Getuigen van de gnosis II

In de echo's van de gnosis der oude boodschappers komen we al heel snel Mani en zijn volgelingen tegen. 

Mani werd op 14 april 216 n.Chr. in Babylonië uit Perzische ouders geboren. *) 

Zijn vader, Patèk, was een geestelijke zoeker die contact onderhield met de gnostieke sekte van de Mandeeën, de volgelingen van de Essener, Johannes de Doper. 

In de Manichese leringen kan men dan ook duidelijk gedachten van de Mandeeën, van Zoroaster, van de Essenen en van de Joodse kabbalisten herkennen. 

Het Manicheïsme fundeerde zich, zoals alle gnostieke leringen deden, op de universele legende van de eerste Mens, Adamas, die geholpen door zijn 5 assistenten: de lucht, de wind (ether), water, aarde en vuur, de aanval vanuit de luciferische gebieden moest beslechten. 

In de legende leest men hoe deze eerste Mens, bij Zoroaster Ormuzd genaamd, wordt overwonnen door zijn tegenstanders, waardoor Adamas en zijn 5 assistenten een vermenging van duisternis en licht werden. Vanuit het noorden komt het licht, vanuit het zuiden komt de duisternis tot hem en hij is een gevangene tussen deze beiden. 

Deze, natuurlijk dikwijls verbasterde legende, geeft een zuiver gnostieke opvatting weer. De gevangen eerste Mens moet zevenmaal tot God bidden om verlost te worden uit zijn gevangenis. Daarop zond God een "levende geest vergezeld van de Moeder des Levens tot hem" om hem te bevrijden, maar hij liet op aarde zijn vijf assistenten achter, waarin zijn ziele-essentie verborgen bleef. Aldus bezit de natuur in zijn vijf elementen iets van de lichtende geest van deze eerste Mens, en elke na hem komende gevangen genomen zoon des Lichts zal in staat zijn terug te keren tot God, indien hij de ziel uit de vijf assistenten bevrijdt en de zeven gebeden opdraagt, die de poort tot Gods Rijk openen. 

Men behoeft slechts aan het symbolische pentakel te denken en aan de diverse leringen die spreken over een voorbereiding in zeven stadia, om deze oude Manichese uitspraak terug te vinden. 

De vijfpuntige ster is sinds onheuglijke tijden als gnostiek symbool gebruikt en dit werd door diverse moderne sekten overgenomen. Hij wordt zowel als een symbool van de heiligheid als van de onheiligheid beschouwd. In zijn heiligheid symboliseert hij de vijf assistenten van de eerste Mens, in zijn onheiligheid de vijf elementen, die zichzelf hebben laten verontreinigen door de duisternis. 

Met de punt naar boven gericht is hij heilig, met de punt naar beneden is hij onheilig. Men vertaalt hem ook wel als een symbool van Christus en van Lucifer. 

Gnostieke symbolen vindt men door geheel de historie en zij kunnen gemakkelijk worden overgenomen, maar, zoals met elk symbool, verliezen zij hun kracht, indien slechts hun uiterlijke kleed wordt gebruikt. 

Hoewel de historici de gnostieke vertegenwoordigers trachten in te delen in sekten, dogma's en wetten, is er geen duidelijke afscheiding merkbaar tussen de vertegenwoordigers der gnosis vanaf de jongste tijden tot in de middeleeuwen. 

Zij hielden allen contact met elkander en beconcurreerden elkander niet. Hun volgelingen bevonden zich overal verspreid en mengden zich onder elke gnostieke sekte uit die tijden. 

Vandaar dat Manicheeën en Katharen in de 11de eeuw vredig naast elkander leefden en elkanders ritualen volgden en dat de bekende Manichese leider Fortunatas op zijn vlucht uit Azië een asiel vond in de Champagne op het kasteel van Mont Wimer, waar zowel Manicheeën als Katharen leefden. 

Het gnosticisme kenmerkte zich altijd door een minimum aan organisatie, daar de uiterlijke vorm nimmer de aandacht moest afleiden van de spirituele essentie en zo vormden hun aanhangers kleine groepjes, die elkander als mens en vooral als naasten konden ontmoeten en verstaan. 

Het gnostieke rituaal bestond altijd uit een summiere plechtigheid, waarbij de opzet was de ziel of de essentie van de eerste Mens te bereiken door middel van de mystiek van de gnosis. 

Het spirituele fundament bestond meestal slechts uit zulk een rituaal en verder deed men niets anders dan getuigen van de gnosis, de kennis des harten en het herhaaldelijk wijzen op de "legende van de eerste Mens", die zij als een realistische gebeurtenis beschouwden. 

Een gnostiek rituaal is derhalve niets anders dan een verheffing van de oorspronkelijke Lichtzoon, die in ieder mens leeft. 

Daar de berichten over het Manicheïsme schaars zijn, tast de historicus vrijwel in het duister en daar komt bij dat de summiere overleveringen slechts herkenbaar zijn voor een gnosisdrager. 

Het Manicheïsme verspreidde zich zelfs tot in China en vermengde zich daar met het overgebleven Boeddhisme. Het is daarom niet verwonderlijk dat de getuigenissen van de grote boodschappers zo met elkander overeenkomen. 

Wanneer we in ons moderne heden de gnostiek via de mondiale literatuur zien herleven en daarin een gezamenlijke kerngedachte herkennen, is dat niets bijzonders. 

De oorsprong ligt in de gnosis van het individu, dat zich geroepen gevoelt vanuit deze gnosis te getuigen. Daardoor geïnspireerd herkent hij zijn gelijken overal en kan hen dus zonder enig cynisme of concurrentie bezien. 

De gnosis kent geen concurrentie. Concurrentie is, met de Katharen gesproken, het handwerk van Satan of Lucifer. Lucifer concurreerde met God. 

Uit zijn oercompetitie werden al de concurrentie-vormen geboren, die wij tot op heden in de maatschappij kennen en die men "de gezonde competitie" noemt. Concurrentie zet de mens aan tot strijd en is eigenlijk niets anders dan een fundamentele existentie-strijd. 

In de oorspronkelijke geestelijke sfeer behoefde het wezen geen angst te hebben voor belagers en dus bleef zijn verdediging achterwege. Het belaagd worden behoort tot een desorganisatie binnen de tegengestelden. Bij gelijken is het zelfs een fundamentele afwijking. 

De fout van de mens is geworden, onder invloed van de onheiligheid, dat hij datgene dat ziek is gezond noemt en dat wat gezond is als een ziekte ziet. De neutrale, niet voor zijn existentie vechtende mens wordt door de maatschappij geminacht. 

De eerste Mens werd aan gevangenschap blootgesteld, omdat zijn "offerande" hetgeen duister is terug moest voeren tot het licht. 

Het is de oeroude legende die later kristalliseert in het verhaal van Jezus Christus, van de Lichtzonen, van Mithras, van Osiris, van Adamas- Hevah. 

De eerstgeborene offert zichzelf terwille van de gevangenen, die het slachtoffer zijn geworden van Lucifer en nauwelijks een herinnering bewaren aan hun oorspronkelijke vrijheid. 

Deze legende keert in alle gnostieke leringen terug, onverschillig waar ter wereld. Het is natuurlijk naïef te veronderstellen dat deze "eerste Mens" of Koningszoon de strijd tegen de duisternis niet zou hebben kunnen winnen. 

Het gaat om de verlossing van iets, hetzij van het Licht, hetzij van de Parel, zoals er zo schoon in het Lied van de Parel staat. **) 

De mens is een tweevoudig wezen en hij kan, evenals de eerste Mens, zijn vijf elementen reinigen, een rups worden, en "zevenmaal bidden" tot God, de zeven oerdeugden opdragen aan God, opdat Hij wete dat zijn Zoon gereed gekomen is. 

Zevenmaal bidden is als het zichzelf zevenmaal heiligen. ***) Daarna komt de doorgang en wordt deze Lichtzoon verlost op de Achtste dag of de dag waarin de Heer in hem rust, de dag van het niet-doen na de bidstonden.

Dit zevenmaal bidden is als scheppen, herscheppen in dit geval. Het is gelijk aan de zevenvoudige klank, het eerste Woord, de zeven donderslagen, de zeven spirituele dagen. 

De historicus verwart zich in de, volgens hem, gecompliceerde gnostieke legenden, zoals de chemicus verward geraakt in de formulen van de alchemie. 

Maar herkent de gnosis gevoelige mens niet altijd hun eenheid en hun gezamenlijke levensbron? 

Is onder hun bedekkende taal niet altijd dat flonkerende paarlen halssnoer te vinden, waarvan zij allen zeggen: "Gooi deze paarlen nooit voor de zwijnen?"

Het Manicheïsme existeerde tegelijk met het vroege christendom, met het Druïdisme, met de Egyptische Osirisleringen en met het Kabbalisme en het Essenerdom in Palestina. 

Men vindt overblijfselen ervan in de apocriefe evangeliën der apostelen, zoals men daarin ook de Egyptische en Griekse leringen terugvindt. Oerchristendom en gnostiek zijn niet te scheiden. 

Men verwijt de Manicheeën dat zij zon-aanbidders waren; men zegt dat de Katharen de zon aanbaden op de Montségur, het oude heiligdom van de Priscillianen en de Manicheeën. 

Een zon-aanbidder was iedere gnosticus, die zichzelf een Zoon van de Zon, een Zoon des Lichts noemde en die de zon zag als een symbool van de geest, een hart, een lichtbron. 

De "eerste Mens" was een zoon van de Zon, Mithras was een zoon van de Zon, doch wat zou deze eerste Mens geweest zijn als daar niet de vijf elementen en de zeven gebeden waren geweest? 

Wat zou de gevallen Lichtzoon, u en ik, zijn zonder de hulp van de natuur, de vijf elementen waarbinnen het zaad van de "vijf bomen ligt die in zomer en winter groen blijven"? 

Wat zouden deze gevangen Lichtzonen zijn wanneer zij niet de gelegenheid hadden "rups" te zijn; waarheen zouden zij zich moeten wenden met die geestelijke oernostalgie, die nooit bevredigd kan worden door een natuurlijk leven alleen? 

Waar zouden deze "verlorenen" zijn als zij in de historie niet die getuigenissen vonden, die alle verenigen, die elkander niet tegenspreken, noch elkander te vuur en te zwaard bestrijden? 

Hebt u ooit gehoord dat de gnostieke sekten elkander op leven en dood bevochten? 

Neen! 

Slechts daar waar de concurrerende macht opleeft, daar waar men beangst is voor zijn existentie, daar verdedigt men zich te vuur en te zwaard. Dat is het gevolg van "de val van de Lichtzonen of Engelen", die hun "kennis" uitdeelden aan de mensheid. ****) 

Het onheilige trekt op tegen het heilige, omdat het zijn macht niet verliezen wil, maar het heilige strijdt niet, net zo min als dag en nacht met elkander strijden. De ene trekt zich terug als de andere komt. 

Indien zij zouden strijden zou de natuur reeds in haar fundament zijn aangetast. Wanneer de "rups" door een overweldigende angst voor of weerstand tegen het komende, gefrustreerd zou raken, zou hij niet meer in staat zijn zich te herinneren dat hij een rups was en een pop moet worden. 

Dan zou de "Heer der Kosmos" ingrijpen en aan het onheilige wat heiligheid toevoegen, opdat het onheilige geprovoceerd zou worden, zich zou bewegen en zo niet stikke in zijn lichtloosheid. 

Wanneer de mens dat wat onheilig is heilig praat en dat wat geestelijk is ontkracht en zo de vijf elementen beroofd zullen worden van hun "geestelijke adem", zodat de opdracht in de oer-alchemie: "reinig de drie zielen" niet gepraktiseerd zou kunnen worden, grijpt de Architect van het Universum in. Onverschillig op welke manier. De gevangen of gevallen Lichtzoon moet zich blijven herinneren wie hij is, waar hij vandaan kwam en waarheen hij terug moet. 

Herkent men deze basisgedachte niet in vrijwel alle getuigenissen en de geschiedenis van de religie? 

Steeds weer duiken de legenden op. Soms vindt men oude geschriften, dan weer meldt zich een boodschapper. Maar allen die het onheilige werkelijk provoceren worden erdoor vervolgd. 

Er zijn, zo zegt men, heden geen alchemisten of katharen meer. 

