Egyptische gnostiek - Hermes' leer

" Wij brengen U dank, 

Gij hoogste en uitnemendste! 

Want door Uw genade 

hebben wij ontvangen 

het zo grote Licht van Uw gnosis." 

Uit: Hymne van de dankzegging. 

Deze woorden van Hermes herinneren ons aan onze dualiteit: aan de ene kant sterfelijk, aan de andere kant gevoed met godenspijs en opgenomen tussen de goden. 

Om deze sterfelijkheid en gebondenheid aan de aarde te doorbreken, bezit de mens de mogelijkheid van de ziele-extase, het passeren van de sterfelijke begrenzingen en het zich verenigen met de hemelse trillingen. 

Ook Hermes zingt zijn lofzangen, zijn gebeden en zijn vreugde uit tijdens deze samensmelting met de goden, waarbij zijn wezen zich mengt met vuur, aarde, water en lucht, en met de geest die alomtegenwoordig is. 

Het zich verliezen in de elementen of het éénworden met het Al die, zoals hij zegt, ook in ons zijn, is als een volmaakte meditatie, het zich wegschenken aan de ziel des levens en éénworden met al het levende, ja, de gedachten des Vaders, die al het geschapene gemaakt heeft, lezen. 

Zulke uitspraken kan men ook tegenkomen in andere geschriften, in al de woorden van de wijzen: het schouwen van het verborgene, éénworden met het goddelijke Denkvermogen, zodra wij kans zien onze remmingen af te werpen, remmingen die in ons denken liggen. 

Wie zegt dat wij iets niet kunnen? 

Wat gij denkt kunt gij! 

"Zodra gij in uw gedachten weet dat niets u onmogelijk is, bevordert gij het onsterfelijke en zijt gij in staat alles te begrijpen."  

(Révélation d'Hermes Tresmegiste) 

Er is niets nieuws onder de zon. 

De woorden uit Egyptische papyri van ver voor onze jaartelling bewijzen, dat de hedendaagse mens nog steeds worstelt met dezelfde problemen als de mens uit de verre oudheid. 

Zelfs de methoden zijn niet veranderd, alleen is de moderne mens nog meer geremd, omdat eeuwenlange godsdienstige twisten en dwingelandij hem op een zijspoor hebben gebracht. 

Er zijn slechts twee fundamentele feiten: de mens is tweevoudig: aarde en hemel; door zijn aarde te vergeten kan hij de hemel bereiken en zich voeden met godenspijs, opdat deze hemelen-in-hem gevoed zullen worden en dus levend blijven. Alle andere leerstelligheden zijn onbelangrijk. 

Hoe verder de mens afdwaalt van zijn oorsprong: aarde en hemel, des te moeilijker valt het hem de eenvoud van zijn waarlijke "zijn" te doorzien. 

Niets is moeilijker dan datgene wat de mens zelf moeilijk maakt. Niemand is zijn vijand dan hijzelf, zodra hij zijn aarde tot vijand van zijn hemel maakt. 

Het "zo boven zo beneden" is de sleutel tot het begrijpen van de geest, tot de ziele-extase of de diepe geestelijke ontroering, waarover de ouden, zoals een Henoch en een Hermes, spraken, een bewogenheid die hun hemelen deed schudden. 

"Klim hoger dan de hoogste hoogten, 

Daal af dieper dan de diepste diepten,

verenig in u de gevoelens van al het geschapene, 

water en vuur, droogte en vochtigheid. " 

(Révélation d'Hermes Tresmegiste) 

De eenheid die de mens met alles en allen verbindt, ligt in het gevoel, het gemoed, zeggen Hermes en Henoch; het gemoed dat zich uitbreidt in een rein hart dat wordt geïnspireerd door de ziel. 

In deze realistische reinheid levende, kost het de mens geen moeite om zich over te geven aan de extase, de bezieling of de aanraking der goden. 

Hij wordt meegevoerd door de geweldige grootsheid, die achter alle vormen en dingen stuwt en zonder zich te bedenken, zonder zich geremd te gevoelen door aangeleerde lessen, uit hij zich in het intuïtieve gebed of de bezielde lofzang: 

O Gij, Kracht van alle machten, U wil ik lofzingen! " 

Het is dezelfde extase, de diepe innerlijke bewogenheid, die wij tegenkomen o.a. in de boetezangen van de Pistis Sophia; het is de bewogenheid van door-de-geest-gegrepenen, of deze nu in het verleden leefden dan wel in het heden leven. 

In wezen is dit: gnosis; het denken van het schepsel gaat op in het denken dat achter de natuur dringt, hij wordt één met aarde en hemel, ja, hoger dan de hoogste hoogten en dieper dan de diepste diepten beweegt hij zich, en op dat moment begrijpt hij alles. 

Het is de éénwording, de grensverbreking, die in onze zo geestarme tijd op allerlei kunstmatige manieren wordt gezocht, maar die niet verdragen wordt door de onvoorbereide mens, omdat zijn aarde, zijn organisme, niet rein, niet harmonisch is. 

Hetgeen Hermes in zijn geschriften neerlegt noemt de kerkelijke mens: occultisme. En occultisme is gevaarlijk, verboden en duivels. Maar occultisme is in werkelijkheid: het verborgene. Hermes spreekt steeds over het verborgene, over de ziel van het vuur en de ziel van de lucht; vermeng u met die ziel. 

De alchemisten spreken over de zwarte Mercurius, de ziel van het aardse of het natuurlijke existeren. Doorleef deze Mercurius, deze ziel van de aarde, die in wezen een deel van uw ziel is, want gij zijt aarde en hemel! En maak het zwarte zwart, zodat de reinheid van het puur zwarte ontstaat, waaruit het geheimenis, het verborgene, de ziel van de tweede Mercurius, de witte, opstaat. 

Als de alchemisten Hermes de vader van de alchemie noemen, hebben zij waarlijk gelijk. Een Vader is een scheppende kracht, de bezieler. Door de universaliteit van de woorden van Hermes zijn zij nog heden actueel, daar er geen onderscheid bestaat tussen de zoekende mens (ziel) uit het verleden en uit het heden. 

Allen zoeken de hemelen waaruit zij gekomen zijn. Allen zoeken de ziel van de geest: datgene waarmede zij zich eveneens vermengen willen, de rode Mercurius. 

Er is geen ouderwetse of hedendaagse re-ligio: er is maar één re-ligio, die in beginsel in elke Lichtzoon leeft. 

Deze re-ligio kan hij belevendigen zodra de bezieling hem meevoert langs de hemelen, zijn banen trekkende met de sterren en zich voedende met ambrozijn. 

Degenen die de vervoering van de geestelijke bezieling kennen, weten dat deze woorden noch dichterlijk, noch fantasie zijn, maar werkelijkheid. 

"Onwrikbaar geworden door God, O Vader, 

m ik de dingen niet waar door de blik der ogen, 

maar door de geestelijke energie, 

die ik ontvang van de Krachten....." 

Onwrikbaar is de mens die zijn innerlijke God ontdekt, die zich met Hem onderhouden kan tot belevendiging, bezieling en bevestiging. Zijn dagen beleeft hij dan anders, hij neemt anders waar en hij bemerkt dat hij contact heeft met de krachten. 

De krachten die hij achter al het geschapene weet, krachten die het Al en ook hem doortrillen. 

Hier ontmoet Hermes eveneens de oude Chinese filosofie, die spreekt over Tai Chi en Ch'i: Tai Chi die is als God, Ch'i die is als de vader der dingen. 

De Vader is als een twee-eenheid: de vader-moeder, waaruit al het negatieve en positieve geboren werd, waaruit de mens, u en ik, hemel-aarde wezens, gekomen zijn. 

Boven Ch'i staat God, Tai Chi, en zo zal de ziel allereerst de Vader, Ch'i, moeten herkennen voordat zij God zal kennen. 

In de Vader ligt het zaad van alle dingen, de gedachte die alles schiep; in de Vader beleeft de ziel het wezen van alle schepselen en hoort zij de harteklop des levens. 

Als we ons in deze onbegrensde begrippen verdiepen en ons verheffen tot de filosofie van Hermes, dan blijft al dat kleinzielige, bekrompen gedoe in ons eigen leven achter ons. 

Onze eigen onevenwichtige aarde en onze door de donder uiteengerukte hemel maakten er een puinhoop van, een existentie vol met problemen, moeilijkheden, die zowel onze aarde als onze hemel weerhouden om zich te openbaren. 

Zoals de Vader uit zichzelf de schepping voortbracht, zo brengt de mens, via denken en gevoelen, uit zichzelf zijn schepping voort: zijn leven; een leven waarin vormen en beeltenissen, gedachten en emoties ronddwalen, die hem dikwijls tot vijanden zijn geworden. 

Machten, die zijn eigen kracht, hemelse zowel als aardse, opzuigen en hem ontledigen, hem verlagend tot een wezen dat los van de hemelen, soms zelfs onder de aarde leeft, zich voedende met ontkrachte producten, gelijk hijzelf ontkracht is, zich omgevende met kunstmatige beeltenissen, gelijk hijzelf kunstmatig geworden is. 

Lijdende aan innerlijke honger, vluchtende voor innerlijke armoede en ledigheid, zichzelf bevredigende aan tweedehands waarheden, omdat hij de herinnering aan de waarheid verloren heeft. 

Is het dan verwonderlijk dat deze mens zich uit als een beschonkene-naar-de-geest? Dat hij zich troost met de reflectie van meesters en de herinnering aan de wijsheid? 

Wordt het "zo boven zo beneden", wordt de eenheid van aarde en hemel, wordt allereerst de schepping van de Vader, vóórdat gijzelf vruchten voortbrengt! 

Elke vrucht die voortgebracht wordt uit de eenheid met de Vader, is waard getoond te worden, want hij zal zijn als ambrozijn, een godenspijs voor allen die ambrozijn zoeken en zich niet langer bevredigen kunnen met de kunstmatigheid. 

De oude tradities waarbij, "de leer van vader op zoon gaat" is terug te vinden in Hermes als godenzoon, als de Zoon des Lichts, de halfgod, die de kennis en de waarheid direct van zijn vader heeft en deze "Hem ter ere" doorgeeft aan degenen, die van zijn Ras zijn, maar niet aan hen die dit niet zijn. 

Ook hierin herkent men de "vloek van de kennis, die overgedragen werd aan de aarde-mensheid", aan hen die slechts aarde zijn. 

De traditie in religie, maatschappij en regeringsvorm, in allerlei heraldieke, hiërarchiale symbolieken, is terug te voeren op de oergeschiedenis van de Lichtzonen. En zij die worstelen met de aarde (of de natuur), alsof de aarde hen kwaad berokkent, vergeten hun ingeschapen macht om zich tot de hemelen te verheffen, waar de aarde hen niet kan volgen. 

De aarde zal hen niet tegenhouden, maar de onvolkomenheid van hun hemel zal hun beletsel zijn.  

Aarde richt zich tot aarde, tot alles dat de hemelen beschouwt als iets dat buiten hen of geheel niet bestaat. Hemel richt zich tot de hemelen, tot daar waar begrenzingen en onmacht onbekend zijn. 

Hij, die niet gelooft in die hemelen, zal die hemelen niet vinden, noch hen kunnen uitbreiden in zichzelf en zo zal hij aarde tegenover aarde, of aarde met aarde zijn en alle problematiek binnen de natuur zal hem aangrijpen, omdat de hemelen, die de natuur omarmen en leven schenken, niet aanwezig dan wel krachteloos zijn. 

De aarde voedt de aarde niet: de hemel schenkt het vuur dat water tot dauw omtovert. 

De mens, die de in hen wonende geest niet kent, omwoelt zijn aarde, in het zweet zijns aanschijns, maar hij zal het leven niet vinden. Elke Lichtzoon bezit maar één doel of één ideaal, één uitzicht: één te worden met de goden en zich te voeden met ambrozijn. Ambrozijn is als de dauw der hemelen. 

Hij, die zich niet voedt met ambrozijn, zijn hemelen verkommeren. Maar ook zijn aarde verkommert, hij wordt ziek, en zal alle symptomen van onvrede, ongeluk en honger vertonen. 

Zij, die in hun leven de ziele-extase hebben beleefd, al is het slechts éénmaal, zullen niet ophouden te zoeken naar een tweede druppel van deze ambrozijn en zij zullen zich pas waarlijk "gevuld" gevoelen wanneer zulk een druppel hun droge lippen bevochtigt. 

"Neem in uw gedachten dat niets voor u onmogelijk is......." 

Zelfs de geest ontmoeten is niet onmogelijk. Zelfs opnieuw de Diepe Vrede vinden, die u wellicht verloren dacht, is niet onmogelijk. Want ook deze Diepe Vrede ontstaat uit de ambrozijn, die de ziel put uit de bron der goden. 

Hoe zou een Lichtzoon kunnen vergeten dat hij uit het Licht der hemelen geboren werd? 

Heeft hij dan niet te lang in de aarde gewroet op zoek naar verloren gegane leringen, of gekeken naar de bouwwerken der mensen? 

Daar waar het Licht is, daar kan het zich verbreiden; daar waar de hemelse roep de ziel verontrust, haar ongelukkig maakt, omdat zij er geen gehoor aan geeft, daar kunnen de hemelen zich uitbreiden en de aarde omarmen, opdat deze aarde geheeld zullen worden en in staat zullen zijn de goden te zien afdalen op de Olympus, goden, Lichtzonen die mede van ons Ras zijn en die ons wenken de Olympus te bestijgen, op weg naar de hemelen, waaruit wij eens nedergedaald zijn. 

Waarlijk, hij die uit het Licht gekomen is, zal met Hermes, in een allesomvattende bezieling, kunnen zingen: 

"Ik ga tot Leven en Licht! Gezegend zijt Gij, O Vader!" 

En de Lichtzoon richt zijn blik op de horizon, waar de berg der Goden reeds glanst in afwachting van zijn komst.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene