De zevende gemeente: Laodicea

  1. En schrijf aan den engel der gemeente te Laodicea: Dit zegt de Amen, de getrouwe en waarachtige getuige, het begin der schepping Gods:
  2. Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt, noch heet. Waart gij maar koud of heet!
  3. Zo dan, omdat gij lauw zijt en noch koud, noch heet, zal Ik u uit mijn mond spuwen.
  4. Want gij zegt: Ik ben rijk en ik heb mij verrijkt en heb aan geen ding gebrek, en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind en naakt.
  5. Ik raad u aan van Mij te kopen goud, dat in het vuur gelouterd is, opdat gij rijk moogt worden, en witte klederen, opdat gij bekleed moogt worden, en de schande uwer naaktheid niet zichtbaar worde; en ogen zalf om uw ogen te zalven, opdat gij zien moogt.
  6. Allen, die Ik lief heb, bestraf Ik en tuchtig Ik; wees dan ijverig en bekeer u.
  7. Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Indien iemand naar mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij.
  8. Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon, gelijk ook Ik overwonnen heb en gezeten ben met mijn Vader op zijn troon.
  9. Wie oren heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt.


In de kandidaat wordt de top van de Levensboom (het ruggemerg) gevormd door do gemeente Laodicea.

De engel uit het Openbaringenbook gaf elk van de voorgaande zes gemeenten een raad, die specifiek bij iedere opgave tot herschepping past:

Ephese, die "wandelt in het midden der zeven gouden kandelaren" moet allen belevendigen.

Smyrna, die werkzaam is op het etherische gebied, moet wachten tot hij bekwaam is geworden.

Pérgamus, die het tweesnijdende scherpe zwaard bezit, moet daarmede bewust handelen

Thyatire, die de verborgen middelende kracht bezit, moet zijn ware Liefde herkennen.

Sardis, die de alles openbarende middelaar is, moet zwijgen tot dat de oorspronkelijke Zevenklank gereed is gekomen, waarna hij deze kan uitdragen.

Philadelphia, die de "sleutel Davids" kan ontvangen, moet deemoedig worden en zo zijn kroon bewaren.

Laodicea, die de "spiegel der ziel" zal worden genoemd, zo hij zijn oorspronkelijke gaven terugvindt. 

Over de gemeente Laodicea zijn in de loop der tijden vele misverstanden ontstaan, waardoor de zoekers op een verkeerde weg werden gebracht.

Laodicea of het kruin-chakra (de pijnappelklier) is het enige en waarachtige derde Oog.

Het Oog dat er reeds was voordat de zintuiglijke ogen waren!

In de occulte leringen wordt dit derde Oog altijd verplaatst naar het voorhoofd, in overeenstemming met de methoden om de wil, de persoonlijkheidsmacht gelegen in het voorhoofd, de heerschappij in handen te geven.

Men ziet dit voorhoofdsoog bij Goliath,de reus, evenals bij legendarische reuzen. Reuzen, mensen die samenwerken met de magische krachten in deze natuur en zo tot “reuzen” in de occulte kracht werden, bezitten inderdaad een dwingende kracht, die vanuit hun voorhoofd straalt.

Deze natuurkracht straalt o.a. zeer sterk naar buiten bij de hypnose.

Laodicea, als de ontvangende zevende gemeente, staat snel onder invloed van dit voorhoofdsoog, waardoor de spiegelende gave van het kruin-chakra in werking treedt.

De "reuzen" zullen daarvoor altijd nauw in binding staan met de astrale gebieden van deze aarde, middels de daarop gerichte spiegel van Laodicea.

Op deze wijze worden zij degenen waarvan de engel in zijn brief aan Laodicea zegt: "zij die menen rijk te zijn en die menen te zien, doch zij zijn arm en blind en jammerlijk!"

Allen die het derde Oog in het midden van het voorhoofd plaatsen dènken rijk te zijn en te zien, maar zij zijn arm en blind en jammerlijk.

Elke leer die het voorhoofdsoog aanduidt als zijnde het derde Oog kan beschouwd worden als een occulte leer, die de pelgrim onderwijst in het ontwikkelen van de persoonlijkheidsmacht.

In de brief aan Philadelphia wordt tot hen, die zich zorgen maken over deze voorhoofdskracht, gezegd:

" Bewaar uw "kleine" kracht, vreest niet, en Ik kom haastiglijk !"

Nergens in de brief wordt gesproken over het ontwikkelen van de eigen gaven, integendeel: Philadelphia moet zich verborgen houden en wachten totdat Hij, die openen en sluiten kan, komt!

Wanneer de tijd dáár is en de kandidaat voldoende vernieuwde Kracht bezit mag het voorhoofd stralen door de vijfpuntige Ster van Bethlehem, die niemand overheerst, die niemand forceert, maar die de Vrede van Bethlehem aan de medemensen overdraagt.

Dit voorhoofd kan echter nooit "zien", het bezit de gave tot "zien" niet.

Wanneer Laodicea de diepte van zijn spiegelende Kracht wedergevonden heeft kan de Ster van Bethlehem deze uitzenden.

Alle gemeenten behoren als een eenheid samen te werken en elkanders arbeid te respecteren.

Laodicea wordt beheerst door de hemeldemon Maan en waardoor hij de gave der herinnering bezit, gelijk een spiegel alle abstracte herinneringen des levens vasthoudt, een eigenschap die voortkomt uit het zilver, het maanmetaal, dat achter het glas is aangebracht.

De maan bewaart de stralingen van en de herinneringen aan de zon, zodra deze aan do hemel is ondergegaan.

De pinealis, als het weerspiegelende; ziele-oog, zou dus de herinneringen aan het Godsrijk kunnen bewaren, indien zij in een ongerepte staat zou verkeren.

De herinneringen van de ziel liggen (lagen) opgetast in de pinealis.

Zij zou de stralingen van de Geestzon kunnen reflecteren en zou de kandidaat een machtige hulp kunnen zijn bij de verwerkelijking van de acht Zaligsprekingen.

Zodra Laodicea, als zevende en laatste gemeente, is bekeerd en haar gaven heeft weergevonden, zal de pelgrim kunnen putten uit de herinneringen van deze ziele-spiegel.

De verwerkelijking van de Zaligsprekingen is dan nog slechts een opbouw aan de hand van de oeroude herinneringen.

Helaas is de ziele-spiegel bij de meeste mensen beslagen door de werkingen van Philadelphia, de persoonlijkheidszon, die deze maankracht tot zijn slaaf heeft gemaakt.

Dan reiken de verminkte gaven van de pinealis niet verder dan de etherische planeet-sfeer en zij vermag niet de trillingen van àchter de Saturnus-poort tot zich to trekken.

Tot deze gemeente Laodicea zegt de engel: "Dit zegt de Amen, de waarachtige en getrouwe Getuige."

Het is merkwaardig dat tot deze ziele-spiegel de "Amen" spreekt, want deze aanduiding wordt veel gebruikt voor de Christus, die men dikwijls "de Amen, de Waarachtige" noemt.

De naam "Amen" betekent woordelijk: gelijkwaardig aan een eik.

De eik bezit door de historie heen de betekenis van de Levensboom, en werd daarom door do Druïden vereerd.

Deze Levensboom, eik of Amen symboliseert het krachtige leven. Wanneer men dus over de "Amen" spreekt duidt men op de doorlopende levensstroom, de indalende Lichtkracht, de Levenschenker.

Deze oorspronkelijke eeuwige Levensstroom moet door Laodicea gereflecteerd worden, opdat deze gemeente in de pelgrim tot de getrouwe en waarachtige getuige zal worden, de Amen!

Het hebreeuwse woord "Amen" vertaalt men ook als: waarachtig, zeker.

Indien dit "Amen" door Laodicea zou worden weerspiegeld, als een Lichtreflex van de Geestzon, dan komt er waarachtigheid en zekerheid in de kandidaat.

Pas wanneer Laodicea zich heeft bekeerd wordt deze kandidaat de waarachtige en getrouwe getuige, niet eerder!

De enige getuige van de waarachtige werkzaamheid Gods en van de Schepping Gods is Hij, de Amen, de Levenskracht,het Levensbeginsel van alle goddelijke Schepping.

Daarom zegt de Christus:

Ik ben degene, Die was en Die is en Die komen zal.


Deze "Amen" is als Levensstroom het begin van alle schepping en Hij is als een getuigenis in en om de mens; 

Hij was voordat de schepping bestond; en Hij zal komen zodra Laodicea, de ziele-spiegel, ijverig wordt en zich bekeert.

Deze "Amen" zegt tot de ziele-spiegel Laodicea:

Ik weet dat gij heet noch koud zijt, och waart gij koud of heet!


Ik, de "Amen", herken in u, gemeente Laodicea, de verstening, de saturnale dood;

Ik herken uw negatieve werken, waardoor u zich zegt te verrijken.

In de medische wetenschap weet men dat de pijnappelklier zijn werkzaamheid heeft verloren, hij is verhard, dood.

De hedendaagse mens is niet meer bij machte de herinnering van zijn ziel door deze spiegel te zien.

Zijn herinnering bestaat nu uit waardeloze dingen, die door de uiterlijke zintuigen werden vergaard.

Laodicea, de ziele-spiegel, is lauw geworden en daarom:

Ik zal u uit mijnen mond uitspuwen!


De trouwe gezellin van de zon (de maan) die zich moet bekwamen tot gade van de Geestzon, kent haar spirituele taak niet meer en is niet in staat het werk van de Geestzon des nachts (in de materiële duisternis) over te nemen.

De spiegel-der-ziel was en is de enige verbintenis met de Geestzon, nu de pelgrim in de duistere nacht van deze stoffelijke wereld verblijft.

De Geestzon is voor deze mensen “ondergegaan” en de maan, de heerseres van Laodicea, moet voorlopig de arbeid verrichten.

De verfijnde gevoeligheid van de ziele-spiegel werd uitgebrand door de vernietigende hitte van Philadelphia, het persoonlijkheidsvuur in het voorhoofd.

Een totale verstening was het uiteindelijke gevolg van de satanische krachten van de zes gemeenten, die leven uit en door Satanael, Saturnus, de wachter voor de hemelpoort. .

Laodicea heeft een ontvangende taak en hij voegt zich naar de heersende macht in de. kandidaat.

Het hoofdheiligdom wordt ook wel eens "de Graalbeker" genoemd en de opening van deze beker wordt gevormd door Laodicea. Daarom staat er in de Heilige Taal:

Zo uw oog verduisterd is zal geheel uw wezen verduisterd zijn.


Zo Laodicea zijn gave verliest wordt de mens blind voor de herinneringen der ziel en de bewegingen uit het Godsrijk.

De ene Waarheid zal zonder dit derde Oog door de mens moeilijk gevonden kunnen worden, want middels dit Oog kan hij beschikken over de directe kennis, die uit niets anders bestaat dan uit de herinneringen der ziel.

Zonder deze directe kennis moet de mens zich behelpen met uiterlijke leringen, die zijn uiterlijke zintuigen hem overdragen.

Tot deze uiterlijke zintuigen behoort eveneens het voorhoofds-oog, dat slechts de onzichtbare gebieden der aarde kan zien.

Een verwijzing naar dit “occulte oog” is het in de volksmond gebezigde woord: “Ik heb er een zesde zintuig voor.”

Dit “zesde zintuig” is de uiterlijke gave van de gemeente Philadelphia.

Door dit zintuig komen impulsen, gewaarwordingen en soms zichtbare beelden op de mens toe, die zich daardoor verbeeldt méér te zien of te weten.

Voor de zozeer versteende saturnale mens is deze vergeten zintuiglijke waarneming een wonderbaarlijke ervaring, maar voor de uit de directe kennis levende mens is zulk oen ervaring een onderdeel van de normale gewaarwording.

Zolang Laodicea zich niet heeft bekeerd ontvangt de pelgrim geen Wijsheid, maar de Levensstroom, de Amen, de Levenstrilling Gods zal deze pelgrim "uitspuwen".

Er zal geen contact bestaan tussen deze "Amen" en de pelgrim, hij zal buiten deze goddelijke Levenstrilling zijn geplaatst en de Amen maakt zich door deze kandidaat niet bekend, want hij wordt uitgespuwd.

Zo is deze mens een “dode” geworden, iemand die buiten de oertrilling staat of een “zondaar”, iemand die buiten het Licht is. 

“Gij zegt, Laodicea, dat gij rijk zijt en u verrijkt hebt, en dat gij aan geen ding gebrek hebt.”

De engel kent de “rijkdom” van Laodicea geen waarde toe, maar hij ziet Laodicea als een schijn-rijkaard, die in zijn blindheid zichzelf voorhoudt "rijk” te zijn, terwijl hij in werkelijkheid blind is en arm en jammerlijk.

Een pelgrim die zulk een Laodicea bezit is "dichtgeslagen", onbereikbaar, waarlijk uitgespuwd uit de mond van de Amen.

Dan krijgt Laodicea deze raad:

Goud te kopen dat in het vuur gelouterd is.


Dit is waarlijk alchemische taal!

Goud dat herschapen is door vuur, door het Geestvuur is gereinigd en bestand is tegen dat Geestvuur.

Het saturnale lood, (Epheze), dat "temidden van de zeven gouden kandelaren wandelt" moet omgezet worden in goud, opdat de zeven gemeenten allen het goud zullen ontvangen.

Overal waar dat "lood", die verstening der materie zich bevindt moet het Vuur binnentreden om dit "lood" om te zetten, te reinigen, te louteren opdat de pelgrim zo vervuld worde van het goud dat dóór het vuur versterkt is.

Naast dit goud moet deze pelgrim bezitten: "reine witte klederen, opdat men uw naaktheid niet zal zien."

Witte klederen worden gevormd door de harmonie der zeven gemeenten, of der zeven kleuren. Hij die deze zevenvoudige harmonie bezit ontvangt een rein wit licht dat hem geheel en al omvangt.

Het reine witte Lichtgewaad is het Kleed van de pelgrim die de "Diepe Vrede van Bethlehem" kent, zoals de Broederschap der Katharen dit noemden.

Ook moet gij balsem kopen, opdat gij ziende zult worden.


Uit de reine gaven van al de gemeenten kunt gij, Laodicea, u een balsem samenstellen, een zachtmoedigheid, een deemoed, een bescheidenheid en een barmhartigheid, dan zult g;ij wederom "ziende" worden.

Door uw blindheid, en arrogantie en waan, hebt gij "mijn kastijdingen" niet begrepen, Laodicea, en daardoor zijt gij in deze toestand geraakt.

Uw toestand wordt u niet aangerekend, maar de hoogmoed van uw arrogantie en de verstening!

Gij méént rijk te zijn en aan geen ding gebrek te hebben!


De grote fout is uw verstening en uw verharding in uw zogenaamde rijkdom.

Daardoor zijt gij niet meer bereikbaar voor de Amen en ontbreken u de Waarheid van het door het vuur gelouterde goud, de Reinheid van de witte klederen en de Liefde-balsem die uw blindheid geneest.

Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop” Ik, de Amen, de Levensenergie.

Zodra Ik binnengelaten wordt, zal “Ik opklimmen tot aan de Opperzaal (de derde tempel, het hoofdheiligdom) en Ik zal daar Avondmaal met u houden", pelgrim uit Asia, "en gij met Mij!"

Dan zullen wij in eenheid, in volkomen Harmonie, het Maal der Overwinning vieren, omdat dan gaat geschieden hetgeen zo lang reeds werd voorspeld:

De Dood is overwonnen door de Eeuwigheid!

De tijdelijkheid werd overwonnen door de "Amen", het Levensbeginsel der Eeuwigheid en nu kan de verwerkelijking der Zaligsprekingen worden geopenbaard.

Gelijk in de Heilige Taal staat: “en de Waterdrager ging ons voor tot aan de Opperzaal, waar de Paasmaaltijd werd gehouden", zo zal in deze tijd de Aquarius-era de mens vóórgaan op de weg tot aan de toebereiding van de dis in de Opperzaal.

Zodra gij het teken van deze "Waterdrager" hebt verstaan wordt de Openbaring van de Aquarius-profeet u bekend gemaakt.

Dan kunt gij de acht Zaligsprekingen uitspreken, gedragen door ziele-wijsheid puttende uit de ziele-herinnering.

Zo wordt gij door de harmonische lijnen van het teken van de acht met de eenheid van hemel-aarde en het "zo boven-zo-beneden" wordt dan door u gerealiseerd in de tijd.

De Zevenklank werd door het keel-chakra voortgebracht en riep zo Saturnus, de wachter aan de poort der Zevenheid tot de omzetting op.

Daarop zal zich do poort openen.

En de pelgrim zal het Land der Ziel binnentreden, waar alles in en door harmonie voortgebracht wordt en waar de eenheid heerst tussen het Boven en het Beneden en waar nooit wordt vernietigd, doch waar slechts wordt geheeld.

Dit is de wet der Liefde, die alleen dáár kan worden voltrokken waar de Eenheid leeft en waar Saturnus (Satanaël) tot zijn oorspronkelijke wezen (Christus) is weergekeerd.

Deze pelgrim kan "zitten op de troon van de Amen, gelijk deze gezeten is op de troon zijns Vader."

Deze "troon" verheft zich boven de verbrokenheid, dáár waar de machtige Lichtkracht van de eeuwige energie is samengebundeld.

Gezeten op deze "troon" is de pelgrim geworden "de Zoon des mensen", de Christus of de Amen, de Levensbrenger des mensen en de enige tot wie men zegt: "Rabboeni, Meester!"

In deze kandidaat woont, door het Avondmaal, de "Amen”, de Oer-energie, de Meester waardoor de Zaligsprekingen naar buiten worden gebracht.

Tot deze "Amen”, deze wederom in hem wonende "Heer", Die was en Die is en Die is teruggekeerd, spreekt de kandidaat: "Heer, wat wilt Gij dat ik doen zal?"

In deze mens legt de Heer zijn antwoord neder en zo zal hij wéten wat hij moet doen. 

Op deze wijze worden de Zaligsprekingen geboren èn uitgedragen. 


1970 - 2019, copyright Henk en Mia Leene