Hoewel er overal ter wereld organisaties zijn die recht op het etiket "gnostiek" claimen. Men nam de gnosis gevangen in een dogma, en deze noemde men een gnostieke leer, waaraan niemand mag tornen. 

Een gnostieke leer is echter niets anders dan de realiteit van een individuele gnosis. Door alle eeuwen heen protesteerden de gnosis dragers tegen de kristallisatie in de vorm: Zendragers fulmineerden tegen het orthodoxe Boeddhisme; Parfaits keerden zich tegen de decadentie en veruiterlijking van het Christendom. 

Een gnosticus barst uit zijn dogmatische gevangenis; men kan hem niet beletten zijn gelijken met een herkennende glimlach te begroeten. Een gnosisdrager kent geen afvalligen, noch zondaars; hij kent slechts zoekers naar de gnosis, rupsen die hun best doen rups te worden, rupsen die zichzelf terugtrekken uit hun oude leven om de pop voort te brengen. 

"Wee hem die mij belet een blik op de wijdse hemelen te slaan", zei een oude Chinese boodschapper.  

De rups ziet de hemelen nog niet, hij ziet zijn natuur, hij beweegt mede met het natuurlijke ritme en moet de hemel nog ontdekken, zoals hij de aarde allereerst zal moeten herkennen. 

De "eerste Mens" had zijn vijf assistenten: lucht, wind (ether), aarde, water en vuur; de rups of de in harmonie met zichzelf levende mens, zal allereerst zijn assistenten moeten hervinden en nooit menen, dat hij het zonder hen zou kunnen doen. 

Gingen zij niet gezamenlijk uit van de Heer der Kosmos? 

Vinden deze "assistenten" niet tevens gestalte in zijn natuur als de vijf organen, zoals de Chinese filosofie zegt, die tezamen met de vijf elementen de opbouw en de afbraak binnen de natuur vertegenwoordigen? 

Allereerst moet hij een harmonisch lichaam bouwen, voordat dit lichaam in harmonie de afbraak kan ondergaan. Zoals het in de natuur is, zo is het in de geest: de rups werkt aan zichzelf, opdat hij zich harmonisch kan wegschenken aan de pop, de pop verzamelt zijn kracht, opdat uit hem de vlinder, het gereinigde oorspronkelijke wezen, geboren kan worden. 

De wet van drie: geloof, hoop en liefde, herhaalt zich in de wet van vijf: geboorte en wedergeboorte herkennen zichzelf in de wet van zeven: voorbereiding en het herstel van de met oerdeugden begaafde mens, die de poortwachter Saturnus vrij en moedig, wetend, kan tegentreden en hem kan verlossen van zijn wake. *****) 

Dan is opnieuw herhaald hetgeen de gnostieke legende zegt: De eerste Mens is bevrijd geworden en stijgt op tot zijn God. 

Zijn wij allen geen eersten, eerstgeborenen? 

Zijn wij allen niet zwartgeblakerde meteoren, uit de hemelen neergekomen? 

Moeten wij niet gepolijst worden, opdat wij zullen bemerken dat onder het zwart zich het prachtige kleurengamma bevindt, dat zich zal verenigen in het schone wit, wanneer deze zevenvoudig flonkerende steen omhoogschiet, terug tot de hemelen? 

Witgekleurd zal hij zijn aloude Rijk binnengaan, wit als de Parel, onstoffelijk wit, en hij zal, gelijk het aloude "Lied van de Parel of de ziel" zegt: Zijn parel, zijn herstelde heilige Zelf, aan zijn vader aanbieden, uit liefde en dankbaarheid, en hij zal nooit meer zijn Tehuis verlaten, want hij die terugkeert is méér dan hij die nimmer gevallen is. Hij die wijsheid uit zijn ervaringen zamelt zal de wijsheid zelf geworden zijn. 

En is wijsheid iets anders dan gnosis? 

*) volgens Arabische gegevens. 

**) Te vinden in het apocriefe Thomas-evangelie en in de Echo's uit de Gnosis van G,R.S. Mead

***) De levensboom der Oerdeugden - H. Leene - Uitg. Ercee. 

****) Das Buch Henoch - Slavische versie - Uitg. Ercee. 

*****) Het Scheikundig Huwelijk van C.R.C.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene