Begin

De inzet van iedere religieuze strijd, van alle kruistochten en bloedige onderdrukkingen was en is: de ziel. 

Niettemin weet niemand precies wie en wat de ziel waarlijk is. 

De alchemisten kwamen er nog het dichtste bij door te zeggen dat de ziel een middelende trilling is tussen stof en geest. 

Deze zieletrilling heeft zich aangepast aan het aardse leven, doch zij zal daar nimmer deel van worden. zij is als het kwikzilverachtige Mercurius-metaal, openstaande voor de lagere natuurlijke trilling en openstaande voor de hogere goddelijke trilling. 

Er wordt altijd van het denkbeeld uitgegaan dat iedere zoeker een door de ziel gedreven mens is. 

Niets is echter minder waar. 

De zielloze mens zoekt nooit naar de geest, omdat zij deze nooit gekend heeft en deze daarom niet zal willen bezitten. 

De zielvolle mens zoekt slechts naar de Geest, omdat een oer-oude, onbewuste herinnering hem daartoe aanzet. 

Tot deze laatsten spreken Paracelsus en zijnsgelijken. 

Voor hen legden zij dat proces van de zevenvoudige transplantatio uit, die voor ieder zielloos mens een geheim moet blijven. 

Verkalking, als de eerste graad, is het verkrijgen van het ego, een gereinigd, de ziel dienend ego, dat in staat is de tweede graad der transplantatio te helpen verwerkelijken. 

Daar waar het ego namelijk in staat is tot as te worden, daar kan de sublimatie plaatsvinden. 

Sublimatie is het bouwen van een nieuwe denk- en gevoelswereld op de as van het ego. Er is duidelijk een overeenkomst te vinden tussen de zeven metalen en de zeven graden van Paracelsus' transplantatio. 

De eerste graad is de verkalking, d.w.z. de energie van het ijzer aanwenden om de vurige drift om te zetten in gereinigde as, het overblijfsel in het vuur. 

Uit deze vuurwerking staat de legendarische vuurvogel op; uit de as staat de sublimatie op, het gereinigde element, de mater materiae waaruit het getransplanteerde wezen gevormd wordt. 

"Deze sublimatie", volgens Paracelsus, "is een geheim dat gij niet aan de onderzoekers moet bekend maken, het is namelijk een vermenging van olie en steen, dan weer is het olie, en dan weer is het steen."

Olie, zoals ook in het Boek Henoch staat, is het element waardoor ziel en stof en ziel en geest worden verbonden; olie is  de etherische middelaar tussen twee werelden. 

Steen is de mater materiae zelf: de Steen der Wijzen, de Moeder-aarde, waaruit de edele materialen tot vorming van het oerwezen van de Lichtzoon geëxtraheerd kunnen worden. 

"Het zal voor de sophisten," zegt Paracelsus, "een onbegrijpelijkheid zijn, dat de sublimatie dan weer olie is en dan weer steen. En toch zijn zij beiden aanwezig." 

U kunt deze uitspraak vergelijken met de spirituele mens, die zich fundeert op een deemoedig, ontvankelijk en zuiver ego. 

Hij is, vanuit menselijke observatie gesproken, een goed mens. 

Maar hij neemt daar geen genoegen mee en tracht deze goedheid boven de begrenzing van het natuurlijk mogelijke te verheffen. 

Daardoor verlegt hij zijn denkrichting, hij sublimeert zijn denken, omdat hij hiertoe vanuit de zieletrilling gedreven wordt. 

Let wel! Wij zeggen: vanuit de zieletrilling, niet vanuit zijn wil! 

Hij wordt gedwongen tot een zoeken buiten de natuurlijke begrenzing, omdat zijn zieleherinnering hem daartoe aanzet. 

Wanneer deze mens, die in het stadium van de sublimatie staat, aan het vuur wordt toevertrouwd, verkrijgt hij materialen die nimmer meer vergaan; hij wordt dan tot een "steen", die van een wonderbaarlijk grote kracht is. Het denken van deze mens is als olie, etherische olie, de denkziel verlichtend; raakt het geestvuur dit denken aan dan vormen zich kristalheldere stenen, onvergankelijke materialen, die zich in deze mens gaan samenvoegen  tot een hersteld zielelichaam. 

In deze werkingen zien wij het samenvoegende element van het koper, het Venusmetaal. 

Het koper, de trillingen van Venus, wakkeren de intuïtie aan,  mits natuurlijk het ver-aste ego de basis van het proces vormt. 

Een "onverbrand" ego stimuleert en animeert de tegenover-gestelde werkingen van de zeven graden. 

Daarom zegt Paracelsus: "Zonder de eerste graad, de verkalking, kunnen de volgende graden nooit bewerkt worden."     

Het is ook deze eerste graad waarmede de zoeker de meeste moeite heeft en die de zielloze mens nimmer lukken zal. 

Men moet de zin van deze "verkalking" of ver-assing volkomen begrijpen zo men haar wil realiseren. 

Men moet verstaan dat de ingedaalde ziel of Lichtzoon onder-worpen is aan het proces van transplantatio, omdat dit het enige middel tot ziele-terugkeer is. 

Overal om ons heen kan men de waarheid van deze transplantatio bewezen zien; de natuur realiseert hem binnen haar eigen materie, door een wisselwerking binnen de vier rijken. 

De vier rijken dienen elkander daar zij tezamen de natuurlijke opeenvolging van leven en dood in beweging houden. 

Het is tegennatuurlijk om hierin geforceerd in te grijpen, zoals b.v. door wrede uitmoording. 

Het ritme van deze zevenvoudige transplantatio is reeds lang verstoord door de ingreep in het levensmilieu en in de harmonisch natuurlijke verhoudingen. 

Dit houdt echter tevens in dat de harmonische voorwaarden tot  een ziele-terugkeer steeds verder degraderen, waaruit wederom voortkomt dat de eerste graad, de zo noodzakelijke ver-assing, door de mens nauwelijks meer volvoerd kan worden, omdat zijn natuurlijke ego de middelen gaan ontbreken. Het ego verstaat de transplantatio niet meer, stoffelijk-natuurlijk verziekt het. 

De ziel hunkert nog wel, maar kan haar heimwee niet door laten dringen tot in het ego, omdat dit voertuig zijn capaciteiten gaat verliezen. 

Bewijzen hiervoor behoeven wij niet op te noemen, zij zijn overal zichtbaar. 

Een groot deel van de mensheid is dagelijks doende om te  trachten dit ego, dit natuurlijke voertuig, zijn bekwaamheden  terug te schenken, met meer of minder resultaat. 

Het interesse-veld van het overgrote deel der mensheid is daardoor uitsluitend op dit verziekte ego gericht, terwijl de ziel wordt genegeerd. 

Met dit verziekte ego, een ziekte waaronder men alle vormen van disharmonie in denken, in gevoelen, in willen en in het lichaam kan rangschikken, tracht de zoeker zich niettemin op te heffen tot de sublimatie, de tweede graad van Paracelsus. 

Het gevolg is dat het zieke ego kristalliseert in zijn disharmonie, versteent, terwijl de etherische olie der ziel afwezig blijft. Want  uit de as staat de sublimatie in zijn tweevoudige aanzicht  op. 

Uit de ver-assing van het ego staat de "vuurvogel" der geestelijke ziel op. 

Wellicht zag de geestelijke zoeker deze ver-assing als de kroon van zijn streven en zoeken! 

Paracelsus zegt: hij is het begin! 

Het Goede Begin! 

Daarom hebben wij herhaaldelijk gezegd: zolang het ego zijn lied meezingt op de zoekersweg is het Pad van Transplantatio of Transfiguratie nog niet betreden. 

Hieruit volgt wederom dat zulk een mens geen Rozekruiser, geen Kathaar, geen Alchemist of enige andere zielebevrijder is, maar slechts een zoeker in het alchemisch laboratorium, een expe-rimenteerder, die de juiste opeenvolging van de alchemische  stadia nog niet schouwt. 

Men is geen Rozekruiser of Alchemist of Kathaar door deze leringen intellectueel te bevestigen, maar men volgt de idee van deze groten van geest slechts wanneer men bewijst dat hun leringen verwerkelijkt kunnen worden. 

Na de sublimatie, zo zegt Paracelsus, volgt de het opgaan en zich overgeven. 

Er is een tweevoudige "oplossing" of overgave, Één van de  koude en Één van de hitte. 

Deze "overgaven betreft de ziel en het ego. 

De ziel geeft zich over aan de hitte van het geestelijk vuur, het ego blijft terug in de koude, in de onbeweeglijkheid, de schaduw. 

Deze "overgave" kunnen we vergelijken met de stilte; er is een stilte van het ego en een stilte van de ziel en deze beide hebben niets met elkander te maken, hoewel beide vormen een overgave betekenen. 

Het ego geeft zich niet over aan de ziel, maar trekt zich terug van de ziel, het sluit zich wederom op in de eigen oermaterie, en op dat moment kan de ziel zich volkomen naar de overgave of haar stilte toekeren. 

De geestelijke trilling beroert daarop de ziel. 

Zodra de ziel binnen haar stilte omvat wordt door het geestelijke vuur, wordt zij herboren en dat betekent altijd dat zij dermate  sterk geworden is dat zij haar terugweg tot een "Goed Einde" kan volbrengen. 

De uiteenzettingen van Paracelsus klinken wellicht gecompliceerd, want hij moest zijn weten verbergen achter zinnebeelden. 

Zij komen echter wonderlijk goed overeen met alle oude uit-spraken der wijzen. 

Er wordt zo dikwijls gemeend dat het ego zondig is en dat het daarom te vuur en te zwaard, door kastijdingen en pijnigingen gefolterd moet worden, opdat het zich zal gaan overgeven aan een geestelijk leven en zijn wortels uitgerukt zullen kunnen worden. 

Welk een waan! 

En wat een lijden heeft dit met zich medegebracht. 

Duizenden occulte, mystieke secten drijven hun aanhangers tot waanzin, omdat zij het ego aangrijpen en trachten te vernietigen. 

Terwijl, integendeel, een zuiver en harmonisch ego juist de enige voorwaarde is om tot een zieleleven te komen. 

Vergist u zich niet: wij spreken niet van een ego cultuur, maar  van een natuurlijk, deemoedig en vooral evenwichtig ego, waarbinnen de tegengestelden dezer natuur elkander opheffen, maar elkander nooit bestrijden. 

Deze twee aanzichten worden beiden tot as in de eerste graad: de verkalking. 

Aan de hand van deze redenering kan men nagaan dat alles wat "te" is: een te grote ijver, een te grote moed, een te grote aspiratie tot niets leiden. Dit alles is disharmonie, onevenwichtigheid, de tekenen van een verziekt ego. 

Toegeslotenheid van het wezen is het signaal van een verziekt ik, maar ook een te grote toeschietelijkheid is een vervorming van het ego. 

Beide uitingen zijn een stempel van de ego-beschadiging. 

Zolang deze overdreven acties nog aanwezig zijn is er geen  sprake van ver-assing, want de twee tegengestelden binnen het ego strijden een verbitterde strijd: de ene helft wil zich overgeven, de andere helft verzet zich. 

Daarom is uw strijd, uw problematiek, geestelijke zoeker, voor vrijwel 90% gelegen in het ego en niet in de ziel. 

De ziel veroorzaakt geen problemen, zij komt nog niet aan bod, zolang het ego de ver-assing niet is binnengegaan. 

Zij zendt hoogstens impulsen uit, opwekkingen die veelal de  strijd nog aanwakkeren. 

Daarom vinden velen het zo moeilijk de waarlijke stilte te praktizeren, want deze leidt tot overwegingen van het ego zowel als van de ziel. Vandaar dat de stilte de mens vaak wordt  opgelegd door een meester, dus van buitenaf. 

Het is nooit de stilte, die van binnenuit komt, nooit een gevolg van ver-assing en sublimatie. De mens die innerlijk niet stil kan worden in ego en ziel, strijdt nog steeds de ego-strijd die hem belet zijn denken en gevoelen te harmoniseren. 

Deze ego-strijd, die nu eenmaal aan de ver-assing voorafgaat en slechts door een onbewogenheid in denken en gevoelen gestild kan worden, vormt de barensnood voor het waardige ego, het lood, maar is nog niet de barensstonde van de ziel. 

Een goed, humaan, edel mens behoeft nog geen zielemens te zijn, maar hij kan wel het fundament voor een zielegeboorte in zich omdragen. 

En een hunkerende zielemens, een voortgejaagde door het ziele-element kan zelfs een onevenwichtig, disharmonisch mens worden, omdat dat vreemde, onaardse element hem pijnigt, treitert, zou men haast zeggen. 

Het is heel goed mogelijk dat de onevenwichtige zielemens een goed en harmonisch mens geweest is en toen gegrepen werd door de zieleherinnering, waardoor hij volkomen ondersteboven werd gekeerd en nu bezig is het evenwicht te herstellen met behoud van zijn zieleherinnering. 

Dat is wat anders dan een zielloos goed mens zijn! 

Een goed mens blijven, in de hoogste betekenis van het woord, terwijl het ontwaakte ziele-oog de waarheid onderkent is veel moeilijker dan niets te herkennen en goed te doen zonder meer. 

Onwetendheid kan een zegen, een genade zijn (vanuit het ego gezien), weten of intelligentie kan een pijniging, een vloek worden voor het ego. 

Maar zij die dit kruis, een kruis van weten en onderkennen, op de schouders gelegd krijgen, zijn de kruisgang waard, zegt Paracelsus. 

Laten deze woorden ieder tot een troost zijn, en een hulp mogen worden bij het proces van zielewording. 

Iedere geboorte kent de weeën en de vreugde, vergeet dat niet, zij behoren bij elkaar.

1970 - 2018, copyright Henk en Mia Leene