De vierde gemeente: Thyatire

  1. En schrijf aan den engel der gemeente te Thyatire: Dit zegt de Zoon van God, die ogen heeft als een vuurvlam en zijn voeten zijn als koperbrons:
  2. Ik weet uw werken en liefde, en geloof en dienstbetoon, en uw volharding en uw laatste werken, die meer zijn dan de eerste.
  3. Maar Ik heb tegen u, dat gij de vrouw Izébel laat begaan, die zegt dat zij een profetes is, en zij leert en verleidt mijn knechten om te hoeroren en afgodenoffers te eten.
  4. En Ik heb haar tijd gegeven om zich te bekeren, maar zij wil zich niet bekeren van haar hoererij.
  5. Zie, Ik werp haar op het ziekbed en hen, die met haar overspel bedrijven, breng Ik in grote verdrukking, indien zij zich niet van haar werken bekeren.
  6. En haar kinderen zal Ik den dood doen sterven en alle gemeenten zullen inzien, dat Ik het ben, die nieren en harten doorzoek; en Ik zal u vergelden, een ieder naar uw werken.
  7. Doch Ik zeg tot u allen, die voorts te Thyatire zijt, en deze leer niet hebt en die niet, gelijk zij zeggen, de diepten des satans hebt leren kennen: Ik leg u geen anderen last op.
  8. Maar wat gij hebt, houdt dat vast, totdat Ik gekomen ben.
  9. En wie overwint en mijn werken tot het einde toe bewaart, hem zal Ik macht geven over de heidenen;
  10. en hij zal hen hoeden met een ijzeren staf; als aardewerk worden zij verbrijzeld. Gelijk ook ik van mijn Vader ontvangen heb. 
  11. En Ik zal hom de morgenster geven.
  12. Wie oren heeft, hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt.

De inhoud van de brief van de vierde gemeente wendt zich rechtstreeks tot het hart-chakra, dat de verborgen middelende rol speelt in de eenheid der zeven gemeenten of chakra's.

Zijn taak is een innerlijke arbeid, die voor de buitenwereld onmerkbaar blijft, want de uiterlijke middelaar der zevenheid is Mercurius,die over het keel-chakra heerst.

Deze Mercurius draagt de zevenklank naar buiten als de magische klank die de Christus naderbij roept.

Het hart, door het bloed bevestigd aan de werkingen van de andere zes gemeenten is hun middelaar, hun vertrouwde, hij die hun werkingen en het geheim van hun drijfveren kent.

De engel die tot de gemeente te Thyatire - het hart - spreekt, noemt zich "de Zoon Gods, die ogen heeft als een vuurvlam en voeten als koperbrons."

Inderdaad ligt in het hart het oeratoom van de Godenzoon besloten.

Wanneer de pelgrim voldoende werkzaam wordt als harmonische zevenheid komt dit oeratoom tot leven en stimuleert het hartbewustzijn.

Zo wordt het Kind in deze "stal van Bethlehem" geboren en wanneer de pelgrim deze realisatie bereikt zullen zijn ogen het heilige Vuur naar buiten dragen. 

Dit staat nauw in verband met de magische werking van de ogen, die zo veelvuldig misbruikt wordt door hen, die "gevangen zijn in de misleiding van Smyrna."

Aan Thyatire maakt de engel zich bekend als de "Zoon Gods" omdat de arbeid van Thyatire gelijk is aan het gereedmaken van Asia om de Zoon Gods te ontvangen.

Deze Zoon Gods uit het Openbaringenboek spreekt in Thyatire zijn gelijken toe, d.w.z. allen, die het oeratoom van de Godszoon in het hart bezitten, waar het verborgen ligt in het koper - bronzen materiaal van de Venus-aarde. (Venus is de regentes van het hart.)

Venus wordt gezien als de tweelingplaneet van de aarde, de vrouwelijk tegenpool die tegelijk zijn dienares is.

In Venus vinden de werkingen plaats die samenhangen met het hart van de aardeplaneet.

Het hart der mensen bezit een dienende funktie en leidt alle activiteit die te maken heeft met geloof, liefde, overgave.

De brief aan Thyatire zegt daarom:

Ik ken uw werken en uw liefde, uw dienstbetoon en uw geloof, en uw laatste werken, die meer zijn dan de eerste.

Die "laatste werken" vormen de bekroning op de omzetting of vernieuwing van de gemeente Thyatire en zij zijn lijnrecht in tegenstelling met de eerste impulsieve daden des harten.

Want aan het einde van zijn opdracht moet Thyatire, het hart, zich onbeweeglijk houden en de speurtocht naar een tegenpool in de wereld staken.

Het hart is het zoekende beginsel in de mens. Het zoekt, onder de sterke instraling van de Venus-radiaties, altijd een twee-eenheid, een tweeling-wezen, zoals Venus met de Aarde vormt.

De demonische kracht van Venus wordt uitgedragen in die onrustige speurtocht naar een verbintenis tussen twee schepsels, die men coûte que coûte op aarde gerealiseerd wil zien.

Dit mystieke drijven wordt overwegend herkend bij hen die zichzelf uitleven in hun zg. tweelingziel, een vriend of vriendin die zij spiritueel met hen verbonden beschouwen.

Het is de demonische Venus-emotie die zo dikwijls leidt tot abnormale en perfide verhoudingen, dikwijls verdoezeld door een spiritueel religieus tintje.

De dwaasheid van de flirtende Venus, het hart, dat door zijn oppervlakkige en riskante spel in handen valt van Izébel, de profetes, brengt de mens tot zulke dwaasheden.

Deze Izébel maakt het hart van deze pelgrim tot haar dienaar en dwingt het tot overgave, aangezien zij de beschikking heeft over de schijn-spirituele gaven van het verziekte kruin-chakra, die haar tot een "profetes", een waarzegster maken.

De valse profeten zijn altijd te herkennen aan hun profetieën, die steeds betrekking hebben op deze aarde, deze wereld en de persoonlijkheid en nimmer verband houden met enige spirituele kennis of ontwikkeling.

Valse profeten behoeven geen slechte mensen te zijn, maar zij zijn altijd slachtoffers van de waan der onzichtbare aardeplaneet-sfeer.

De in de vierde brief genoemde profetes Izébel is de gevangene der saturnale zevenheid, waarin al de zeven krachten hun essentiële werkingen concentreren.

Het hart, als “stal van Bethlehem" is de beerput waarbinnen de demonische werkingen zich ophopen en waar in het verborgene wordt gemoord.

Niettemin spreekt Hij, die zich Gods Zoon noemt, tot dit hart, tot deze verdwaasde gemeente, en zegt:

Ik ken uw laatste werken, die meer zijn dan de eerste.


Uw "laatste werken" zijn verheven en machtig en geweldig is uw overwinning !

Want uw demonische aard werd overwonnen door de onbewogenheid, de diepe stilte waarbinnen de demonische werkingen van de andere gemeenten geneutraliseerd werden.


Ik heb echter tegen u, Thyatire, dat gij de vrouw Izébel laat begaan!

Ik heb tegen u dat gij u laat medeslepen door uw hartstochtelijk zoeken naar de uiterlijke twee-eenheid, en u overgeeft aan de schijn-gaven en imitatiekracht van de "profetes".

Ik herken in u, Thyatire, de emotionele slavernij waardoor gij gebruikt kunt worden door de trawanten van Satanael, de oude Saturnus, die slechts de materie dienen.

U, Thyatire, gemeente des harten, staat toe dat zij, die Mij kennen (d.w.z. die andere gemeenten van Asia, waarvan gij de hartenklop vormt), afgodenoffer eten en hoereren.

Het hoofd voedt zich met afgodenspijs en het hart bedrijft overspel met Izébel, de verleidster.

Dan moet Ik komen en Izébel, die in uw  hart woont en daarmede één is geworden, op het ziekbed werpen, en zij die overspel met haar bedrijven, d.w.z. die zich aan de hartstochten van dit hart overgeven, breng Ik in grote verdrukking, indien zij zich niet bekeren.

En Izébel's kinderen, de producten van dit verziekte hart, de waanbeelden, zal Ik de dood doen sterven!

Allen, die zulk een overspelig hart bezitten zullen in dood en verdrukking komen.

Zij komen in grote nood, daar de andere zes gemeenten, die de aanwijzingen des harten volgen, aan hun oude verdorven levensstaat zullen vasthouden en mede verzieken.

De ziekte van het hart, "het ziekbed van Izébel", is een strenge straf, die onreinheid, verdoemenis en dood brengt over al de gemeenten.

Een pelgrim met zulk een "op het ziekbed geworpen hart" is niet in staat de Godszoon, die met zijn voeten in het koperbrons staat, voort te brengen.

Is het hart ziek, dan is het gehele lichaam ziek.

Na deze uitspatting en de daarop volgende "straf" wordt het hart een steen, waar bitterheid, gramschap, haat en onverschilligheid welig tieren.

Alle gemeenten verzieken met dit hart en daarom zegt de brief: 

alle gemeenten zullen inzien dat Ik het ben die hart en nieren doorzoek.

Ik ben het, gemeenten, die het hart regeert en beheerst, en Ik ben het die het reinigingssysteem (de nieren) van al uw gemeenten onderzoek. 

Mij, zo zegt de Zoon Gods, kunt gij niet bedriegen, want indien het oeratoom als zaad voor de overwinning en de realisatie van de Zoon Gods, niet meer in uw hart werkzaam is, zijt gij overgeleverd aan de macht van do Izébel-krachten.

Doch daar zijn nog te Thyatire, die zeggen deze diepten van Satanaël niet te kennen.

Deze zijn het die het oeratoom levend bewaren en niet rusteloos, hartstochtelijk op zoek gaan in de sferen der disharmonische trillingen naar een macht aan wie zij zich kunnen overgeven.

Zij zijn het, die Ik herken en toe kan spreken als mijn gelijken:

"hen," zo zeg Ik, "leg Ik geen andere last op." Dat wil zeggen dat zij geen andere werken krijgen dan de taak die zij kennen en behouden moeten, namelijk:

Het hart onberoerd bewaren totdat de Ure der Geboorte is aangebroken, en het mag geen van de andere gemeenten onrein bloed toevoeren, vol van emotionele driften.

"Houdt dit vast," zo zegt de brief, "totdat Ik gekomen ben."

Houdt het hart onbeweeglijk zodat het daarin wonende oeratoom van de Godszoon

in binding kan blijven met zijn tweelingkracht: de Geest in het Absolute. "Bewaar deze binding totdat Ik kom!" Totdat Ik, de Zoon Gods, ben opgestaan en uit u tevoorschijn kan treden als Hij, die ogen heeft als vlammen Vuurs en wiens voeten zijn als koper.

Wie overwint en Mijne werken tot het einde toe bewaart, die zal Ik macht geven over de heidenen.

De invloedrijke positie van het hart komt in bovenstaande woorden duidelijk naar voren, "want het wordt macht gegeven over de heidenen."

Het oude Hebreeuwse woord dat vertaald werd met " heidenen" betekent eigenlijk "volken".

Zodra het hart zich heeft bekeerd kan het heersen over alle volken (alle gemeenten) en het zal zelfs in staat zijn door zijn omgewende gerichtheid de "zonden" van de andere gemeenten uit te wissen.

Want het zal, zoals geschreven staat: "hen hoeden met een ijzeren staf."

Geen van de gemeenten zal de macht van het hart kunnen breken, en zij zullen zelfs niet meer kunnen zondigen, wanneer het hart in de goddelijke trillingen opgaat.

Via dit hart bereikt het levenschenkende ritme van de nieuwe ademhaling alle organen, het doortrekt heel het middelende veld van Asia en het doordrenkt de grond van dit Asia met zijn etherisch hartebloed waardoor de toebereidende werkzaamheden volvoerd worden.

Door het stille, dienende, in de overgave staande hart, één wordende met zijn "bruidegom" in de hemelen, geraken alle gemeenten, "alle volken” bezield.

De twee-eenheid waarnaar het hart tevergeefs op aarde zocht en terwille waarvan het zovele misstappen hoeft begaan zal dan eindelijk zijn gerealiseerd on daardoor Vrede en Harmonie schenken.

Zo daalt in dit rusteloos zoekende hart de "diepe vrede van Bethlehem in", waarbinnen het oeratoom tot Godskind groeien kan.

Slechts wanneer dit hart rein en “open” is en het geen modderpoel meer is waarin alle andere gemeenten hun ziekten en misstappen verbergen kan de geboorte van de Godszoon plaatsvinden.

Wanneer het hart zichzelf verhangt aan de overgave aan de Uiterlijke twee-eenheid, aan uiterlijke schoonheid, aan de schijnbare vrede dezer materie, komen alle gemeenten, allen die de Godszoon als Kracht van den Beginne kennen, in verdrukking en zij zullen de diepten van Satanaël, van Saturnus leren kennen, of zij willen of niet.

Zodra echter de “diepe vrede van Bethlehem” in het hart nederdaalt door de reiniging in de Stilte, waarbinnen het geloof en de trouw aan het oeratoom van de Godszoon de twee fundamentele pijlers vormen, dan zal de pelgrim "de Morgenster ontvangen!"

De "Morgenster ontvangen" wil zeggen: beschikken over de omgewende Venus-kracht, de onaardse goddelijke Liefde gaan bezitten (Venus wordt ook wel de "Morgenster" genoemd).

Bij deze pelgrim straalt het sternum (achter het borstbeen gelegen) de onbeweeglijke, Lichtende glans uit van de Diepe Vrede. Het is als een wit licht, waarin de zeven kleuren van de gemeenten harmonisch ineenvloeien.

En de morgenster, die lichtend boven de geboortegrot des harten staat, zal zich af gaan tekenen op het voorhoofd, zo kenbaar makende dat de troon niet meer door Satanaël, Saturnus, wordt beheerst.

Deze morgenster, zo hij zijn volle glans heeft bereikt, kan door niemand meer gedoofd worden, noch kan zijn kracht worden gevangen genomen.

Het hart, dat de stal der Geboorte genoemd wordt, kan door géén van de andere gemeenten geregeerd worden, want het is slechts gevoelig voor de instralingen die via de pinealis (het Kruin-chakra) tot de pelgrim komen.

Noch de wil, noch het denken kunnen dit hart blijvend dwingen, want het keert altijd weer terug tot de liefde die het begeert: hetzij tot Izébel, de schone Imitatie, hetzij tot zijn Geliefde die in het absolute wacht op de verwerkelijking van de Zoon Gods. 

Een rusteloos hart, dat overal naar bevrediging zoekt, dat zijn instinctieve negatieve Venus-begeerte wil uitleven, zal nog niet bij machte zijn “de laatste werken te verrichten voordat Hij komt!"

Voor de serieuze pelgrim is het daarom de opdracht om het hart gereed te maken, te reinigen opdat het zijn “laatste werken” kan verrichten. 

De diepe vrede van Bethlehem moet allereerst indalen, voordat de morgenster de geboorte van de Zoon Gods bekend kan maken.

In deze Diepe Vrede zal de pelgrim het engelenkoor kunnen vernemen dat het verbond tussen Ziel en Geest begeleidt.


1970 - 2019, copyright Henk en Mia Leene