Jacob Boehme, de bescheidene

"Indien gij nu de heilige God aanbidt, zo bidt gij Hem aan in de hemel die in u is ....."  

Jacob Boehme  

Hoewel de historici Jacob Boehme niet rekenen tot de gnostieken, maar hem trachten onder te brengen bij de Lutheranen, zijn zijn woorden duidelijk gnostiek: d.w.z. geïnspireerd door de directe Kennis des harten. 

Ook de wijzen die soms anders worden genoemd, bezitten de wonderbaarlijke wereld van de gnosis in zich, want niet de historicus selecteert, maar de geest. De gnosis is slechts te volgen door middel van de wijze woorden van de gnostieken, en nooit via hun levensgeschiedenis of historie. 

Men kan een gnosticus vinden op de kansel van een kerk; in de tempel van een sektarische groepering, en in de gewijde ruimten in Oost en West, zowel als in de vrije natuur. 

De gnosis is niet in te dammen, noch te begrenzen door een etiket of een organisatie; zodra de gnosticus in een mens ontwaakt, heeft hij lak aan zijn naam en aan zijn uiterlijke situatie en volgt hij slechts hetgeen hem in de heilige verbeelding wordt voorgehouden. 

Men vindt gnostieken onder alle rassen, bij alle volkeren en in alle landen; zij zijn voortgekomen uit groeperingen, en uit de afgescheidenheid. 

Jacob Boehme heeft recht op zijn plaats onder de gnostieken, omdat hij een eeuwigheidstaal sprak, die nooit zijn actualiteit zal verliezen. Sommige moderne groeperingen pronken met zijn naam en strijden om de eer, waardoor aan zijn nagedachtenis schade wordt gedaan. 

De geest van Boehme heeft zich gevoegd bij de geest van alle wijzen en zo werden zij één. 

"Hoe kan ik de wijzen begrijpen als ik niet uit dezelfde geest ben?" 

Hoe kunnen wij, uiterlijk wellicht eenzelfde idee toegedaan, elkander begrijpen als wij niet uit dezelfde geest leven? 

Als die geest niet één met ons leven en denken is? 

Woorden baren de veelheid die onderling strijdt; en zo de veelheid niet uit de eenheid gekomen is, is er niet dezelfde stam en verdeelt de veelheid zich in wezens, die alle een eigen leven gaan leiden. 

Aldus werd de wereld overbevolkt door de godloze werken van door mensen geschapen wezens, die verwarring brengen, omdat zij de ene geest niet bezitten. 

"Zie, gij blinde heiden, schriftverdraaier en schriftverbreder, doe uw ogen wijd open, schaam u niet voor deze eenvoudigheid. Want God ligt in het centrum verborgen en is nog veel eenvoudiger. Maar gij ziet Hem niet!" 

Uren met Boehme. 

De eenvoud is de kracht van de veelheid; want in de één-voud liggen alle machten van de veelvoud; eenvoudig zijn betekent krachtconcentratie en is heel wat anders dan primitief of simpel zijn. 

De filosoof houdt niet op met zoeken voordat hij de kern van alle dingen gevonden heeft: de een-voud. Filosoferen is tastend zijn weg zoeken naar de kern; alle woorden van de wijzen zijn als edelstenen, die hun weg naar de kern markeren. 

Hij, die deze edelstenen volgt zal de kern eveneens vinden. 

Maar hij moet elke edelsteen oprapen en zelf nieuwe neerleggen voor zijn navolger. Een geestelijk mens ziet en volgt niet slechts de edelstenen der gnosis, maar hij verzamelt hen in zijn hart, waar hij hen hun glans hergeeft en ze daarna opnieuw neerlegt op de weg tot de kern der dingen. 

Het hart van een mens kan zulke edelstenen alle dragen zonder dat dit te zwaar zou worden. 

Hoe zou hij kunnen zeggen: "Ik ben oververzadigd", als hij hen slechts hun glans hergeeft en dan opnieuw neerlegt op de weg? 

Niet de gulzige schrokop is een waardige zoeker, maar de eerbiedvolle verzamelaar, die afstand kan doen van het waardevolste, omdat hij dit levend omdraagt in zijn hart. 

In de ziel van het allerkleinste goddelijke, dáár ligt God; dáár ligt wijsheid, geluk, vrede en de eenvoud, die zich niet schaamt voor zijn eerlijkheid. De eenvoud dringt door gestamelde woorden heen, flikkert in de waarheid en voelt zich wel in de deemoed. 

Juist de eenvoud getuigt van grote moed, van de "goede moed" (oerdeugd van Mars), omdat zij zich niet schamen kan voor zichzelf. 

De universitair geschoolde theoloog leert tijdens zijn studie niet de eenvoud, maar hij leert zichzelf verbergen en zal de eenvoud slechts terug kunnen vinden door de drievoudige weg Gods: het experiment, de wijsheid en de barmhartigheid. 

Via deze werken arbeidt God. 

Er is géén wijze die hen niet heeft gekend, zij zijn onafhankelijk van plaats of etiket; daarom vindt men de vrucht van deze drievoudige arbeid overal. 

Jacob Boehme wordt dikwijls gelaakt, omdat hij een leek was in de theologie en "slechts" een eenvoudige schoenmaker. 

Maar de gnosis trekt zich van het ambt van zijn uitverkorene weinig aan, hetzij dan dat deze bezig is zijn ziel te besmetten. 

De gnosis komt niet via handen of breinen, maar zij treedt binnen via hart en ziel en zo deze "rein" zijn gebleven, kan deze gnosis zich uitdrukken. Hoogstens kan men moeite hebben om haar uit te drukken in directe taal, maar dit wordt onbelangrijk als de woorden doorlicht worden. 

"Het brein in het hoofd heeft zijn oorsprong uit de kracht des harten." 

Uren met Boehme 

Medegesleept worden door een bezieling verleent de mens de gave om zich uit te drukken. Het is de overgave in zijn meest actieve vorm, waarin alle bezwaren en angsten van het ego wegvallen en de volkomenheid bezit van hem neemt. 

Uit het ego komt het: "Wat ik doe is niet goed; zal ik het goed doen? Laat ik het niet doen, want ik kan het niet." 

Door Boehme, en met hem door andere lekenpredikers, is volkomen bewezen, dat door de bezieling de begrenzingen van het ego wegvallen, omdat men uit en in een andere sfeer leeft en denkt. Men kan iets niet, zodra het ego vreest iets niet te kunnen.  

Het brein heeft zijn grenzen en put uit het positieve: "Ik kan alles!" , dikwijls direct gevolgd door het negatieve: "Ik kan niets!" 

In de bezieling denkt de mens daar niet aan, hij beweegt zich op een ziele-stroom en geeft direct gehoor aan zijn innerlijke ingevingen. Terwijl hij dat doet is hij gelukkig, neemt een Diepe Vrede van hem bezit. Om deze bezieling te ontdekken moet iemand drie dingen ervaren en daaraan ontkomt hij niet: "lijden, zich vernieuwen, kiezen". 

Hierin kan men de woorden van de Boeddha herkennen. 

Door lijden loutert men zich. Maar slechts door het lijden dat vernieuwing brengt en zelfkastijding brengt geen vernieuwing, maar wrok, zelfhaat en zelfmedelijden. Alle wijzen hebben geleden, als een ervaringsproces. Het ijzer dat de grootste hitte verdraagt is het hardste, een proeve voor de innerlijke. standing van de mens. 

Hardheid is geen hardvochtigheid; hardheid is de kracht tot de omzetting van lijden. 

"Zo denkt gij dat Ik lijd en toch lijd Ik niet," zegt Jezus in het apocriefe Johannes-evangelie. 

Als men de levens van Boehme en andere wijzen naleest, verwondert men zich erover hoe zij dit alles hebben kunnen doorstaan. 

Wel, door hun eenvoud. 

Hun één-zijn met hun Kern, met hun innerlijke God, of hoe men hen ook noemen wil. De standvastigheid in deze eenheid en nooit meer "daaruit gaan". Om zich door dit lijden te kunnen louteren en zich te "vernieuwen", moet men de bezieling hebben van de eeuwige hoop. Men hoopt niet "tegen beter weten in", zoals de volksmond wel eens zegt, maar men hoopt uit een geestelijk weten en het is mogelijk dat de aardse mens hierin onwetend is, maar de ziel weet. 

De ziele-hoop is als een eeuwig schijnend Aurora achter de bergen van het lijden, als een koesterende warmte en als een licht in de duisternis. Slechts de Kracht en de Kennis vanuit deze Hoop doet de mens het lijden doorstaan en omzetten in heiliging. 

Zelfkwelling is een provocatie van God: "Zie, God, hoe ik lijd, beloon mij nu!" 

Alsof deze God niet zou weten dat men zichzelf kwelt om zichzelf te straffen dan wel om Gode te behagen; maar het lijden dat loutert ontvangt men gratis en menigeen zegt dan: "Ik begrijp niet dat hij of zij zulke kwellingen moet doorstaan, hij of zij is toch een goed mens?" 

Wel, waarschijnlijk een waardevol mens. Louterend lijden is voor de uitverkorenen, zoals Paracelsus zegt: "Gelukkig hij die waard is een kruis te dragen." 

Men zoekt zelf zulk een kruis echter niet uit, het wordt opgelegd. En deze kruisoplegging geschiedt na DE keuze. 

De derde onontkoombare noodzakelijkheid om waarlijk "Mens" te worden is nl. De Keuze. 

Het kruis komt niet vóór, maar ná deze Keuze, omdat hij, die de kruisgang-der-Rozen of de weg tot de Diepe Vrede gaat, accoord is gegaan met een geestelijk dienaarschap. 

Prometheus haalde het vuur van de Olympus, niettegenstaande hij zijn lijden of zijn kruis vooruit zag. 

Men acht het lijden niet als men bezield is door de geest, noch tart men dat lijden of vleit men God. Men gaat de weg, die door de bezieling wordt geëxploreerd en wat deze brengen zal beseft men, weet men, maar men kan niet anders. 

Dat heet De Keuze doen. 

Dat is een onontbeerlijke noodzakelijkheid om "Mens" te worden in de ware betekenis. Maar, omdat de "hemel en God" in deze mens zijn, bemerkt hij zijn lijden niet, maar zet doorlopend om, herschept. 

Velen lijden dikwijls zonder nut en dat brengt geen loutering. 

Velen scheppen moeilijkheden en tegenstanden en doen enkele malen per dag wellicht een keuze en toch vernieuwen zij zichzelf niet. 

De Keuze doen, zoals Jezus, Osiris, Orpheus, Pythagoras, Herakles en vele anderen deden, is een gevolg geven aan een dwingend innerlijk verlangen. Zoals een mens om natuurlijk en evenwichtig te blijven de wensen van zijn hart moet volgen, zo moet de Lichtzoon de wens van zijn ziel volgen zonder daarin verandering te brengen. 

Overweeg niet of deze keuze goed zou zijn, dat ontneemt u de kracht om te volbrengen hetgeen u innerlijk wenst. 

Overwegen is Be-denken, Na-denken en Na-denken is als de broeder van Prometheus: Epimetheus (zijn naam betekent: achteraf-denker), die Pandora en haar ellendige doos aan zijn zijde kreeg, hoewel die doos uiteindelijk voor Prometheus bestemd was. 

Ziehier, de diepe symboliek: De achteraf-denker, de Epimetheus, haalt zich de begeleiding van Pandora en haar doos op de hals, terwijl hij aan de hoop op de bodem voorbijgaat; deze Hoop is als vooruit-denken, Prometheus. 

Epimetheus is gebonden aan Pandora met haar ongeluksdoos, zonder enige hoop, Prometheus werd er niet door getroffen. 

"Als ik me had bedacht had ik het anders gedaan," zegt men soms. 

