Gnostieke moraal

Het Manicheïsme heeft kunnen bestaan tot in de 13de eeuw en was verbreid over vrijwel geheel de wereld. 

De historici verwonderen zich erover hoe een gnostieke sekte, die zo gruwelijk werd vervolgd, zichzelf zolang heeft kunnen handhaven. 

De gnostieken die elkander niet beconcurreerden kenden één gemeenschappelijke levensrnoraal, gefundeerd in het principe: reinheid, waarheid, liefde. 

Een parool dat men ook tegenkomt in de apocriefe woorden van Jezus Christus. 

Men ging ervan uit dat degene die onheiligheid nalaat in gedachten, woorden en daad ook niet door het onheilige zal kunnen worden bezeten. 

De natuur is in zichzelf rein, d.w.z. neutraal; zij heeft vanuit zichzelf geen binding met het onheilige, doch het onheilige legt beslag op haar instrument. De mens, begiftigd met een denkvermogen, kan bewust kiezen tussen het heilige en het onheilige, zoals dit vanuit de natuur tot hem komt. 

Vanuit de natuur en vanuit hemzelf. Geestelijk rein zijn wil altijd zeggen: het hart levend houden als woonstede van de geest. 

De geest schuwt het onheilige en verlaat diens woonplaatsen. 

De woorden: Houdt uw hart rein, houdt uw hart beschermd en diverse andere citaten die op het hart betrekking hebben, komen uit gnostieke bronnen, waar men dit hart een speciale taak toeschreef als "poort der ziel", of poort des levens, of woning van het geluk en de geest. 

Reinheid is neutraliteit in de hoogste betekenis van het woord en het heeft niets te maken met enige vorm van fanatisme of voedingsvoorschriften. Je zou het wel een geestelijk dieet kunnen noemen, waaruit logischerwijze een veranderd natuurlijk dieet volgt. 

Men kan het hart niet dwingen rein te zijn, maar het is vanzelfsprekend rein als de gedachten, de impulsen daarachter rein zijn. 

En wat is waarheid? 

Verandert die waarheid niet met het beklimmen van elke bergtop? 

Hoe kan men iemand deze waarheid uitleggen als hij de mogelijkheid niet bezit over de volgende bergtop te schouwen? 

De waarheid bestaat niet bij de gratie van het geloof en het gezag, maar is absoluut empirisch. Daarom is zij zo verschillend in ieder mens: uw waarheid is wellicht niet mijn waarheid, hoewel zij elkander mogelijk kunnen raken. Zij is echter zo immens groot, zo vol van schakeringen en kleuren, dat men de waarheid nooit in haar geheel kan omvatten. 

Men mag zich gelukkig prijzen als de schaduw van de waarheid als een koesterende mantel om zijn ziel wordt heengeslagen. 

De waarheid kan de mens bezitten zoals de gnosis hem bezitten kan. Daarover heeft de mens zelf, als ego, niets te vertellen. Daarom kan de wijze zonder inspanning deemoedig, eenvoudig en bescheiden blijven. 

Hij doorschouwt de immensiteit van de waarheid en deze stemt hem zielsblij, doch verhoogt noch streelt zijn ego. 

De waarheid is hard als een steen, scherp als een mes, zacht als een liefdevol hart en verdraagzaam als de wijsheid. Niet voor niets vertelt men van de Katharen dat zij hard en consequent voor zichzelf waren en daar tegenover verdraagzaam en toegeeflijk voor hun sympathisanten en gelovigen. 

Men kan zijn eigen wet niet aan de medemens opleggen. 

Wie beoordeelt het instrument, dat die wet moet volvoeren en zijn juk moet dragen? 

De mens verschilt van individu tot individu; slechts de massa is als een log beest, dat zijn individuele geest nog niet heeft ontdekt. Elke zoeker naar de gnosis heeft zich vrijgemaakt van die massa en wordt op de weg geplaatst, waar hij zijn individuele geest zal ontmoeten. Zijn geest des harten. 

En zijn ziel zal hem daarheen leiden. 

De moraal van iedere gnosticus - en er zijn maar weinig werkelijke gnostici - bestaat uit het scherpe zwart-wit tegenover zichzelf en de vele kleurschakeringen tegenover zijn medemensen. Hij is compromisloos ten opzichte van zichzelf, maar welwillend tegenover zijn naasten. In de ogen van zijn medemensen is hij wellicht een fanaticus, omdat zij zijn gedachten niet kennen. Zolang hij echter zijn wet niet aan zijn naasten opdringt, is zijn fanatisme slechts het consequente uitvloeisel van zijn gedachtengang. 

De strenge hand die hij zichzelf oplegt heeft te maken met die andere kant van de liefde, die de onvolwassen geestelijke mensen nog niet kennen of niet willen kennen. 

De liefde is principieel, zij tolereert geen compromissen van haar geliefden. Het is een "alles of niets" gegeven waarover veel te zeggen valt, maar die slechts weinigen begrijpen. 

Vandaar dat de wereld vol is met compromissen en dat de religies binnen onze maatschappij gefundeerd zijn in het compromis, anders zouden deze religieuze vormen onmogelijk worden. In de esoterie is dit hetzelfde. Georganiseerde esoterie wordt gebonden aan compromissen, anders is zij zonder bestaansmogelijkheid. 

Zodra de mens zichzelf spiritueel ondergeschikt maakt en zichzelf ordent in een religieuze organisatie, verliest hij zijn "geest des  harten", die zich nimmer schikken kan naar de wet van anderen. 

Men kan naar elkaar toegroeien, maar alles groeit in vrijheid; men kan elkanders wetten respecteren, dat is een vorm van menswaardigheid; men kan van gedachten wisselen en vooral naar elkander luisteren, dat is een natuurwet, een ingeschapen harmonie binnen de natuur. Door het luisteren, het opnemen, groeit de mens. 

Door het uitstralen, afgeven, schenkt hij bloesem en vrucht.   

Liefde kent zowel het eerste als het laatste; er zijn zoveel vormen van liefde als er facetten van de waarheid zijn.   

Liefde groeit met de mens mee en wordt volwassen met hem, wordt wetend, schouwend, herkennend. 

Hij die rijpt, kan verdragen en verdraagzaam zijn; hij die onvolwassen blijft, handhaaft zichzelf door agressie. Al de gnostieken bezaten de gave van de verdraagzaamheid en het zwijgen; van de duldzaamheid en het begrip tegenover hun in slavernij verkerende agressors. 

Hij, die vrij is in denken en gevoelen en de innerlijke vrijheid op zichzelf bevochten heeft, hij kent geen agressie, noch onverdraagzaamheid. Hij heeft de grootsheid van de geestelijke universaliteit ontdekt en hij ziet slechts gevallen en worstelende Lichtzonen, onverschillig waar deze zich bevinden, onverschillig hoe men hen pleegt te noemen en onbelangrijk hun gradatie van onwetendheid. 

De adem van de gnosis irriteert de gevangenbewaarders, appelleert hun gevangenen en geeft hen een sleutel in handen, die zij echter zelf moeten hanteren. 

Liefde zaait volwaardig zaad, maar vraagt nooit naar de oogst. Zij telt de oogsters niet, omdat zij weet dat zij met weinigen zijn; zij verwacht niets, hoopt slechts. Daarom is zij streng voor haar geliefden, daar deze sterk zullen moeten zijn, juist omdat zij met enkelen zijn. De historie bewijst dit. 

Deze zaaiers fundeerden geen kerk, noch een lering, noch een dogma. Zij zaaiden de gnosis. Deze gnosis is onsterfelijk, zoals alle historici moeten bevestigen. 

Namen verwisselen, etiketten vallen weg, maar de vlam van deze gnosis wordt verder gedragen. Geen van de gnostieken bewaarde deze voor zichzelf om er enkele uitverkorenen mee te verwarmen, neen, zij deelden rijkelijk uit, onverschillig hoeveel zaad er wellicht op rotsige bodem verloren zou gaan. 

Is de wind er niet om het zaad eventueel in vruchtbare bodem te waaien? 

Is die wind niet één van de vijf assistenten van de "eerste Mens"? 

Hoe dikwijls gebeurt het, dat rotsige bodem zijn zaad afgeeft, dat oppervlakkigen spreken over de gnosis en een attent oor vinden? 

Hij, die getuigt van de gnosis zaait dáár, waar hij land vindt en laat de verdere arbeid aan zijn "assistenten" over: de lucht en de aarde, de wind of de ether, het water en het vuur. 

Zijn al deze elementen niet in de mens? 

Wellicht is één van hen ontvankelijk en inspireert de overige elementen. Dat is de gnostieke moraal: streng voor zichzelf, verdraagzaam en vergevend tegenover anderen. 

In een wereld die zo doordrongen was van de gnostieke idee als in de eerste eeuwen onzer jaartelling, was het geen wonder, dat gnostieke stromen zich overal manifesteerden. 

Zij droegen toen, vooral in Europa, de mantel van het oerchristendom. En waarom niet? 

Verwelkomden de Druïden de eerste christenen ook niet met een glimlach, op de manier van de gnostieken, liefdevol, als vrienden, omdat zij allen uit één geestelijke bron putten?

Naast de Manicheeën waren er b.v. de Paulicianen in Armenië en hun leer, zo zegt de historicus, beweegt zich tussen die van Zoroaster en Christus. Vanuit Armenië begaven zij zich naar de Balkan en zo ontmoetten zij de Bogomielen uit de Slavische landen. 

De Bogomilen zijn lange tijd een mysterieuze sekte geweest en zoals het met veel gnostieke sekten het geval is, zij zouden hun opvolgers hebben in onze tijd, zoals de Katharen, de Alchemisten, de Rozekruisers, de Zoroasterianen en zovele anderen hun zg. opvolgers zouden hebben in onze eeuw. 

Groeperingen, die hun leer uit de historie overnamen, al dan niet een tijdlang bezield werden door een eerlijk, gnostiek mens of iemand die daarnaar streefde. 

Doch de tijd van de gnostiek, zoals die eens leefde, lijkt voorbijgegaan te zijn. Evenals met het christendom gebeurde, heeft men de gnostiek vastgelegd in geschriften en dogma's en neemt men nog slechts nota van haar uiterlijke kleed. Doch nu is de tijd van het demasqué aangebroken, een tijd van onthullingen uit stenen en geschriften, een tijd van ontmanteling en onderzoek. Daardoor zal de gnosis wederkeren in de herinnering der mensen. Niet als een dogmatische sekte, noch als een op schrift gestelde leer, maar als een flambouw, een fakkel die gedragen wordt door enkelen, enkele Lichtzonen, die streng zijn tegenover zichzelf en liefdevol en verdraagzaam tegenover anderen. 

Die echter één ding niet gedogen: verminking van de gnosis, popularisatie van het heilige, of verkrachting van de spiritualiteit. 

En alle dogmatiek, alle begrenzing van de denkvrijheid zijn als een verkrachting van "de Maagd", zoals de troubadours hun gnosis noemden. Deze "Maagd" wordt gevangen gehouden door haar wettelijke echtgenoot, de kerk, het dogma, de organisatie en zij zoekt haar vreugde daarom in de vrije en verborgen liefde bij haar amant, haar ziel of haar innerlijke mens. 

Zal niet elk woord van de gnosticus zijn als een vleugje gnosis, waardoor Lichtzonen de roep van de Hoogten opnieuw herkennen? 

Kan hij, die door de gnosis gedrongen wordt, anders doen? 

De Paulicianen herkenden in de Bogomielen het fundament der gnosisdragers: reinheid in levenshouding, eenheid in mens en natuur, de vrijheid van de universele geest en de levende waarheid, die zich beweegt door dalen en over hoogten en de liefde, die alles verdraagt, behalve de ontrouw van haar geliefde. 

Ook van de Bogomilen bezit men slechts berichten via hun tegenstanders, maar hun nagelaten symbolen zijn dezelfde als die van de Manicheeën, de Perzen, de Egyptenaren. 

Hun legenden zijn net zo verborgen, doch weven zich ook om die ene oerlegende van de gevallen Lichtzonen en de eerste Mens, Adamas-Hevah, die twee-in-één was. Ook zij gingen uit van een oorspronkelijke spirituele wereld waarin God, als drie-eenheid, regeert. 

In God is de Vader, de Zoon en de Moeder. Hij is, zoals de Chinese filosofie zegt: Tai Chi. 

De geest is zijn adem, zijn Chi. 

Satan is zijn zoon, die zich in hoogmoed tegen hem verzette.

Hij schiep de uiterlijke wereld waarin, omdat hij tevens goddelijk was, Chi of zijn adem besloten ligt. Slechts de innerlijke wereld doorschouwt en bezit Chi of de geest als ondeelbare eenheid; de uiterlijke wereld is tijdelijk, zoals de gevangenschap der ziel, of de val van Satan tijdelijk is. 

Met zijn terugkeer vervalt de uiterlijke wereld. 

Een ieder, die de uiterlijke dingen aanbidt, negeert of verraadt de innerlijke wereld, Chi, de Adem Gods, de geest. 

Het innerlijke komt naar buiten door het uiterlijke; als het innerlijke wegvalt is het uiterlijke dood. Dit is een zuiver universele idee, die men over geheel de wereld terugvindt. 

Bij de Bogomilen kende men, evenals bij de Mandeeën, een doop des waters en een doop des vuurs. 

De doop des waters bestond uit een reine levenshouding. 

Zij moesten "rein worden als een klaar murmelende beek" en zo zij dit stadium bereikt hadden, waren zij gedoopt met het levende water. Daarna zou de doop des vuurs kunnen volgen, die de Bogomilen "de doop des geestes" noemen. 

De berichten hierover zijn zeldzaam, maar er schijnt een lange periode van voorbereiding of inwijding aan vooraf gegaan te zijn. Daar zijn totaal geen berichten over. 

Zoals er over de grote mysteriën van Eleusis geen berichten zijn, maar slechts over de kleine mysteriën. 

Men spreekt niet over de stap van rups naar "pop"; noch kan men spreken over de waarheid, die elke keer als men erover spreekt van vorm verandert. 

Veranderen onze zintuigen niet alles naar de staat van onze innerlijke nog onvolgroeide mens? 

En in hoeverre luisteren onze innerlijke zintuigen mede door onze uiterlijke zintuigen? 

In hoeverre zien, horen, proeven, dulden, ademen, gevoelen, denken wij de waarheid? 

In hoeverre slagen wij erin deze innerlijke gaven te vormen, samen te voegen tot een "pop", een parfait, die een Bonhomme zal worden, een edele der gnosis? 

De leider der Bogomilen, Nicetas, reisde op een dag naar Frankrijk om daar de verspreide groepjes der Katharen samen te voegen, een hechte kern te vormen tegenover de overmacht der inquisitie. 

Eenheid is macht, ook in het geestelijke. En zelfs als de uiterlijke vormen vernietigd worden, zal de innerlijke eenheid overblijven, want zulk een eenheid ontsteekt de fakkel der gnosis. Men moet slechts vrij, moedig, en vooral rein en principieel durven zijn om zulk een waarachtige eenheid, een één, een gnostieke magiër te worden *), die door de gehele mensheidshistorie heen een onvernietigbare gnosis in vlammende letters aan een hemel schrijft, die explodeert in de zeven kleuren van de goddelijke genade. 

*) Kaart no.1 van de Egyptische Tarot.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene