mens God als zijn getuige kan beschouwen en zich niet behoeft te schamen voor zijn intiemste gedachten. 

De gedachte gaat heen waarheen hij wil, zich voortbewegende op de wens des harten, gevleugeld door de begeerten of het heilbegeren. 

"De gedachte is vrij," zegt het gevleugelde woord, hetgeen een ingeburgerde leugen is, gebaseerd op de verborgenheid of de geheime plaatsen in de mens, die onzichtbaar blijven voor zijn naasten. 

Met God als getuige is alles licht, de verborgenheid bestaat niet, de nacht is slechts de rust van het licht, maar niets blijft onzichtbaar. Uit deze oergedachte, die men herhaaldelijk in Pythagoras woorden tegenkomt, ontstond later de bedreiging van het: "Pas op, God ziet alles!"  Waarop de mens trachtte zijn ongoddelijkheid en zijn goddeloosheid te verbergen en zich de schijnheiligheid ging aanmeten. 

Sommige kinderen leven in de idee dat hun moeder alles ziet en dwingen zich aldus een voorbeeldig moederskind te zijn, zonder dat hun eigen aard en hun wensen geboren kunnen worden. 

Het alziend oog is door de eeuwen heen een bedreiging geworden, maar nooit een genade. 

Hij, die leeft uit de ziel, die een vonk is van de grote wereldziel, zal het alziend oog ervaren als een begeleider die hem afhoudt van mislukkingen. Wie God als zijn getuige kan aanroepen beseft dat hij het oordeel Gods over zijn hoofd oproept, doch hij die God aanroept wendt zich altijd tot de kosmische kracht waaruit zijn kern bestaat, is die kern goddeloos, dan is de kracht die hij aanroept goddeloos en zal hij daarvan de dienaar zijn. 

Iemand, die een innerlijke god bezit zal zich ervoor hoeden God als zijn getuige aan te roepen, alvorens hij die innerlijke god dient. Eerbied voor zijn innerlijke god belet hem voortijdig God als zijn getuige aan te roepen. 

Alle gruwelen die er door de mensheid begaan zijn in naam van God en Christus, van heiligheid en kerk, zijn het gevolg van een innerlijke verdorvenheid. 

leder mens dient iets of iemand. Vrijheid is dienen, onvrijheid is slavernij. Dient men zijn innerlijke god dan is men een vertegenwoordiger van de lichtende triade. De innerlijke eenheid is dan sterk en krachtig en kan, zonder gevaar, de twee-eenheid funderen, die op zijn beurt de derde voortbrengt: het kind van harmonie en kracht, het kind van geloof en hoop: de liefde, die altijd de meeste is. 

Uit liefde kan men een Prometheus worden, een vooruitziende die alles doorziet zonder bitter, haatdragend of wanhopig te worden. 

De Doos van Pandora die alle smarten en verschrikkingen bevatte werd niet aan Prometheus gegeven, maar aan Epimetheus, de achteruitziende. In die doos blijft de hoop achter. De hoop, die de redding betekent, de beeldende kracht, het "vooruitzien". 

De hoop, die is als de harmonie van licht en duister, yin en yang, de tweeheid die de schepping in stand houdt. 

Wij allen bezitten een doos van Pandora, gegeven aan de "achteruitziende" en wordende tot een beletsel voor de "vooruitziende", maar de hoop voorkomt het afzien van de wording tot een Prometheus. 

Menigeen die zichzelf observeert, of de wereld beschouwt, wordt beangst door de verschrikkingen en vergeet de hoop, die onder alle leed aanwezig blijft. De hoop die leven schenkt; de hoop die de bruid is van het geloof; de hoop die de goddelijke Vrouwe is en die men in de natuur overal tegenkomt. 

Wanhoop is het negeren van de hoop, het willen overslaan van de tweede fase, zoals zo mooi in het Heksen-éénmaal-één *) wordt gezegd: "zwei ist keins!" (twee is geen). Zoals "niets" de vrucht is van "iets" en nooit verward mag worden met ledigheid, onwetendheid of onnut. 

Het "niets" en de twee zijn als de "hoop", die achterblijft in de doos van Pandora. 

Pythagoras zei: twee is geen macht. 

Nee, de hoop is een gave, een gedeelde kracht, zij is de schone bruid van een trotse edele één, van het geloof of de magiër (kaart één van de Tarot). 

De ontvankelijkheid, de beeldende kracht van de hoop, een goddelijke Bruid, zou zijn reflectie eigenlijk moeten vinden in de vrouw. De vrouw zou de man moeten inspireren tot geestelijke Liefde, die voor beiden het Licht zou betekenen. 

Dat de huidige mensheid verre van dit ideaal verwijderd is, komt doordat men vergeten heeft dat in de grote universele doos van Pandora de hoop wachtend is achtergebleven, bereid om zich te laten vinden. 

Die hoop betekent voor de ziel haar levensadem. 

"Gij hebt in uzelf iets dat gelijk is aan God, gebruik derhalve uzelf als een tempel Gods wegens datgene in u wat Gode gelijkt."    (Pythagoras) 

Zijn wij levende tempels? 

Wordt in ons God boven alle dingen vereerd? 

Wordt in ons een dagelijkse, ja, voortdurende eredienst gecelebreerd? 

Menigeen vindt een kwartier per dag genoeg, als hij dit al doet! 

Waarom is de mens laks geworden en weent de ziel in hem? 

Omdat een fundamentele wet wordt genegeerd: onthecht u! 

Ruk je ziel los van de aarde en plaats haar in het midden tussen hemel en aarde, opdat zij de dauw des hemels zal proeven en zich zal realiseren, dat zij uit de hemelen is neergedaald en niet uitsluitend uit de aarde is. 

Hoe rukt men zijn ziel los? 

Door de vrijheid te onderzoeken en een onderzoek te beginnen in vrijheid. Het voedsel van de goddelozen smaakt de ziel niet en elke Lichtzoon zal zich daardoor al gauw vergiftigen. 

Zou dit niet zo zijn, dan is hij geen voortbrengsel van de hemelen en wordt de dauw hem niet gereikt als een eeuwige hoop, die de horizon doet oplichten en hem vooruit doet zien in de eeuwige verten. Geen enkele Lichtzoon begraaft zich in de aarde en laat zich verteren of opvreten door het ongedierte. 

Hij, die de hoge moed bezit, bezit eveneens de nederige moed,  de deemoed; hij, die uit de hoogten gekomen is, is afgedaald in de diepten en bewaart de herinnering aan de hoogten. 

Hoe kan men zulk een herinnering verliezen? 

Is deze niet ingeschapen? 

Hoe kan men zeggen: "Ik zoek de geest," terwijl woorden, daden en gedachten gedrenkt zijn in godloosheid? 

"Datgene wat gij boven alle dingen eert, zal heerschappij over u hebben. Indien gij u overgeeft aan de heerschappij Gods, zult gij alle dingen beheersen." 

Een aloud, actueel woord. 

Iedereen zal zeggen: Dat weet ik wel! 

Wel, wáár is dan de getuigenis van dat weten? 

Waaruit of waardoor bewijst deze mens zijn weten? 

"Och, dat weet ik allemaal al," zegt de zatgegeten mens, doch de geest is zijn getuige niet, omdat hij zich voedde met geestloosheid. 

Alles weten is niets weten en niets weten is deemoed, omdat het niets is als de nul, de volheid. 

De volle aar buigt deemoedig zijn hoofd. En uit dit niets komt weer de eenheid voort, die de oorzaak van alle dingen is, die de beweging en de wenteling van het wiel brengt en zo de Weg terug tot dit niets openlegt. 

Tussen iets en niets liggen de heilige getallen van Pythagoras. De heilige getallen die het leven zijn; die zich in u en mij bevinden; die door ons tot leven geroepen moeten worden; die zijn als de kleuren van de regenboog; die zijn als de heilige krachten, die worden tot een volheid, waarin men ondergaat in het niets. 

Hij, die uit dit niets komt, wordt allereerst de één, het inzicht, de motorische kracht die ons aanspoort tot waarlijk Leven; daarna komt de harmonie, de twee. 

De verborgen kennis, de gnosis, staat in hart en ziel op en bezielt ons door de verbeelding en doortrekt ons met een levende hoop, die alles verlicht en tenslotte het Licht zelf voortbrengt, de jupiterische, etherische goddelijkheid, het goddelijke aanzicht van de ziel, datgene wat Licht aan haar is! 

Datgene wat de duisternis doet verlichten en haar achter de verschrikkingen laat schouwen en haar bemoedigt. 

Vader Ether roept dan zijn aandeel tot zich en zo zal de ziel zich losrukken van de aarde en door middel van de ether de hemelen schouwen, en verrukking zal haar deel zijn als zij de vreugdetranen van haar hemel drinkt. 

*) Das Hexen-einmal-eins uit de Faust van Goethe. 

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene