Transformatie

Uit ons gegeven over metaallegeringen met een bepaald herinneringsvermogen is op te maken dat een bepaalde metaal-samenstelling de herinnering aan de oude vorm wakker maakt. 

Daar de mens uit verschillende metalen is samengesteld zal zijn individuele metaal-concentratie medewerken aan zijn oerherinneringsvermogen. 

De samenstelling der individuele metalen is dus zeer zeker mede bepalend voor de activiteit van de oerherinnering. 

De oerherinnering, die dat ondefinieerbare heimwee naar het volmaakte Land Gods oproept, wordt in de mens binnengeleid mede via zijn organische metaal structuur. 

Bij de beschouwing van de zeven metalen kon men zien hoe ieder metaal een bepaalde innerlijke werking bezit. 

De onderlinge verhouding der metalen bepaalt mede het herinneringsbeeld, zoals blijkt uit de wetenschappelijke onderzoekingen. 

Het is bekend dat mineraal, plant en metaal een aurische uit-straling bezitten, en zo zal men kunnen verstaan dat de individuele samenstelling der organische metalen mede de kleur en de kracht van het menselijke aurische veld bepalen. 

De mens kan een levenshouding loochenen, zich een spirituele levensstandaard aanmeten, maar zijn aurische veld bedriegt nooit. 

Dit is wetenschappelijk reeds bewezen door fotografische opnamen van de aura. 

Het is een vaststaand feit dat metalen en vaste stoffen door een overschrijding van een bepaalde kritische temperatuur hun atoomstructuur gaan veranderen. 

Dit is dus een natuurlijke verandering. 

Een eigenschap die wij bij de mens eveneens tegenkomen. 

Iedere oververhitting, zich uitende in een hartstocht, onverschillig voor welk doel, verandert het wezen van de mens. Een innerlijke brand, die het bloed verhit, wordt altijd allereerst in de aura kenbaar en later in het uiterlijk en de handelwijze van de mens. 

Er is binnen de natuurwet geen bedrog mogelijk, daarvoor  grijpen alle werkingen teveel in elkander. 

Iemand die arbeidt voor een ziele-terugkeer en daarvoor noodzakelijkerwijs zijn ego-belangen terzijde stelt, geeft zichzelf automatisch bloot aan een geestelijke verhitting; geestelijke verhitting, zo zij werkelijk niet uit eigenbelang geboren is, is een verwarming die boven de natuurlijke hitte uitstijgt. 

Zij bezit echter niet die verschroeiende hitte van een hartstocht. 

Zodra de natuurlijke begrenzing echter wordt overschreden slaat zij om in een hitte, die een eenheid is van koud en heet, water en vuur. 

Hieruit komt een gestadige, levende verwarming voort, die de alchemisten het hemelse zout noemen. 

Het is de oorzaak van het levensprincipe der eeuwigheid. 

Zodra de mens deze hemelse hitte verdraagt is hij "omgeklapt", om in wetenschappelijke taal te spreken, ofwel: hij is getransformeerd, getransfigureerd. 

De kritieke hitte die de aanleiding vormt voor de metaal-omwending is gelijk aan de crisistoestand die de zoeker ervaart, wanneer hij "met de rug tegen de muur" wordt geplaatst. 

Hij ondergaat in zulke momenten zijn individuele kritieke hitte en uit die situatie moet hij handelen. 

Mensen met een oerherinnering, kunnen zich in zulk een ogenblik werkelijk omwenden; herinneringsloze mensen bezitten een  lagere kritieke hitte-temperatuur, omdat zij slechts tot "het  zoeken" moeten worden gebracht. Er zijn immers twee stadia: het zoeken en het praktizeren, de omwending zelf. 

Een zoekend mens houdt eens op met het uiterlijke zoeken! 

Er komt in de zielvolle mens altijd een moment waarop hij de innerlijke zekerheid bezit, niet als uiterlijke, maar als innerlijke vorm. 

Zijn voormalige uiterlijke zoekerstocht verandert met hem en wordt een innerlijk aftasten, een speurtocht in een innerlijk gebied. 

Vanuit zijn innerlijke zekerheid observeert hij zijn innerlijke kennis, zijn levenshouding, zijn gaven. 

Hij heeft nu een antenne, die hem feilloos door het innerlijke gebied leidt. 

Deze antenne is de hitte-geleider die hem voortdurend bewogen houdt voor de spirituele opgave. 

Voor iedere vaste stof in de natuur is een kritieke hitte-graad noodzakelijk om een omzetting te bewerken; voor de mens is dit hetzelfde. 

Het veelvuldig gevoerd worden binnen deze kritieke hitte-graad, zoals sommigen ervaren kunnen, heeft tot gevolg dat de mens "omklapt", verandert, hetzij in degenererende, hetzij in regenererende zin. 

Maar het hitte-proces heeft altijd een resultaat, een ontmoeting  met het vuur gaat aan niemand ongemerkt voorbij. 

Een bezieling is een vuurkracht, maar ook drift, in zijn vele vormen, is een vuurkracht. 

Vele animale bezielingen zijn in werkelijkheid een drift, een hartstocht, waardoor de atoomstructuur van de mens verandert. 

Is deze mens een herinneringsmens dan kan hij tot zijn oude vorm, zijn weten, terugkeren. Soms na een ervaring, soms pas  na jaren, soms na een geheel leven. 

Niets is echter gevaarlijker voor de onaardse zieleherinnering dan de hitte van het kritieke vuur. 

En toch wordt ieder mens eraan blootgesteld. 

Deze kritieke hitte-kracht bemerkt men o.a. zeer duidelijk bij het overschrijden van de theoretische zevenvoudige voorbereiding naar de praktijk van de daad der acht zaligsprekingen. 

Zodra de mens zich actief bezighoudt met de spiritualiteit wordt  de innerlijke verwarming verhoogd, hij wordt aan het vuur toevertrouwd, eerst langzaam, maar dan steeds sneller. 

Uit deze praktijk volgen allerlei ervaringen, de gebeurtenissen spitsen zich toe, nemen andere vormen aan, worden intensiever.  

Hoe sterker de mens zich aangegrepen voelt door een spirituele bezieling, een geestelijk vuur, des te ingrijpender zijn ervaringen worden. 

Ingrijpend in de zin van gewetensconflicten, situaties waarin hij zichzelf declareren moet. Iedere atoomverandering is bepalend voor zijn besluit in het conflict. 

Daarom kan het gebeuren dat een spiritueel arbeidzaam mens van de ene dag op de andere dag verandert  

Hij is niet wispelturig, maar zijn veranderingen volgen elkander op als een proces, een atoom-structurele verandering als voor-stadium van de "omklapping". 

De mens is de meest ontwikkelde schepping der natuur, omdat hij over het denkvermogen beschikt. 

Dit is echter begrepen binnen de natuur en is nog geen goddelijke gave. 

Het brein van de mens is een ingewikkeld computersysteem, dat direct in verbinding staat met het aurische veld, maar het kan de ziel niet beheersen, het kan slechts een weg effenen voor de ziel. 

Edele, geestelijk hoogstaande gedachten plaveien de doorgangs-weg voor de ziel. 

De kritieke hitte-graad waarbij de "omwending" plaatsvindt wordt echter wel ondergaan in het denken, evenals het ervaren wordt in het hart. 

Noch het hart noch het denken kunnen aan deze hitte echter iets veranderen, zij worden daardoor aangegrepen, maar zij controleren het proces niet. 

Niettemin bezit de "omgewende" mens een rede en een hart. 

Vanuit een veranderde atoomstructuur worden het denken en de emoties van deze mens eveneens veranderd. 

Deze veranderde atoomstructuur is dermate ingrijpend dat de voornaamste levenscentra van de mens een andere denk- en gevoelsrichting inslaan. 

Wanneer de zeven organische metalen in de mens de kritieke temperatuur ondergaan "klappen zij om" en op hetzelfde moment passeert de mens de grens tussen de sfeer van de zeven hoofd-zonden en de sfeer van de zeven edele gaven. 

Een "omgewend" mens leeft positief en lijnrecht gericht op zijn oerbeeld, de goddelijke vorm, toe. 

Zijn metalen richten zich direct op de edele gaven en zij helpen deze mens hen te realiseren. 

Er zijn in een mensenleven soms verschillende situaties waarin de kritieke verhitting tot hem komt. 

Deze situaties kennen een gradueel verschil, zij vormen een soort trap waarlangs de mens zich beweegt. 

Hierdoor hardt hij zichzelf, zonder echter innerlijk verhardt te worden, integendeel, hij wordt innerlijk zachter, soepeler, terwijl hij uiterlijk harder, verdraagzamer wordt. 

Vuur reinigt de mens van tekortkomingen; d.w.z. kritieke situaties, waarbij men zich als door een vuur voelt aangegrepen, louteren de mens, mits hij er geen spel van maakt en zich  amuseert met zijn eigen brand des bloeds. 

In het laatste geval ver-ast hij zichzelf zonder dat er enige eeuwigheidswaarde achterblijft, waardoor dus het geestelijke proces geen verdere voortgang kan vinden. 

Er zijn twee processen, zegt de alchemist, wanneer het ene  eindigt begint het andere en voltooit het werk. 

Op de as van het eerste proces begint het tweede proces en brengt de Voleinding. 

Wanneer de mens aan het eerste proces werkt, de ego-omzetting in het edele lood, kan hij wellicht over het tweede proces  spreken, maar hij heeft er geen deel aan. 

Hij weet niet hoe het is, hoogstens vermoedt hij hoe het zal zijn. 

Ego-verandering is echter een simpel proces, het volgt vanzelf zodra de kandidaat geestelijk voldoende wordt verhit. 

Het ego, indien het geworden is tot het deemoedige edele lood, verlangt zelf naar de verdere voortgang van het omwendings-proces, omdat de edele natuur, de Prima Materia, zijn Schepper aanbidt en niets liever wil dan deze Schepper eren en dienen. 

Men kan dat in de natuur nog enigszins herkennen. 

Het ego streeft dus slechts tegen wanneer het nog onedel is, de zuivere inspiratie der oernatuur nog niet bezit. 

Dat is de verdoemenis van de vermenging Lichtzoon en natuur: beide zijn onzuiver. 

Beide moeten tot hun oude vorm, hun ineigen staat terugkeren. 

De moeilijkheid is dat het ego dermate misleid is door de arrogantie van de Lichtzoon dat het zijn plaats niet meer weet. 

In de schepping vindt men geen arrogantie zoals de gevallen Lichtzoon, men vindt hoogstens ijdelheid, trots op zijn eigen kracht. 

Maar men vindt niet die arrogantie die de Schepper wederstaat of uitdaagt. 

Wanneer het dier zijn laatste uur voelt naderen, trekt het zich, normalerwijze, terug om te sterven. 

De mens vindt het zijn plicht zich aan de dood te onttrekken, het sterven is in onze moderne tijd een moeilijke opgave. 

Leven en sterven, als de twee actiecentra des levens, lijken het doel van hun aanwezigheid te verliezen. 

Men kent de bedoeling van hun werkzaamheid niet meer. 

Zolang men het bestaan van de twee alchemische processen niet kent, hebben leven en sterven slechts een biologisch doel.  

En zullen zij worden aangegrepen door de, door een kritiek vuur bezeten, degeneratief "omgeklapte" Lichtzoon. 

Hoe intelligent de mens ook is, hoe gecultiveerd en intellectueel hij lijkt, hij is altijd, bezien vanuit de oervorm, een dégeneré. 

Dat de mens moeite moet doen om zich te veranderen in het oude lood, de oervorm van het ego, is een teken van degeneratie. 

Dat hem dit bovendien zoveel moeite kost is nog ernstiger. 

Wanneer hij na een reiniging van het ego niet verder wenst te gaan, is dat een teken van zielloosheid, van een slapende herinnering. 

Voor de zielvolle mens is de ego-reiniging vanzelfsprekend, maar wordt geen doel op zichzelf. 

Daarom is het zinloos doorlopend over de belemmeringen van het ego te spreken en krampachtige pogingen te doen om dit te veranderen. 

Wordt de kandidaat voldoende verhit, komt zijn beslissende kritieke hitte-graad, dan klapt hij om, hetzij neerwaarts, hetzij opwaarts! 

Voor elk mens komt eenmaal het laatste beslissende moment. 

Dit kan heden zijn, het kan morgen zijn of over jaren, maar het komt absoluut. Omdat ieder mens, spiritueel of materieel in-gesteld, met vuur arbeidt, daaruit leeft, erdoor wordt bezield. 

Wij spelen dagelijks met een vuurkracht! 

Indien de mens dit niet ervaart behoort hij misschien tot hen, die lauw zijn.

Want het vuur, in velerlei aanzichten, is aanwezig en moet de mens aangrijpen, zo er een proces voltrokken moet worden. 

Zonder het vuur is er geen proces mogelijk. 

Het vuur grift altijd een ervaring in het bloed, waar deze ervaring vandaan komt is niet belangrijk, maar een vuurkracht brandt het weten in. 

Zo bent u eens aan uw oerherinnering gekomen; door een  ervaring met de vuurkracht is de herinnering aan het gebeuren in  u gebrand en u raakt dat nooit meer kwijt. 

Het kan voor lange tijd zwijgen, maar op een dag is het er weer, irriterender, pijnigender dan ooit te voren. 

Zelfs wanneer een ziel in de buitenste duisternis wordt geworpen, in de totale vergetelheid, blijft er toch die vreemde drang in hem, die hem dan tot geëxalteerde of misdadige handelingen aanzet, maar de pijniging blijft: het is de foltering van het vuur. 

Dat is een genade, een bewijs van de onbegrensde Liefde des Vaders. 

Zonder dit vuur, deze vurige pijniging, kristalliseert zijn schepping en dat betekent het einde, de verharding. 

Hij, die deze zieleherinnering in u achterliet, als een heimwee, als een koorts, Hij zal over u waken, omdat Zijn Beeltenis in u werd afgedrukt. 

Deze Beeltenis zal hersteld worden als door vuur heen! 

Ervaar dat, kandidaat, en wordt wijs!

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene