Tin

Wanneer men het Jupiter-metaal, het tin, in ogenschouw neemt dan zijn er bepaalde eigenschappen die verwondering zullen opwekken, maar waarvoor, spiritueel bezien, steeds een oorzaak gevonden kan worden. 

Tin gedraagt zich bij verwarming anders dan de andere metalen, hoewel het eerst weker wordt verhardt het zich bij ongeveer  160∞C en wordt zelfs brozer. 

Verkoelt men het onder de min 50∞C dan verliest het zijn eigen vorm. 

Tin is dus een element dat men weloverwogen moet behandelen. 

Te veel hitte bewerkt het tegenovergestelde van wat men wil en te veel koude eveneens; bij tin moet een gulden middenweg worden bewandeld, wil men het metaal kunnen aanwenden. 

Zodra het tin na een verwarming van 160∞C een harde, broze substantie is geworden, geeft het zich sneller aan het smeltproces over dan de andere metalen, uitgezonderd het kwik. 

Hoewel dit tin dus handelbaar wordt wanneer het broos is, verzet het zich echter tegen de overmatige hitte door pas te koken bij 2300∞C. 

Een metaal tot koken brengen betekent een provocatie van de eigenschappen van het metaal. 

Een kookproces is altijd een explosie-toestand, er is een grens overschreden; bij de mens zegt men: "hij heeft zichzelf niet meer in de hand, hij is kokend." 

Wanneer het Jupiter-metaal in de mens zich gewonnen geeft aan een kookproces is het organisme van deze mens totaal gedesorganiseerd.

Via het Jupiter-metaal staat de mens in contact met de onzichtbare gebieden, met zijn astrale lichaam. 

Jupiter heerst over het etherische organisme van de mens, en iedere onderbreking in de wisselwerking tussen het etherische en het stoffelijke wezen brengt een gevaarlijke evenwichtsstoornis met zich mede. 

De bescherming daartegen vindt de mens in zijn Jupiter-element, zijn tin, doordat dit zich heel lang verzet tegen een kookproces, een oververhitting, een spel met vuur. 

Er is hier natuurlijk sprake van de gezonde onbeschadigde mens, hij, die op geen enkele wijze zijn natuurlijke gaven heeft misbruikt. 

Een voortdurende blootstelling aan een onverdraaglijke vuur-kracht, spiritueel gezien, brengt het "tin" in de mens tot een kookpunt, waarna hij "doorslaat" zoals dat heet, zijn contact is doorgeslagen. 

Er is kortsluiting ontstaan tussen de stoffelijke mens en zijn etherische lichaam. 

Tin doet niet graag afstand van zijn vorm, kwik wil geen vorm aannemen, maar wenst vloeibaar te blijven. 

De onwil van het tin beschermt de mens tegen een foutieve overgave, en de onwil van het kwik beschermt de mens tegen verstarring. 

Kwik en tin willen beide het tegenovergestelde en toch vinden zij elkander wanneer het spirituele proces een juist verloop heeft. 

Het tin heeft een zeer subtiele taak en daarom mag het absoluut niet geforceerd worden, zodra men dit doet komt er leed in de mens, waaraan een staaf tin onbewust getuigt wanneer men het met de handen buigt: het maakt een vreemd scheurend geluid,  ook wel het "schreien" of het "schreeuwen" van het tin genoemd. 

Zodra de mens zijn tin geforceerd heeft en hij daardoor zijn milt-leverpoort, waardoor hij met de etherische gebieden in contact komt, heeft geopend, terwijl de beschermende functie van het tin is weggevallen, heeft hij reden om te schreien, hetgeen hij dan ook zal doen; hysterisch schreien, schreeuwen via het hoofd, schreeuwen met al zijn zintuigen, kortom: het gehele organisme van de mens vormt dan Één schreeuw, Één ongebreidelde vraag, hetzij om hulp, hetzij om bevrediging. 

Al deze gedeformeerde elementaire toestanden zijn het gevolg van een misbruik, een overmaat ergens aan. 

De eigenschappen van de metalen kunnen de mens tot een volbrengen aan zijn taak voeren, maar een vervorming van deze eigenschappen maakt van de mens een uitschieter, een abnormaliteit op welk gebied dan ook. 

Alle overdreven situaties zijn verkeerd, belemmeren een harmonische spirituele ontplooiing. 

De z.g. begaafden in deze wereld, zij die door de mensheid worden aanbeden, bereiken vrijwel nooit een innerlijke harmonie. 

Er kan slechts sprake zijn van begaafdheid wanneer de ziel de mens tot zijn middelaar heeft gemaakt, zulk een gave brengt een wedergeboorte binnen de tijd. 

Alle andere begaafdheden, hoe benijdenswaardig zij ook lijken, brengen een mens nooit tot een spirituele verheffing. 

Omdat op de Één of andere wijze het natuurlijke evenwicht werd verstoord. 

Zou de mens een spiritueel levensdoel voor ogen staan, dan zou hij zijn z.g. begaafdheden in andere banen leiden en zodra men zulk een gave in dienst stelt van de geest wordt hij teruggebracht tot een innerlijke harmonie. 

Hoevelen maken van hun z.g. gave misbruik om hun mede-mensen te misleiden? 

Hoevelen wenden deze gave aan tot eigenbelang? 

Iemand die begaafd is denkt meestal zeer egocentrisch als gevolg van zijn innerlijk onevenwichtigheid, waaruit dan direct blijkt dat zijn gave niet aan de ziel ontsproten is. 

Ieder metaalelement zet de mens aan tot een zelfbevrediging, in overeenstemming met de eigenschappen van dat metaal. 

Een gave is geen zegen Gods, maar een mikrokosmische over-dracht, die men prettig dan wel onprettig kan vinden. 

Bezit men een gave Gods, dan handelt men goddelijk. 

Een waarlijke gave Gods neemt de mens in bezit en dwingt hem tot een verheven handelingsleven. 

Het woord "hoe groter geest, hoe groter beest" bewijst dat een gave de mens dikwijls totaal uit zijn evenwicht brengt. 

Er zijn altijd twee zijden aan een medaille, slechts wanneer beide zijden in ons leven in evenwicht met elkander zijn en door iedereen gezien kunnen en mogen worden, kan men spreken van een harmonie. 

De metalen moeten niet over de mens regeren, maar de mens  moet hun eigenschappen kunnen aanwenden door middel van zijn ziel. Op elke andere wijze zou het een wilsbeheersing worden, hetgeen tot een kunstmatige levenshouding voert. 

Iedere mislukking in een mensenleven is te wijten aan zijn ver-keerde levensinstelling. 

Dit geldt evenzeer op het spirituele gebied. 

Iedere levensinstelling is te veranderen zo de mens wil. 

Zo men de spirituele zijde des levens zoekt moet men de geest, de bron der spiritualiteit, als uitgangspunt van zijn leven nemen,  doet men dat niet dan is spiritualiteit slechts een woord, een vage klank, waarmede men zijn profane leven een schoon aureool tracht te geven. 

Zich baserende op de geest kan de mens alle barricaden over-winnen.  In hemzelf, zowel als rond hemzelf. 

De onevenwichtigheid die ieder mens beheerst kan direct doorbroken en opgeheven worden wanneer de mens de geest laat binnentreden via de poort des harten. 

Bij de binnenkomst van de geest trekken de metaal-elementen en hun uitingen zich direct terug, sluiten zich in zichzelf op, omdat de Kracht der Krachten hen naar hun plaats terugwijst. 

Daarom kan na zulk een geestelijke aanwezigheid de pelgrim met een schone bladzijde beginnen. 

Hij, die de waarheid van deze woorden vatten kan, vatte het.  

Hij, die deze ervaring kent, zal trachten in overeenstemming daarmede te handelen, zo hij wijs is.

1970 - 2015, copyright Henk en Mia Leene