De eerste gemeente: Epheze

  1. Schrijf aan den engel der gemeente te Epheze: Dit zegt Hij die de zeven sterren in zijn rechterhand houdt, die in het midden der zeven gouden kandelaren wandelt;
  2. Ik weet uw werken en inspanning en uw volharding en dat gij de kwaden niet kunt verdragen en hen op de proef gesteld hebt die zeggen, dat zij apostelen zijn, en dat gij hen leugenaars hebt bevonden;
  3. en gij hebt volharding en hebt verdragen om mijns naams wil en gij zijt niet moede geworden.
  4. Maar Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde verzaakt hebt.
  5. Gedenk dan, van welke hoogte gij gevallen zijt en bekeer u en doe (weder) uw eerste werken. Maar zo niet, dan kom Ik tot u en Ik zal uw kandelaar van zijn plaats wegnemen, indien gij u niet bekeert.
  6. Doch dit hebt gij, dat gij de werken der Nicolaieten haat, welke ook Ik haat.
  7. Wie oren heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt. Wie overwint, hem zal Ik geven te eten van den boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is.

Het Openbaringenboek van Johannes, de discipel van de Aquarius-era, verbergt het geheim van "de dag des oordeels" en van "de opstanding der doden", zoals de dogmatische christenen deze twee hoogtepunten van hun leringen uitdrukken.

De zeven gemeenten in Asia willen wij zien als de zeven spirituele elektromagnetische kernen of chakra's, die zich in het menselijke stelsel bevinden.

De naam Asia beduidt in de verborgen symboliek: het middelende veld.

Men treft deze zeven gemeenten dus aan in het grote macrokosmische middelende veld van het universum, alsmede in het microkosmische middelende veld van het menselijke wezen.

Deze zeven gemeenten zullen de raadgevingen in de zeven brieven moeten opvolgen wil er sprake zijn van een macrokosmische en microkosmische opstanding der doden.

Daar de zeven gemeenten blijkens de brieven hebben gefaald, ontvangen zij een positieve raad, opdat zij als zeven afzonderlijke kernen zullen kunnen opgaan, in de eenheid van de zevenvoudige harmonie, die de hoogste reinheid, het goddelijke wit, zal voortbrengen.

Zeven kleuren, zeven stralen, zeven gemeenten, zeven trillingen worden tot één troostende Geest, waaruit tenslotte geboren wordt: Hij, die de acht Zaligsprekingen aan de mensheid overdraagt.

De onheiligheid der zeven gemeenten, zoals die duidelijk naar voren komt in de Heilige Taal, stemt overeen met de zeven hoofdzonden, de zeven machtige belemmeringen die de mens van zijn vervolmaking en de wording tot Zaligspreker afhouden.

Door de onwaardigheid van deze zeven gemeenten vervalt de zevenheid tot onheiligheid waardoor de mens de verstening, de materiële dood, die tot uitdrukking komt in het Petrus-geloof, wordt binnengevoerd.

De zeven onheilige gemeenten vindt men in de mythen en legenden terug als de zevenkoppige draak.

De onderlinge disharmonie van deze macro- en microkosmische gemeenten herkent men in de kosmische werkingen der natuur, die door middel van de zeven hemeldemonen, of planeten zijn stempel op de mens drukt.

Tot deze demonen rekent men: Zon, Maan, Venus, Mars, Mercurius, Jupiter en Saturnus, die de zeven vooraanstaande heersers over wereld en mensheid zijn.

Deze zeven demonen, drakenkoppen of gemeenten worden gedragen en belevendigd door één machtig lichaam, één motorische kern, waardoor het afhouwen van één kop van de draak totaal zinloos wordt.

De ridder die de mythologische draak verslaat is als de pelgrim die zijn zeven innerlijke gemeenten tot onderlinge harmonie brengt en hen zo openstelt voor de reine, hoge vibratie van de Goddelijke Geest.

De Heilige Zevengeest of de Trooster kan pas werkzaam zijn wanneer de zeven gemeenten hun eigen karakteristiek oplossen in de eenheid van de goddelijke trilling.

In de zeven brieven kan men dan ook ontdekken hoe de mens zeven fouten moet overwinnen om tot de achtvoudige zaligheid te kunnen geraken.

De brief aan de eerste gemeente Epheze legt de nadruk op het "verlaten van de eerste Liefde", hoewel de ijver en het geduld van de gemeente wordt geprezen.

Epheze blijkt een zeer machtige positie in te nemen in het geheel van de zeven gemeenten, want er wordt gezegd: "Dit zegt Hij, Die de zeven sterren in Zijn rechterhand houdt, Die in het midden der zeven gouden kandelaren wandelt."

Epheze bevindt zich in het menselijke stelsel onder aan het ruggemerg, daar waar het heiligbeen-chakra ligt. In het heiligbeen, met zijn acht openingen, vindt de omwending van de ademhaling plaats. Al hetgeen hier binnenkomt kan "veranderd" omgewend, omhoog gestuwd worden, dan wel onveranderd en dood binnen het bekken bewaard blijven.

Het heiligbeen, dat als versteende materie onder de inwerking van Saturnus staat, had oorspronkelijk tot taak de ademhaling te vernieuwen, te confronteren met een hogere vibratie en deze in de ademhalingsbaan te doen opnemen.

Men kan het heiligbeen zien als een poort, een achtvoudige poort, waarover Saturnus of Satanaël waakt.

Deze ademhaling van Epheze kan "temidden van het veld van Asia, temidden van de zeven gouden kandelaren wandelen" en allen voeden met zijn trilling.

Epheze brengt het Leven of de verstenende saturnale dood die het bekken verontheiligt en het satanische leven aanwakkert.

De middeleeuwse alchemisten kenden Saturnus reeds een zeer belangwekkende rol toe daar het saturnale lood het fundament was van het alchemische goud.

Saturnus, de poortwachter in de mens, maar eveneens de kosmische poortwachter in het trillingsgebied der planeten, moet van versteende, onverzettelijke afgezant des doods, veranderen in een goud geharnaste afgezant des Levens.

Op het welslagen van de daad van Epheze berust het gehele omwendingsproces des mensen, van disharmonische Saturnus- of Satanaëlmens tot de Zaligspreker.

Epheze zal "de zeven sterren in de rechterhand moeten nemen", de sterren van de zeven gemeenten moeten belevendigen, licht moeten schenken en zo temidden van de zeven gouden kandelaren moeten wandelen. Zodra Epheze hiertoe wederom in staat is, is de alchemische omzetting een feit geworden en de acht openingen van het heiligbeen kunnen wederom worden benut tot het voortbrengen van de acht zaligsprekingen.

"Die overwint", zo zegt de engel tot Epheze, "Ik zal hem geven te eten van de Boom des Levens, die in het midden van het paradijs is."

Epheze,als de heerser over de ademhaling, bezit de Boom des Levens, die in het midden van het paradijs (het middelende veld van Asia) staat.

 Hierbij denken wij aan het boek van Henoch, waarin geschreven is:

En mijn Heer ging in en uit het paradijs aan de voet van de Levensboom die in het midden geplant staat.


De overeenkomst is duidelijk. De Heer, de trilling des Levens, gaat in en uit het levensveld des mensen, dáár waar Epheze, het heiligbeen-chakra zich bevindt, nl. aan de voet van de levensboom of het ruggemerg.

De engel roept Epheze toe terug tot het oerprana des Levens, opdat de krachtstroom Gods wederom door het veld van Asia zal heen stromen.

De demonische verhardende greep van Saturnus, die Epheze omvat houdt, moet verpulveren in het lichtende vuur van de etherische krachtstromen Gods. Zo smelt het saturnale lood en komt het goud uit dit vuur te voorschijn.

De mensen die dit begin niet verstaan zullen nimmer het Goede Einde begrijpen! 

In het Thomas-evangelie zegt Christus tot de discipelen:         

Gij vraagt Mij naar het einde, terwijl gij het begin niet eens kent.


Indien de pelgrim zijn eerste liefde, als de ademhaling Gods, niet heeft wedergevonden als de Levensschenker, zal hij de laatste goddelijke werkingen nooit kunnen verstaan, evenmin ondergaan.

Al hetgeen deze mens betracht zal nutteloos blijken, daar hij niet gefundeerd staat in het eerste begin, de Oerliefde, de ademhaling des levens.

Zolang Epheze of het heiligbeenchakra niet vernieuwd of omgezet is, zijn alle werken des mensen doelloos in spirituele zin.

Slechts de hernieuwde ademhaling des Levens brengt de ware Geest over.

Zonder deze ademhaling van de beginne zijn de werken des mensen dood en saturnaal, satanisch.

Al deze werken versterken het versteende dogmatische geloof van Petrus, dat de mens nimmer opwaarts voert tot de hoogten van de onbegrensde spiritualiteit.

Zelfs de herinnering aan de "eerste liefde" is gesmoord in de verstening en alle woorden zijn verworden tot dode klanken, die niet vermogen uit te stijgen boven de begrensdheid van het aardse denken.

Epheze ontdekt uit de tot hem komende trilling dat de overige gemeenten, de oorspronkelijke apostelen, tot leugenaars zijn geworden.

Niettemin arbeidt Epheze door!

De ademhaling des mensen gaat automatisch door, er is geen vermoeidheid door de verstening, er is slechts moedeloosheid.

De volharding van dit Epheze wordt geprezen, doch de oorsprong van waaruit het werkt is onjuist.

Allen die uit een onheilig Epheze arbeiden kunnen ijverig zijn en zelfopofferend, doch dit is nutteloos indien zij blijven handelen uit de verstening van de saturnale ademhaling.

Hun gevoelsleven is niet afgestemd op de uitbraak uit de ommuring der dogmatische leringen, noch snelt hun denkleven op spirituele beelden toe, maar zij blijven binnen de ring van de saturnale gevangenis.

Zij verharden in het dogma, in de verstening en de visioenen van Johannes spreken hen niet aan; zij zien slechts het uiterlijke beeld van de gekruisigde Jezus en herkennen de lichtende Christus aan het abstracte kruis der overwinning niet.

Dit laatste beeld blijft voorbehouden aan een Johannes, gelijk deze dit beschrijft in de gnostieke Kruisiging.

De Petrus-mensen hebben hun levensdoel bevestigd binnen de begrenzing der zeven onheilige demonen en zij beijveren zich voor dit doel, zonder uit hun saturnale dood te ontwaken.

De Aquarius-era gaat aan hen voorbij en Johannes zal niet in hen opstaan om de zeven brieven te schrijven.

Daar deze slapenden hun eerste liefde verlaten hebben, werden zij afgescheiden van de zevenvoudige werkzaamheid der zeven gemeenten en hun mikrokosmische middelende veld verloor de binding met het Hart der eeuwigheid.

Hun oren werden doof en hun ogen werden blind en de innerlijke harmonie van de zeven uitverkoren gemeenten is hen vreemd.

Zo Epheze zijn openheid en gevoeligheid zou wedervinden zou de mens de herinnering omtrent de eerste liefde herkennen en de werkingen van de Aquarius-era zouden niet ongemerkt aan hen voorbijgaan.

Dan zou de eerste gemeente opstaan in de overkoepeling van de eerste liefde en de trillingen van de allerhoogsten zouden als leven schenkende aanrakingen door het gehele microkosmische wezen worden gevoerd.

De verharding van Epheze tast in de eerste plaats het hart aan, dat door gebrek aan de levende stroom Gods zich niet kan kwijten van zijn taak: de verborgen middelende arbeid tussen de zeven gemeenten, als de chakra's in de mens.

De saturnale greep verstikt de intuïtieve hartwerkzaamheid en de mens wordt een speelbal van verziekte emoties waardoor hij sensationele prikkelingen zoekt op religieus, kunstzinnig en wetenschappelijk gebied.

De spiritualiteit wordt een lachwekkende vertoning onder invloed van de saturnale overheersing.

De benauwenis van de innerlijke verstening die als een loden pantser om hart, hoofd en wil lijkt te liggen, dwingt de hedendaagse mens tot allerlei vormen van fel protest, tot revolte en verzet.

Men zoekt wanhopig een uitweg en grijpt vele methoden aan om de realiteit van deze onontkoombare gevangenschap te ontvluchten.

“Maar die overwint”, zo zegt de engel tot Epheze, “hèm zal ik geven te eten van de Boom des Levens, die in het midden van het Paradijs Gods is.” 

Die overwint,  de saturnale omklemming wederstaat, die zal lévend blijven onder de voortdurende doorstroming van de levende trilling in de kanalen van zijn levensboom of ruggemerg.

Dan staat er waarlijk een levensboom in het midden van het Paradijs of Asia en de mens is de uitverkorene die daarbinnen mag leven.

De verzieking en verharding, de verontheiliging van de zeven gemeenten of chakra's,  bereiken in de Aquarius-era een hoogtepunt en aan velen wordt daarover reeds de rekening gepresenteerd.

De disharmonie en de innerlijke ontreddering van natuur en mens brengen kosmische storingen, psychische ziektebeelden, organische ziekten, natuurrampen en oorlogen.

Het ene disharmonische wezen verstaat het andere disharmonische wezen niet meer. De zo noodzakelijke trillingen tot onderling begrip zijn afwezig en de storing in het  menselijke en kosmische ademveld neemt nog hand over hand toe.

De trillingen des Lichts, die de uitredding en de vervolmaking van het oorspronkelijke ziele-wezen moesten brengen, dringen niet meer door in de verziekte, verharde menselijke wezens, die zelfs het natuurlijke leven niet meer kunnen behouden.

Het verlies van de eerste liefde blijkt in deze Aquarius-era een catastrofe te worden want de plaatsvervangende “liefde emotie” toont haar saturnale, satanische gelaat, en haar vuur wordt een vernietigende brand, die het lood niet loutert tot goud maar de mens verzengt en spiritueel doodt.

Niettemin: zo gij nog horen en zien kunt, Epheze, Ik zal u geven te eten van de Boom des Levens, die in het midden van Gods paradijs staat, zo gij u bekeert en uw eerste liefde wederom aanbidt.

Dit is het begin van het Leven dat de dood niet kent.


1970 - 2019, copyright Henk en Mia Leene