Men moet echter niet nadenken, maar in zichzelf inkeren en de Hoop schouwen, die zijn schone uitzicht tekent aan de horizon achter het dagelijkse bestaan. Zo belevendigt men zijn goede moed en "overwint men de wereld van het heden" en kan men, ondanks dat men zichzelf slechts een eenvoudig mens vindt, een wijze worden, door middel van de dingen die men in de geest onderkent. Dan is het onbelangrijk waar men werkt, of men een universitaire opleiding heeft of niet, het gaat er dan slechts om of men in staat is vanuit de ziel te onderscheiden en of men nog een levende ziel en een rein hart bezit, waardoor bloed en aura door het Leven worden bezield. 

"Er voert een heel eenvoudige kinderweg tot de hoogste wijsheid," zegt Boehme. 

Is het dan niet tragisch en tegelijkertijd lachwekkend, dat de volwassen mensen zich zo dikwijls in angst en twijfel afvragen of zij wel "goed staan" op die kinderweg en of zij wel juist deze weg bewandelen en wáár zij staan op die weg? 

Weet u wat een kinderweg is? 

Hij bestaat niet in werkelijkheid! Hij begint in de fantasie van het kind en dit volgt hem tot aan een doel en is ervan overtuigd, dat die weg werkelijk bestaat. 

Men moet "kind" zijn om in zulk een weg te geloven. Want meent niet dat het "kind" slechts droomt van zulk een weg, het bewandelt deze werkelijk en zijn wereld is er vol van. 

De volwassen mens, bedrukt door eigengemaakte beletselen, vol van spot en neerbuigende vriendelijkheid tegenover de kinderwereld, maakt zich zorgen over een weg, die eigenlijk bestaat uit de éénvoudigheid, het één-zijn met de beeldende Hoop. De weg is in ons. 

De Stem van de Stilte zegt: "Wij zijn de weg." 

Zonder het kind is de kinderweg er niet, zonder ziel is de zieleweg er niet. Elk kind heeft zijn eigen weg, zoals elke Lichtzoon, het Kind Gods, zijn eigen weg heeft. 

Vraag uzelf daarom niet of u gevorderd bent op die weg, want zo u dit vraagt, kent u die eenvoudige "kinderweg" nog niet. 

Het kind vraagt niet: "Waar ben ik op die weg?" Hij ziet zijn weg en volgt hem. 

Prometheus en alle wijzen zagen hun weg voor zich en volgden hem. Het durven kind te zijn is de eenvoud terugvinden in hart en ziel en de schaamte en de drogredenen van de volwassenen afleggen. Het kind hecht geen waarde aan uitzinnig luxueuze cadeaus, het is blij met de eenvoud, omdat het de ziel van het geschenk ziet. 

Het is de gave, die menig volwassene dreigt te verliezen of heeft verloren. Spiritualiteit moet dikwijls omgeven worden door dure woorden, ingewikkelde leringen en terminologieën en vooral bekroond worden door allerlei graden en inwijdingen, dan pas heeft zij waarde! Wat een waan! 

Slechts de wijze, die wederom is als een kind, glimlacht in Diepe Vrede als hij de eenvoudige geest vindt. 

De gnosis is eenvoudig, maar niet simpel. De gnosis is voor de reinen van hart, maar niet voor de zieke en bittere harten; de gnosis is voor hen die kunnen bidden en hun hart durven overdragen. De gnosis is voor hen, die waarlijk leven en die hun leven de kleuren geven van de rijpe beeltenissen van het kindschap Gods en Leven is als de Goede Moed volgen, die de mens bij zichzelf en zijn innerlijke God terugbrengt, omdat door "de Goede Moed" de wereld overwonnen wordt. 

Herken deze realiteit uit de tijd dat we waarlijk "Kind" waren, lezer, en herinner u de vreugde, het grote Geluk en de Diepe Vrede; herinner u de Zangen der Sferen en beluister wederom het Lied van de Ziel, dat Uw Vader-Moeder u meegaf en hoor de woorden die Hij spreekt: 

"Kom toch weder, kom toch weder, Zoon van Mijn Licht, want uw tijden worden vol!" 

God geve dat gij dit Lied waarlijk verneemt, nu en in de komende levensdagen.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene