Getuigen van de gnosis I

Als men de draad van het gnosticisme tot in de oudheid volgen wil, dan verliest deze zich tenslotte in een vergeten verleden, in dat zg. legendarische en mythische tijdperk, waarin de oerwaarheid werd gehuld in het kleed van symbolische vertellingen, opdat de popularisatie deze schone bloem der gnosis niet zou uiteenrukken. 

Waar men ook speurt, het gnosticisme en zijn getuigen gingen uit van het levende kosmische hart, dat direct in verbinding staat met het levende menselijke hart. Dit hart is gelijk een zon, een zichtbare zon en een onzichtbare zon; een organisch hart en een geestelijk hart. 

De oudste wijsheid zegt dat de geest in het hart van de mens woont. Uit dit hart komt de gnosis, de geestelijke kennis, naar boven en zo kan men met recht al de wijsheid der gnostieken zien als de zonnereligies, zoals b.v. die van Zoroaster en zijn zonnegod Ahura Mazda. 

In de alchemie staat de zon, als symbool van de geest, centraal. Hoewel de zonaanbidding de onwetenden op een dwaalspoor kan leiden, moet men zich, op zoek naar de gnosis, niet laten misleiden door de versluierde taal. Net zo min als de troubadours profane liedjeszangers waren, zomin waren de zonnereligies uit de verre oudheid profane natuurreligieuze leringen. 

Vanuit Atlantis, via Egypte, Griekenland en Perzië, komt de gnostieke gedachte naar het westen van Europa. Ver voor onze jaartelling was de mensheid reeds bekend met de idee van een geestelijke inspiratie, door de schepping gevormd terwille van de Zonen des Lichts, die onder leiding van Sanhasaï afdaalden in een lager trillingsgebied. *) 

De Katharen noemden de wereld: het werk van satan. Dat wil uitsluitend zeggen dat onze wereld, afgezien van de natuurlijke schepping, ontstaan is onder voortdurende inwerking van de onheilige doelstellingen. 

*) Zie  "Het Boek van de geheimenissen van Henoch" Hebreeuwse versie. 

Momenteel, en dat duurt natuurlijk al ontelbare eeuwen, is onze maatschappij volkomen in de ban van de onheilige geest, die geïnspireerd wordt door Lucifer; niettemin is Lucifer, zoals de legende zegt, de tweelingbroeder van Christus. Demon est Deus inversus. 

De idee, dat er twee goden zouden zijn, een god van het goede en een god van het kwade, heeft vele bestudeerders van het Katharisme en de gnostiek tot hun tegenstanders gemaakt. 

Het kost tijd, bezieling en inzicht om de summiere gegevens juist te rangschikken. 

Zen zegt: Uit Tai Chi kwamen Chi en Yin en Yang voort. En Yin en Yang zijn net zomin alleenheersende goden als de Kathaarse goden van goed en kwaad. 

In de Helleense mythen spreekt men over Saturnus als een god van licht en duister; in de Hindoese leringen ziet men Shiva als een god van vernietiging en opstanding; in de traditionele Joodse leringen kent men de god van vernietiging en oordeel en de god van liefde. 

Alle schijnen zij twee-in-één te zijn, een god met een Januskop. 

Satan wordt als tegenspeler van god gezien in de betekenis van het duister dat tegenover het licht staat; Het duister dat het licht vernietigt, maar ook het licht dat het duister vernietigt. 

Zij zijn elkander constant tot een provocatie. En de mens, wij allen, zijn het evenbeeld van die god met de Januskop. In ons ligt hetzelfde ritme: duister afgewisseld door licht, vernietiging afgewisseld door opstanding. 

Wij kunnen in dit ritme een top bereiken en dat betekent altijd dat de afwisseling tussen duister en licht, tussen vernietiging en opstanding ondergeschikt is geworden aan de kracht die boven deze Janusgod staat: dat is dan Chi of de onzichtbare zon; Christus als wedergeborene, Shiva als onzichtbare gestalte, Mithras als teruggekeerde zoon van de Zon. 

De natuur is dan opnieuw in handen gelegd van de God die boven goed en kwaad staat, die geen twee aanzichten heeft, waarbij het ene het andere aangezicht overheerst, maar die alles in allen is, ofwel waarin de kern van alle zijn besloten ligt, ook het zg. kwade. 

Het kwade is niet waarlijk kwaad, zolang het de metgezel van het goede is; het werd slechts zg. "kwaad" toen het uit zijn beslotenheid werd gehaald en op een troon werd geplaatst. 

Deze disharmonie ziet men zich in alle toonaarden in de wereld, in de natuur en in de mens herhalen. Niemand is kwaad zolang het goede hem in bedwang houdt, niemand is ondeugdelijk zolang zijn deugd hem overheerst. Maar is de deugd iets anders dan de tegenpool van de ondeugd? 

Het onheilige nam de plaats in van het heilige en dat wilden de Katharen zeggen toen zij onderwezen dat "deze wereld de uitdrukking is van satan". 

Zolang de gevallen zoon des Lichts fulmineert tegen het Licht is hij gevangen in het onheilige, het satanisme, dat echter in oorsprong geboren is uit dezelfde etherische kracht als waaruit het heilige is ontstaan. 

De gnostiek gaat samen met een wereldonthechting, omdat, zolang de gevallen Lichtzoon het onheilige activeert, hij een gevangene zal blijven van dat onheilige. Men kan dit onheilige activeren temidden van het mondaine leven, maar evenzeer temidden van de eenzaamheid en de afzondering. 

Want het onheilige is in ons; wij en niet de natuurlijke dingen om ons heen houden het levend. Wij bewegen het rad van opgang, blinken en verzinken, dat de motor van deze wereld is. 

Vandaar dat men in vele universele leringen de uitspraak kan vinden van de "wereld vervreemding", het "wel in de wereld maar niet van de wereld zijn", de eenzame afzondering in woestijn en cabane. 

Het zijn pogingen om los te komen van de gezamenlijke, onheilige menselijke scheppingen. Maar daar waar we gaan nemen we onszelf mede. Zolang wijzelf niet succesvol het onheilige teruggebracht hebben tot het heilige, houden we mede de onheiligheid in stand, waartegen we met onze mond fulmineren. 

Door geheel de historie heen treft men de betreurenswaardige feiten aan, die getuigen van een innerlijke tweespalt van de zg. religieuze mensen, óók onder de gnostieken vindt men deze. Een bewijs dat gnosis en gnostiek van elkander gescheiden werden. 

De mens bewijst pas wie hij is in tijden van beproevingen en nood. Zelfs een gedwongen oponthoud zonder de begerenswaardige objecten van ons ego kan de mens tot een declaratie voeren. 

Hij, die zijn hart tot compromissen dwingt zal de rekening van deze tirannie moeten betalen. De gnosis declareert zichzelf slechts in de innerlijk oprechte mens, in de "gerechte", zoals de Kabbala zegt: "het Pad van Beloning is voor de gerechte".  

Daarom getuigen de Gatha's van Zoroaster van innerlijke strijd: het gevecht tussen onheilig en heilig, niet tussen goed en kwaad. 

De strijd van het natuurlijke ritme ligt reeds lang achter zulk een mens, omdat hij de eerste eis: eenheid van mens en natuur hersteld heeft. 

De Katharen kenden eveneens zulk een drievoudige vertolking van de omzetting: reinheid of formatie, de "purs"; reformatie of de "parfaits"; tenslotte de "bonshommes", de getransformeerden. 

Men spreekt ook wel van de rups, de pop en het volmaakte insect. Zolang er geen goede, gezonde rups is, kan deze geen pop voortbrengen. Een gefrustreerd natuurlijk mens, ziekelijk fanatiek in zijn streven op het horizontale of natuurlijke vlak, is te veel met zijn rupszijn bezig om zich geheel te kunnen wijden aan het vormen van een pop. 

Hij, bij wie zich de gnosis gaat ontplooien is reeds een "pop", het volmaakte insectenlichaam groeit in hem. 

Iemand, die strijdt voert met zijn ego, die zich opwindt over deugden of ondeugden, over de nacht die de dag verslindt of de dag die de nacht verjaagt, is niet "vrij" van de wereld, waarin hij een gezonde rups moet zijn. 

Vrijheid betekent tegelijkertijd onthechting en verbondenheid. 

Vrijheid is als het durven zichzelf te zijn, wie men ook is. 

De rups zoekt zijn schuilplaats als zijn tijd om te "poppen" gekomen is; de mens weet intuïtief wanneer de "pop" of de ziel zich in hem gaat bewijzen en daarvoor kiest hij zijn omgeving uit. D.w.z. geen enkele, natuurlijk harmonische mens zal de getuigenissen zijner ziel neerleggen op een mestvaalt. 

Deze "mestvaalt" kan van alles zijn: zelfs een schijnbaar propere omgeving. Men laat de ziele-vogel dáár vrij, waar hij zijn vleugels goed kan uitbreiden en zijn eigen land kan herkennen, de zon kan zien. 

Welk mens zou deze vogel zijn vrijheid hergeven in het kreupelhout, terwijl de jagers hem beloeren? 

De ziel, die zijn wijdse geestelijke horizon herkend heeft, getuigt daarvan even schoon als de leeuwerik, die de hemel zingend tegemoet vliegt. 

De inquisitie-dokumenten brengen de getuigenissen der Katharen verminkt, verdraaid en tegengesteld tot ons heden over. 

Hoe zouden de inquisitoren hun taal kunnen begrijpen? 

Hoe zouden de mensen elkander kunnen begrijpen als zij in totaal verschillende sferen zouden leven en staan? 

Hoe zouden hun harten elkander kunnen ontmoeten als zij totaal verschillende liefdes kennen? 

Uit de gnosis, de kennis des harten, herkennen de gelijken elkander: de gnosisdragers, de ware gnostieken. 

In de gnosisdragers vindt men drie stromen terug: de antieke filosofie, zich verliezende in een mythisch verleden; het zoroastrisme en het christianisme. De historicus wil daarmede zeggen dat de getuigenissen der gnostieken geen dogma kennen: verleden, heden en toekomst verenigen zich in hen. 

Het zg. heidendom, vermengt zich met de zonnereligies en deze hervinden zichzelf weer in het universele christendom. 

Er is geen begin en geen einde aan de gouden draad van Ariadne. Daarom draagt geen enkele gnostiek het stempel van een dogmatische begrenzing of van een georganiseerde leer. 

Zoals de geest in het hart vrij en universeel is, zo zal de getuigenis van de gnosisdrager vrij en universeel zijn en kent hij niet dat satanische gevecht voor de eigen belangen, het organisatorische welzijn of de eigen groepering en leer. 

Er is maar één universele leer en deze moet hij zelf zijn, hij moet de gnosis, de kennis van de verlossende mogelijkheid, worden. 

"Moge de drager van de kosmische orde evenwicht scheppen in de stroom mijner gedachten, mogen zij worden als een klaarvlietende beek, opdat de hemelse welgezindheid zich kan spiegelen in mijn bewustzijn, en mogen mijn woorden, gedachten en daden in overeenstemming zijn met de kosmische orde." *) 

Ziehier een Zoroastrische meditatie of gebed en tegelijkertijd een alchemische waarheid en een gnostieke idee. 

De kosmische orde, het boek der natuur of het boek M. (Mater Materia), zoals de Katharen zeiden, moet zich in de mens bevinden, opdat de "hemelse welgezindheid" zich in hem weerspiegele. 

Dat is het gebed om een goede en gezonde "rups" te worden, een creatuur dat harmonisch reageert op de wet van de kosmische orde, waarachter de Heer der kosmische orde dringt  

"Moge de drager van de kosmische orde evenwicht scheppen in mijn gedachten ....."  

Die "drager" van de kosmische orde is niet de god met de Januskop, of Saturnus, die de troon van Uranus heeft bestegen, of Lucifer\-Christus, die zijn strijd in de wereld kent, die "drager'" is Tai-Chi, de Bron van alle zijn en alle niet-zijn, de Bron van alle gnosis, die zijn levenskracht laat vloeien langs de hemelse ether, die welgezind zal zijn voor degenen wiens gedachten zijn als een "klaarvlietende beek". 

"Waar bevindt zich het begin van de weg?" vraagt de discipel aan een Zenmeester. 

"Bij het murmelen van de beek ..... " wordt hem geantwoord. 

Het zijn twee voorbeelden, die elkander ontmoeten in hetzelfde natuurbeeld: de eenvoud, de ongecompliceerdheid en vooral de harmonie binnen een natuur, die zichzelf niet bestrijdt, die slechts wil zijn, die zij is.  

De rups moet eerst rups leren zijn en beseffen dat hij een rups is; hij mag daarover niet strijden of discussiëren, zich daartegen verzetten of zijn lichaam en zijn gaven verminken. 

De gnosisdrager gaat allereerst terug tot het juiste begin, daarin ligt het goede einde reeds besloten.  

In de gezonde rups is het einde als de volmaakte vlinder reeds aanwezig. De rups piekert niet over de vlinder, hij probeert slechts een goede pop te vormen. Daartoe geeft hij zijn leven. 

Op inspiratie van de gnosis verwisselt de mens zijn oude leven voor een totaal nieuw leven, dat bij de pop behoort. 

Dat is een volkomen natuurlijke en vanzelfsprekende zaak. 

Slechts de zieke en onnatuurlijke rups heeft daar moeite mede. 

Laat iedereen daarom allereerst leren een "rups" te zijn, zodat de ziele-pop zich volkomen natuurlijk uit hem ontvouwen zal. 

De gnosis van het goede begin doet de volmaakte vlinder in deze "pop" groeien, daarover behoeft niemand zich zorgen te maken. 

Laat hij, die vol nostalgie de gnosis zoekt, in zich kijken en zich verheugen, want zij is en zal altijd bij hen zijn. 

*) Gatha's van Zarathoestra

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene